Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-02-19
ECLI:NL:RBAMS:2026:3911
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,953 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3911 text/xml public 2026-04-28T13:00:59 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-19 13/150796-25 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3911 text/html public 2026-04-22T09:50:22 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3911 Rechtbank Amsterdam , 19-02-2026 / 13/150796-25 Executie-EAB, Polen. Artikel 12-verweer verworpen: situatie alsb bedoeld in artikel 12, sub b, OLW aan de orde. Verweer m.b.t. de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Barczewo verworpen. Overlevering toegestaan. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/150796-25 Datum uitspraak: 19 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 27 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 28 april 2025 door de Sąd Okręgowy W Koninie (Regional Court in Konin) , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 14 januari 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 14 januari 2026 in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is (conform een door hem getekende afstandsverklaring) niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB voor bepaalde tijd aangehouden om de raadsman in de gelegenheid te stellen de zaak met de opgeëiste persoon te bespreken, aangezien de vorige raadsman de verdediging had neergelegd en mr. De Goede de verdediging pas een dag voor de zitting had overgenomen. Zitting 12 februari 2026 De behandeling is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 12 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen te stellen ten behoeve van de toetsing aan artikel 12 OLW. Zitting 19 februari 2026 De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 19 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Konin van 28 oktober 2021 (met referentie: II K 38/13). Op 18 februari 2026 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) een Nederlandse vertaling verstrekt van de aanvullende informatie (ongedateerd) van de uitvaardigende autoriteiten in reactie op de vragen die zijn gesteld. Uit die aanvullende informatie blijkt dat op 15 oktober 2024 een arrest is gewezen door het gerechtshof ( Sąd Apelacyjny) te Poznań (met referentie: II Aka 88/21). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, één maand en twaalf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat, hoewel de aanvullende informatie vermeldt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen en hem in hoger beroep te verdedigen, de opgeëiste persoon dit betwist. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van de situatie zoals omschreven in artikel 12, sub b, OLW nu uit de aanvullende informatie met betrekking tot de procedure in hoger beroep volgt dat er een gemachtigde advocaat voor de opgeëiste persoon is opgetreden. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom het arrest van 15 oktober 2024 van het gerechtshof ( Sąd Apelacyjny ) te Poznań (met referentie: II Aka 88/21) toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de advocaat van de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg en dat de opgeëiste persoon, terwijl hij op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren gedurende dat proces en dat die advocaat ook daadwerkelijk zijn verdediging heeft gevoerd. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. De enkele betwisting door de opgeëiste persoon vormt dan ook geen reden om te twijfelen aan de verstrekte informatie. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake is van de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. 5 Strafbaarheid De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 6 Artikel 11 OLW 6.1. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 6.2.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3911 text/xml public 2026-04-28T13:00:59 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-19 13/150796-25 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3911 text/html public 2026-04-22T09:50:22 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3911 Rechtbank Amsterdam , 19-02-2026 / 13/150796-25 Executie-EAB, Polen. Artikel 12-verweer verworpen: situatie alsb bedoeld in artikel 12, sub b, OLW aan de orde. Verweer m.b.t. de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Barczewo verworpen. Overlevering toegestaan. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/150796-25 Datum uitspraak: 19 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 27 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 28 april 2025 door de Sąd Okręgowy W Koninie (Regional Court in Konin) , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 14 januari 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 14 januari 2026 in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is (conform een door hem getekende afstandsverklaring) niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB voor bepaalde tijd aangehouden om de raadsman in de gelegenheid te stellen de zaak met de opgeëiste persoon te bespreken, aangezien de vorige raadsman de verdediging had neergelegd en mr. De Goede de verdediging pas een dag voor de zitting had overgenomen. Zitting 12 februari 2026 De behandeling is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 12 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen te stellen ten behoeve van de toetsing aan artikel 12 OLW. Zitting 19 februari 2026 De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 19 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Konin van 28 oktober 2021 (met referentie: II K 38/13). Op 18 februari 2026 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) een Nederlandse vertaling verstrekt van de aanvullende informatie (ongedateerd) van de uitvaardigende autoriteiten in reactie op de vragen die zijn gesteld. Uit die aanvullende informatie blijkt dat op 15 oktober 2024 een arrest is gewezen door het gerechtshof ( Sąd Apelacyjny) te Poznań (met referentie: II Aka 88/21). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, één maand en twaalf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat, hoewel de aanvullende informatie vermeldt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen en hem in hoger beroep te verdedigen, de opgeëiste persoon dit betwist. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van de situatie zoals omschreven in artikel 12, sub b, OLW nu uit de aanvullende informatie met betrekking tot de procedure in hoger beroep volgt dat er een gemachtigde advocaat voor de opgeëiste persoon is opgetreden. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom het arrest van 15 oktober 2024 van het gerechtshof ( Sąd Apelacyjny ) te Poznań (met referentie: II Aka 88/21) toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de advocaat van de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg en dat de opgeëiste persoon, terwijl hij op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren gedurende dat proces en dat die advocaat ook daadwerkelijk zijn verdediging heeft gevoerd. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. De enkele betwisting door de opgeëiste persoon vormt dan ook geen reden om te twijfelen aan de verstrekte informatie. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake is van de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. 5 Strafbaarheid De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 6 Artikel 11 OLW 6.1. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 6.2.