Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-26
ECLI:NL:RBAMS:2026:4768
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
4,026 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4768 text/xml public 2026-05-19T10:31:42 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-26 11820165 \ CV EXPL 25-10339 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Schadevergoedingsuitspraak Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4768 text/html public 2026-05-19T10:30:32 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4768 Rechtbank Amsterdam , 26-03-2026 / 11820165 \ CV EXPL 25-10339 Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Vordering gedeeltelijk afgewezen, in verband met oneerlijk prijsbeding aanvullende werkzaamheden. Sanctie in verband met schending essentiële informatieplichten. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11820165 \ CV EXPL 25-10339 Vonnis van 26 maart 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , eisende partij, gemachtigde: mr. O.J. Boeder, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 23 oktober 2025, - de akte van eisende partij. 1.2. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij, kort gezegd, in de gelegenheid gesteld zich (nader) uit te laten over: de wijze waarop de overeenkomst is gesloten, hoe is voldaan aan de informatieplichten, de transparantie van het beding over de prijs, de toepasselijkheid c.q. het hanteren van algemene voorwaarden, de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd, en de gevolgen van eventuele vernietiging van deze bedingen voor het geval ze als oneerlijk worden aangemerkt. 2.2. Eisende partij heeft bij akte aangevoerd, kort gezegd, dat voorafgaand aan de uitgevoerde werkzaamheden een offerte is uitgebracht. Gedaagde partij is aanvankelijk akkoord gegaan met alleen de schilderwerkzaamheden die op de offerte stonden. Deze bedragen komen ook terug in de factuur. Gedurende het uitvoeren van de werkzaamheden zijn mondeling aanvullende afspraken gemaakt, omdat de boot gekraakt bleek te zijn onder water. Gedaagde partij vroeg daarnaast of eisende partij ook de autofouling kon doen. Eisende partij verwijst in dit verband ook naar de WhatsApp correspondentie die bij de dagvaarding is gevoegd. 2.3. Uit de gegeven toelichting volgt dat eisende partij voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden een offerte heeft uitgebracht, waarmee gedaagde partij gedeeltelijk akkoord is gegaan, namelijk voor wat betreft de schilderwerkzaamheden. De geoffreerde bedragen daarvoor komen exact terug in de factuur. Daarover is overeenstemming bereikt. Het prijsbeding ten aanzien van die werkzaamheden is dan ook voldoende transparant, zodat verdere toetsing aan Richtlijn 93/13 EG (hierna: de richtlijn) niet aan de orde is. 2.4. De kosten voor de schilderwerkzaamheden bedragen blijkens de offerte en de factuur € 151,56 + € 60,00 + € 1.089,00 = € 1.300,56 x 1,21 (btw) = € 1.573,67. Dat bedrag is toewijsbaar. 2.5. Over de overige uitgevoerde werkzaamheden die staan vermeld op de factuur hebben partijen volgens eisende partij overeenstemming bereikt. De kantonrechter constateert dat dit inderdaad het geval is. Gesteld noch gebleken is echter dat eisende partij de prijs van de aanvullende werkzaamheden voorafgaand aan de uitvoering daarvan op duidelijke en begrijpelijke wijze aan gedaagde partij heeft verstrekt. Dat maakt dat het prijsbeding met betrekking tot de aanvullende werkzaamheden niet transparant is, zodat het op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn moet worden getoetst. 2.6. Nu niet kan worden vastgesteld dat de (bij benadering te verwachten) prijs voor de overige werkzaamheden voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze aan gedaagde partij is verstrekt, wordt het prijsbeding voor wat betreft de overige werkzaamheden als oneerlijk aangemerkt. Gedaagde partij heeft de economische gevolgen immers niet goed kunnen inschatten. 2.7. Dat betekent, gelet op artikel 6 lid 1 van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn), dat gedaagde partij niet aan het prijsbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de overeenkomst ter zake van de aanvullende werkzaamheden niet kan blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde partij hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954). 2.8. Nu eisende partij de overeengekomen aanvullende werkzaamheden heeft uitgevoerd, heeft gedaagde partij in die zin geen belang bij voortbestaan van de (later gesloten) overeenkomst (ter zake van de aanvullende werkzaamheden). Wel komt gedaagde partij door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het eisende partij de mogelijkheid biedt om op basis van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW) een vergoeding voor de reeds verrichte werkzaamheden te vorderen (ECLI:EU:C:2023:14, overweging 62). 2.9. In die wetsartikelen is bepaald dat ongedaanmaking of de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is. In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel gedaagde partij tot schadevergoeding te verplichten, nu gebruik is gemaakt van een oneerlijk prijsbeding. Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door eisende partij op een andere grond dan de overeenkomst zal dan ook niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt gedaagde partij daarom niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor hem, zodat aanvulling van de overeenkomst niet nodig is. 2.10. Nu uit het voorgaande volgt dat niet kan worden vastgesteld dat de prijs van een deel van de werkzaamheden voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan gedaagde partij is verstrekt, heeft eisende partij niet voldaan aan de essentiële informatieplicht als bedoeld in artikel 6:230l onder c van het Burgerlijk Wetboek. Dat geeft aanleiding om het toewijsbare gedeelte van de vordering te sanctioneren overeenkomstig het landelijke sanctiemodel voor essentiële informatieplichten. In dit geval bedraagt de sanctie een korting op de hoofdsom van 20%. 2.11. Aan hoofdsom wordt daarom toegewezen € 1.573,67 x 0,8 = € 1.258,93. Het meer gevorderde wordt afgewezen. 2.12. Op de overeenkomst zijn geen algemene voorwaarden van toepassing verklaard. 2.13. Nu een lager bedrag aan hoofdsom toewijsbaar is dan gevorderd, is het bedrag aan wettelijke rente berekend over een te hoog bedrag. De wettelijke rente is toewijsbaar over voornoemde hoofdsom vanaf de datum van verzuim. Nu deze datum niet is gesteld, wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum van betekening van de dagvaarding. 2.14. Eisende partij vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Het gevorderde bedrag is echter hoger dan de vergoeding die uit het Besluit voortvloeit, vanwege de lagere hoofdsom die is toegewezen. Daarom wordt het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gematigd tot een bedrag van € 188,84. 2.15. Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld – eisende partij zelfs in overwegende mate – wordt aanleiding gezien de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat partijen ieder hun eigen kosten dragen. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4768 text/xml public 2026-05-19T10:31:42 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-26 11820165 \ CV EXPL 25-10339 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Schadevergoedingsuitspraak Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4768 text/html public 2026-05-19T10:30:32 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4768 Rechtbank Amsterdam , 26-03-2026 / 11820165 \ CV EXPL 25-10339 Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Vordering gedeeltelijk afgewezen, in verband met oneerlijk prijsbeding aanvullende werkzaamheden. Sanctie in verband met schending essentiële informatieplichten. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11820165 \ CV EXPL 25-10339 Vonnis van 26 maart 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , eisende partij, gemachtigde: mr. O.J. Boeder, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 23 oktober 2025, - de akte van eisende partij. 1.2. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij, kort gezegd, in de gelegenheid gesteld zich (nader) uit te laten over: de wijze waarop de overeenkomst is gesloten, hoe is voldaan aan de informatieplichten, de transparantie van het beding over de prijs, de toepasselijkheid c.q. het hanteren van algemene voorwaarden, de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd, en de gevolgen van eventuele vernietiging van deze bedingen voor het geval ze als oneerlijk worden aangemerkt. 2.2. Eisende partij heeft bij akte aangevoerd, kort gezegd, dat voorafgaand aan de uitgevoerde werkzaamheden een offerte is uitgebracht. Gedaagde partij is aanvankelijk akkoord gegaan met alleen de schilderwerkzaamheden die op de offerte stonden. Deze bedragen komen ook terug in de factuur. Gedurende het uitvoeren van de werkzaamheden zijn mondeling aanvullende afspraken gemaakt, omdat de boot gekraakt bleek te zijn onder water. Gedaagde partij vroeg daarnaast of eisende partij ook de autofouling kon doen. Eisende partij verwijst in dit verband ook naar de WhatsApp correspondentie die bij de dagvaarding is gevoegd. 2.3. Uit de gegeven toelichting volgt dat eisende partij voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden een offerte heeft uitgebracht, waarmee gedaagde partij gedeeltelijk akkoord is gegaan, namelijk voor wat betreft de schilderwerkzaamheden. De geoffreerde bedragen daarvoor komen exact terug in de factuur. Daarover is overeenstemming bereikt. Het prijsbeding ten aanzien van die werkzaamheden is dan ook voldoende transparant, zodat verdere toetsing aan Richtlijn 93/13 EG (hierna: de richtlijn) niet aan de orde is. 2.4. De kosten voor de schilderwerkzaamheden bedragen blijkens de offerte en de factuur € 151,56 + € 60,00 + € 1.089,00 = € 1.300,56 x 1,21 (btw) = € 1.573,67. Dat bedrag is toewijsbaar. 2.5. Over de overige uitgevoerde werkzaamheden die staan vermeld op de factuur hebben partijen volgens eisende partij overeenstemming bereikt. De kantonrechter constateert dat dit inderdaad het geval is. Gesteld noch gebleken is echter dat eisende partij de prijs van de aanvullende werkzaamheden voorafgaand aan de uitvoering daarvan op duidelijke en begrijpelijke wijze aan gedaagde partij heeft verstrekt. Dat maakt dat het prijsbeding met betrekking tot de aanvullende werkzaamheden niet transparant is, zodat het op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn moet worden getoetst. 2.6. Nu niet kan worden vastgesteld dat de (bij benadering te verwachten) prijs voor de overige werkzaamheden voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze aan gedaagde partij is verstrekt, wordt het prijsbeding voor wat betreft de overige werkzaamheden als oneerlijk aangemerkt. Gedaagde partij heeft de economische gevolgen immers niet goed kunnen inschatten. 2.7. Dat betekent, gelet op artikel 6 lid 1 van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn), dat gedaagde partij niet aan het prijsbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de overeenkomst ter zake van de aanvullende werkzaamheden niet kan blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde partij hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954). 2.8. Nu eisende partij de overeengekomen aanvullende werkzaamheden heeft uitgevoerd, heeft gedaagde partij in die zin geen belang bij voortbestaan van de (later gesloten) overeenkomst (ter zake van de aanvullende werkzaamheden). Wel komt gedaagde partij door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het eisende partij de mogelijkheid biedt om op basis van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW) een vergoeding voor de reeds verrichte werkzaamheden te vorderen (ECLI:EU:C:2023:14, overweging 62). 2.9. In die wetsartikelen is bepaald dat ongedaanmaking of de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is. In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel gedaagde partij tot schadevergoeding te verplichten, nu gebruik is gemaakt van een oneerlijk prijsbeding. Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door eisende partij op een andere grond dan de overeenkomst zal dan ook niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt gedaagde partij daarom niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor hem, zodat aanvulling van de overeenkomst niet nodig is. 2.10. Nu uit het voorgaande volgt dat niet kan worden vastgesteld dat de prijs van een deel van de werkzaamheden voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan gedaagde partij is verstrekt, heeft eisende partij niet voldaan aan de essentiële informatieplicht als bedoeld in artikel 6:230l onder c van het Burgerlijk Wetboek. Dat geeft aanleiding om het toewijsbare gedeelte van de vordering te sanctioneren overeenkomstig het landelijke sanctiemodel voor essentiële informatieplichten. In dit geval bedraagt de sanctie een korting op de hoofdsom van 20%. 2.11. Aan hoofdsom wordt daarom toegewezen € 1.573,67 x 0,8 = € 1.258,93. Het meer gevorderde wordt afgewezen. 2.12. Op de overeenkomst zijn geen algemene voorwaarden van toepassing verklaard. 2.13. Nu een lager bedrag aan hoofdsom toewijsbaar is dan gevorderd, is het bedrag aan wettelijke rente berekend over een te hoog bedrag. De wettelijke rente is toewijsbaar over voornoemde hoofdsom vanaf de datum van verzuim. Nu deze datum niet is gesteld, wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum van betekening van de dagvaarding. 2.14. Eisende partij vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Het gevorderde bedrag is echter hoger dan de vergoeding die uit het Besluit voortvloeit, vanwege de lagere hoofdsom die is toegewezen. Daarom wordt het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gematigd tot een bedrag van € 188,84. 2.15. Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld – eisende partij zelfs in overwegende mate – wordt aanleiding gezien de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat partijen ieder hun eigen kosten dragen. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1.