Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2015-04-14
ECLI:NL:CRVB:2015:1186
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,417 tokens
Inleiding
13/2813 Wpb
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
1 mei 2013, 12/3396 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep doorgezonden naar de Raad op de grond dat de Raad bevoegd is van het hoger beroep kennis te nemen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de Raad heeft het college nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2015. Voor appellant zijn verschenen mr. H.P.M. Schenkels en M. Bochallati. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.A. van der Grinten, advocaat, en drs. C.W.A. Stam.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 5 juli 2010 heeft appellant de door het college voor de uitvoering van de Wet participatiebudget (Wpb) over het verantwoordingsjaar 2009 bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ingediende verantwoordingsinformatie ontvangen met de bijlage bij de jaarrekening als bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Deze bijlage bevat een verslag van bevindingen met bijbehorende accountantsverklaring van Deloitte Accountants B.V. (accountant) van 15 april 2010. In dit verslag heeft de accountant ten aanzien van het participatiebudget gerapporteerd dat toereikend is toegelicht dat de totale kosten van de door het college met de Stichting Arbeidsmarkt en Werkprojecten Utrecht (SAWU) gesloten overeenkomst verband houdend met het afsluiten van arbeidscontracten en overige activiteiten ten bedrage van € 2.500.000,- ten laste van 2009 zijn gebracht.
1.2.
Bij besluit van 28 juli 2011 heeft appellant met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de Wpb, voor zover hier van belang, een bedrag van € 2.441.707,- teruggevorderd van het college. Daaraan is ten grondslag gelegd dat voor dit bedrag in 2009 geen prestatie is gerealiseerd en dus geen sprake is van een besteding als bedoeld in het voor het participatiebudget geldende baten- en lastenstelsel.
1.3.
Bij besluit van 9 maart 2012 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2011, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.
1.4.
Bij besluit van 7 juni 2012 heeft appellant het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat een bedrag van € 10.509,- aan scholingskosten over 2009 alsnog betaalbaar wordt gesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de terugvordering van het participatiebudget over 2009 in stand is gelaten, en het besluit van 28 juli 2011 in zoverre herroepen. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat de loonkostensubsidie in 2009 is betaald en dat de uitstroom van bijstandsgerechtigden in het jaar 2009 is gerealiseerd. De feitelijke prestatie is dus in 2009 geleverd en daarvan is op de voorgeschreven wijze verantwoording afgelegd. Omdat de staatssecretaris niet heeft kunnen aangeven welke rechtsnorm door deze wijze van besteding is geschonden en evenmin sprake is van onrechtmatige besteding was de staatssecretaris niet bevoegd tot terugvordering.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wpb verstrekt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Minister) aan het college een uitkering ten behoeve van de kosten van participatievoorzieningen, niet zijnde uitvoeringskosten, voor de doelgroep (…). In artikel 2, tweede lid, van de Wpb is bepaald dat de uitkering wordt vastgesteld in september voorafgaande aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft.
4.2.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wpb legt het college verantwoording af aan de Minster over de uitvoering van deze wet op de wijze als bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. Het tweede lid van artikel 4 van de Wpb bepaalt dat, indien uit deze verantwoordingsinformatie blijkt dat de Wpb-uitkering niet volledig of onrechtmatig is besteed, de Minister de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel terugvordert. Volgens artikel 4, derde lid, van de Wpb wordt de Wpb-uitkering (ook) teruggevorderd als de verantwoordingsinformatie niet tijdig volledig door de Minister is ontvangen. De Minister stelt de in dit lid bedoelde terugvordering vast op een lager bedrag als de volledige terugvordering naar zijn oordeel leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4.3.
Voor de wijze van verantwoording van de rechtmatige besteding van het participatiebudget, dat plaatsvindt op basis van het baten- en lastenstelsel, verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 3 december 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2661) en van 4 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:721). In het baten- en lastelstelsel worden de lasten verantwoord in het jaar dat de prestatie is geleverd. Trajecten die over meerdere kalenderjaren worden gerealiseerd worden ook over meerdere verantwoordingsjaren verantwoord.
4.4.
Uit de gedingstukken blijkt dat het college bij besluit van 15 december 2009 een subsidie heeft toegekend aan de SAWU. De te subsidiëren activiteit bestaat uit het afsluiten van arbeidsovereenkomsten met ten minste 100 WWB-uitkeringsgerechtigden die door het college zullen worden voorgedragen. De subsidie bedraagt € 25.000,- per dienstverband met een duur van twaalf maanden voor 40 uur per week. Ter uitvoering van dit besluit hebben het college en SAWU op dezelfde datum een overeenkomst gesloten waarin nadere afspraken zijn opgenomen. Deze zien onder meer op de begeleiding van de werknemers en het bieden van kinderopvang, op het houden en rapporteren van driegesprekken (tussen de begeleider van SAWU, de klantmanager van het college en de werknemer) en op de verantwoording van SAWU aan het college door het verstrekken van kwartaalverslagen. Op verzoek van de Raad heeft het college een tiental, in november en december 2009 ondertekende, individuele arbeidsovereenkomsten met SAWU overgelegd.
4.5.
Appellant heeft, samengevat, aangevoerd dat het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst met een uitvoerende derde op 15 december 2009 en de daarmee samenhangende uitstroom van personen uit de Wet werk en bijstand (WWB) per die datum niet kunnen worden aangemerkt als een in het kader van de Wpb gerealiseerde prestatie. Volgens appellant wordt daarmee voorbijgegaan aan de jaarlijkse financierings- en verantwoordingssystematiek van de Wpb en het daarbinnen gehanteerde baten-lastenstelsel. Daarnaast heeft de rechtbank miskend dat de wettelijke grondslag voor terugvordering is gelegen in artikel 4, tweede lid, van de Wpb en dat de toepassing daarvan is gebaseerd op het gegeven dat het college het met de uitvoeringsovereenkomst gemoeide bedrag van
€ 2.500.000,- niet in 2009 heeft besteed.
Prestatie in het kader van het baten-lastenstelsel Wpb
4.6.
Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag op welk moment de prestatie in het kader van de Wpb is gerealiseerd. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat ervan uit, dat onder prestatie in dit verband moet worden verstaan de realisatie van een participatievoorziening ten behoeve van een persoon uit de wettelijke doelgroep van achttien jaar en ouder. De hantering van een baten-lastenstelsel brengt met zich mee dat
- anders dan wanneer op basis van een kasstelsel wordt verantwoord - naargelang de prestatie wordt gerealiseerd de daarmee samenhangende lasten evenredig worden toegerekend aan de betreffende tijdvakken. Geen aanleiding wordt gezien om wat daarover in de Verzamelbrief van december 2009 (RUA/RB/2009/26738) is opgemerkt voor onjuist te houden.
4.7.
Dit betekent dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen doorslaggevende betekenis toekomt aan het gegeven dat de in 4.4 genoemde overeenkomsten in 2009 zijn afgesloten, dat in 2009 aan SAWU is betaald en dat in 2009 de uitstroom van personen uit de WWB is gerealiseerd. Allereerst is, anders dan onder het kasstelsel (dat tot 2009 ten aanzien van het WWB-werkdeel gold), het tijdstip van betaling niet relevant.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 maart 2012, zoals gewijzigd bij besluit van
7 juni 2012, ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en
G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2015.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) C.A.M.V. van Kleef
HD