Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-15
ECLI:NL:RBAMS:2026:3793
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
7,524 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3793 text/xml public 2026-04-17T15:22:19 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-15 13/347366-25 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3793 text/html public 2026-04-17T15:21:48 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3793 Rechtbank Amsterdam , 15-04-2026 / 13/347366-25 Vervolgings-EAB uit Duitsland. Grondslag van het EAB: uit de stukken blijkt niet dat het nationaal arrestatiebevel van 18 december 2020 is ingetrokken of dat de geldigheid van het bevel binnen het toepasselijke Duitse wettelijke kader anderszins is ontvallen. De rechtbank gaat daarom uit van de geldigheid van de grondslag van het EAB, zoals vermeld in onderdeel b) van het EAB. Artikel 6 OLW: de opgeëiste persoon beroept zich op de gegeven terugkeergarantie. Het specialiteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel: de omstandigheid dat de opgeëiste persoon destijds in Duitsland op grond van een ander nationaal arrestatiebevel en daarmee in strijd met het specialiteitsbeginsel is gedetineerd, geeft voor de rechtbank geen aanleiding om niet (langer) uit te gaan van het vertrouwensbeginsel. Niet gebleken is dat in Duitsland stelselmatig het specialiteitsbeginsel wordt geschonden. Overlevering toegestaan. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/347366-25 Datum uitspraak: 15 april 2026 UITSPRAAK op de vordering van 3 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 december 2025 door het Landgericht Aachen (Arrondissementsrechtbank Aken), Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1991 in Curaçao (Nederlandse Antillen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 april 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB 3.1 Inleiding Het EAB vermeldt een arrestatiebevel ten behoeve van de voorlopige hechtenis van 18 december 2020 met kenmerk 71 Ns-609 Js 1020/20-124/20. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. Naar aanleiding van vragen van het openbaar ministerie van 11 november 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in een e-mail van 12 november 2025 het volgende vermeld: " [persoon] has indeed already been surrendered to Germany on May 31st 2023 on the basis of the EAW issued March 5th 2021. However this EAW or more specifically the national warrant that is the basis of this EAW has never been executed. After taking over [persoon] , German police authorities have mistakenly taken him into custody on the basis of another national arrest warrant, that was later revoked by local court in Eschweiler. The court was unaware of the EAW as well as the underlying warrant by Aachen District Court and [persoon] was set free. We therefore reinitiated the search measures on the basis of the EAW issued March 5th 2021. Our understanding is, that this EAW is still valid since the German national warrant that is the basis for this EAW has never been executed by German authorities/announced to [persoon] by a German court. Please let me know whether - in your opinion - a new EAW is necessary given these special circumstances." Hierop heeft het openbaar ministerie op 13 november 2025 geantwoord: " I have discussed the matter with the Public Prosecutor. For our Court, a new EAW is necessary. " In de begeleidende brief bij het EAB van 17 december 2025 heeft de Leidinggevende Hoofdofficier van Justitie te Aken vervolgens – onder andere – het volgende vermeldt: "(…) Volgens de mededeling van 11.11.2025 bevindt zich de gezochte persoon in Nederland. Een arrestatie zou op basis van het Europees Aanhoudingsbevel van 12.01.2021 echter niet meer mogelijk zijn aangezien een uitlevering reeds in het jaar 2023 op grond van de goedkeuring van de Rechtbank Amsterdam van 18.06.2021 (Parketnummer: 13/751305-21, RK nummer: 21/1922) plaatsvond. Tegen deze achtergrond heb ik het thans bijgevoegde Europees Aanhoudingsbevel van 15.12.2025 verkregen, dat het Europees Aanhoudingsbevel van 12.01.2021 vervangt. (…)." 3.2 Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag voor het EAB ontbreekt en dat de overlevering moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon is eerder naar Duitsland overgeleverd op grond van een EAB van 12 januari 2021. Er ligt nu een nieuw EAB maar het onderliggende nationale aanhoudingsbevel van 18 december 2020 is nog steeds hetzelfde. Dit nationale arrestatiebevel is niet meer van kracht, omdat de opgeëiste persoon ingevolge dit nationale arrestatiebevel, na de eerdere overlevering, al in Duitsland is gearresteerd. Er had dus een nieuw nationaal arrestatiebevel moeten worden uitgevaardigd, maar dat is niet gebeurd. 3.3 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB een geldige grondslag heeft en dat de overlevering kan worden toegestaan. Er ligt een nieuw EAB voor, waarop beslist kan worden. Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon in Duitsland na de overlevering – per abuis – is aangehouden op grond van een ander nationaal arrestatiebevel, waardoor het nationaal arrestatiebevel, dat de grondslag vormt voor het huidige EAB, zijn gelding niet verloren heeft. 3.4 Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt op grond van de stukken vast dat de opgeëiste persoon op 31 mei 2023 is overgeleverd naar Duitsland, nadat de rechtbank de overlevering op 18 juni 2021 had toegestaan voor een EAB dat werd uitgevaardigd op 5 maart 2021. Dat EAB had als grondslag hetzelfde arrestatiebevel ten behoeve van de voorlopige hechtenis van 18 december 2020 met kenmerk 71 Ns-609 Js 1020/20-124/20. De rechtbank verwijst in dat verband naar de in overweging 3.1 weergegeven aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 12 november 2025. De rechtbank stelt op grond van die informatie vast dat de opgeëiste persoon, na de eerdere feitelijke overlevering, in Duitsland is aangehouden op basis van een ander nationaal arrestatiebevel dan het bevel dat ten grondslag ligt aan het huidige EAB en waarvoor de rechtbank de overlevering al eerder heeft toegestaan. Uit de stukken blijkt niet dat het nationaal arrestatiebevel van 18 december 2020 vervolgens is ingetrokken of dat de geldigheid van het bevel binnen het toepasselijke Duitse wettelijke kader anderszins daarmee is ontvallen. De raadsman heeft niet aan de hand van dat Duitse toepasselijke recht concreet onderbouwd dat het nationale arrestatiebevel van 18 december 2020 zijn geldigheid heeft verloren en de rechtbank is daar ook niet ambtshalve mee bekend. De rechtbank gaat daarom uit van de geldigheid van de grondslag van het EAB, zoals vermeld in onderdeel b) van het EAB en verwerpt het verweer van de raadsman.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3793 text/xml public 2026-04-17T15:22:19 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-15 13/347366-25 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3793 text/html public 2026-04-17T15:21:48 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3793 Rechtbank Amsterdam , 15-04-2026 / 13/347366-25 Vervolgings-EAB uit Duitsland. Grondslag van het EAB: uit de stukken blijkt niet dat het nationaal arrestatiebevel van 18 december 2020 is ingetrokken of dat de geldigheid van het bevel binnen het toepasselijke Duitse wettelijke kader anderszins is ontvallen. De rechtbank gaat daarom uit van de geldigheid van de grondslag van het EAB, zoals vermeld in onderdeel b) van het EAB. Artikel 6 OLW: de opgeëiste persoon beroept zich op de gegeven terugkeergarantie. Het specialiteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel: de omstandigheid dat de opgeëiste persoon destijds in Duitsland op grond van een ander nationaal arrestatiebevel en daarmee in strijd met het specialiteitsbeginsel is gedetineerd, geeft voor de rechtbank geen aanleiding om niet (langer) uit te gaan van het vertrouwensbeginsel. Niet gebleken is dat in Duitsland stelselmatig het specialiteitsbeginsel wordt geschonden. Overlevering toegestaan. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/347366-25 Datum uitspraak: 15 april 2026 UITSPRAAK op de vordering van 3 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 december 2025 door het Landgericht Aachen (Arrondissementsrechtbank Aken), Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1991 in Curaçao (Nederlandse Antillen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 april 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB 3.1 Inleiding Het EAB vermeldt een arrestatiebevel ten behoeve van de voorlopige hechtenis van 18 december 2020 met kenmerk 71 Ns-609 Js 1020/20-124/20. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. Naar aanleiding van vragen van het openbaar ministerie van 11 november 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in een e-mail van 12 november 2025 het volgende vermeld: " [persoon] has indeed already been surrendered to Germany on May 31st 2023 on the basis of the EAW issued March 5th 2021. However this EAW or more specifically the national warrant that is the basis of this EAW has never been executed. After taking over [persoon] , German police authorities have mistakenly taken him into custody on the basis of another national arrest warrant, that was later revoked by local court in Eschweiler. The court was unaware of the EAW as well as the underlying warrant by Aachen District Court and [persoon] was set free. We therefore reinitiated the search measures on the basis of the EAW issued March 5th 2021. Our understanding is, that this EAW is still valid since the German national warrant that is the basis for this EAW has never been executed by German authorities/announced to [persoon] by a German court. Please let me know whether - in your opinion - a new EAW is necessary given these special circumstances." Hierop heeft het openbaar ministerie op 13 november 2025 geantwoord: " I have discussed the matter with the Public Prosecutor. For our Court, a new EAW is necessary. " In de begeleidende brief bij het EAB van 17 december 2025 heeft de Leidinggevende Hoofdofficier van Justitie te Aken vervolgens – onder andere – het volgende vermeldt: "(…) Volgens de mededeling van 11.11.2025 bevindt zich de gezochte persoon in Nederland. Een arrestatie zou op basis van het Europees Aanhoudingsbevel van 12.01.2021 echter niet meer mogelijk zijn aangezien een uitlevering reeds in het jaar 2023 op grond van de goedkeuring van de Rechtbank Amsterdam van 18.06.2021 (Parketnummer: 13/751305-21, RK nummer: 21/1922) plaatsvond. Tegen deze achtergrond heb ik het thans bijgevoegde Europees Aanhoudingsbevel van 15.12.2025 verkregen, dat het Europees Aanhoudingsbevel van 12.01.2021 vervangt. (…)." 3.2 Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag voor het EAB ontbreekt en dat de overlevering moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon is eerder naar Duitsland overgeleverd op grond van een EAB van 12 januari 2021. Er ligt nu een nieuw EAB maar het onderliggende nationale aanhoudingsbevel van 18 december 2020 is nog steeds hetzelfde. Dit nationale arrestatiebevel is niet meer van kracht, omdat de opgeëiste persoon ingevolge dit nationale arrestatiebevel, na de eerdere overlevering, al in Duitsland is gearresteerd. Er had dus een nieuw nationaal arrestatiebevel moeten worden uitgevaardigd, maar dat is niet gebeurd. 3.3 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB een geldige grondslag heeft en dat de overlevering kan worden toegestaan. Er ligt een nieuw EAB voor, waarop beslist kan worden. Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon in Duitsland na de overlevering – per abuis – is aangehouden op grond van een ander nationaal arrestatiebevel, waardoor het nationaal arrestatiebevel, dat de grondslag vormt voor het huidige EAB, zijn gelding niet verloren heeft. 3.4 Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt op grond van de stukken vast dat de opgeëiste persoon op 31 mei 2023 is overgeleverd naar Duitsland, nadat de rechtbank de overlevering op 18 juni 2021 had toegestaan voor een EAB dat werd uitgevaardigd op 5 maart 2021. Dat EAB had als grondslag hetzelfde arrestatiebevel ten behoeve van de voorlopige hechtenis van 18 december 2020 met kenmerk 71 Ns-609 Js 1020/20-124/20. De rechtbank verwijst in dat verband naar de in overweging 3.1 weergegeven aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 12 november 2025. De rechtbank stelt op grond van die informatie vast dat de opgeëiste persoon, na de eerdere feitelijke overlevering, in Duitsland is aangehouden op basis van een ander nationaal arrestatiebevel dan het bevel dat ten grondslag ligt aan het huidige EAB en waarvoor de rechtbank de overlevering al eerder heeft toegestaan. Uit de stukken blijkt niet dat het nationaal arrestatiebevel van 18 december 2020 vervolgens is ingetrokken of dat de geldigheid van het bevel binnen het toepasselijke Duitse wettelijke kader anderszins daarmee is ontvallen. De raadsman heeft niet aan de hand van dat Duitse toepasselijke recht concreet onderbouwd dat het nationale arrestatiebevel van 18 december 2020 zijn geldigheid heeft verloren en de rechtbank is daar ook niet ambtshalve mee bekend. De rechtbank gaat daarom uit van de geldigheid van de grondslag van het EAB, zoals vermeld in onderdeel b) van het EAB en verwerpt het verweer van de raadsman.
Volledig
4 Strafbaarheid 4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: vervalsing met inbegrip van namaak van de euro. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 4.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het bezit van het wapen en de patronen niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie; handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. 5 Garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De Leidinggevende Hoofdofficier van Justitie te Aken heeft op 17 december 2025 de volgende garantie gegeven: “Er wordt verzekerd dat de opgeëiste persoon in het geval van een rechtsgeldige veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van de geldende versie van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27.11.2008 aangaande de toepassing van het principe van de wederzijdse erkenning op vonnissen in strafzaken, waarbij een vrijheidsbenemende straf of maatregel uitgesproken wordt, voor het doel van hun tenuitvoerlegging in de Europese Unie (publicatieblad L 327 van 05.12.2008, bladzijde 27) voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf terug overgebracht wordt naar Nederland.” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6 Schending van het specialiteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel 6.1 Inleiding Uit de eerder onder 3 aangehaalde e-mail van 12 november 2025, volgt dat de opgeëiste persoon per abuis is aangehouden op grond van een ander nationaal arrestatiebevel, dan het bevel dat ten grondslag lag aan het EAB waarvoor hij was overgeleverd. 6.1 Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het specialiteitsbeginsel en het interstatelijk vertrouwensbeginsel zijn geschonden. De opgeëiste persoon zou namelijk na de eerdere overlevering naar Duitsland zijn aangehouden op grond van een ander nationaal arrestatiebevel dan het bevel dat ten grondslag lag aan het EAB waarvoor hij was overgeleverd. Het is niet duidelijk waarvoor die aanhouding is gedaan. Daarnaast is onduidelijk of de detentieperiode van de opgeëiste persoon op basis van dat andere nationale arrestatiebevel in mindering wordt gebracht op een eventuele veroordeling voor de in het EAB genoemde feiten. Een dergelijke schending van het specialiteitsbeginsel en vertrouwensbeginsel moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. 6.3 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het kwalijk is dat de opgeëiste persoon in Duitsland na de overlevering is aangehouden op grond van een ander nationaal arrestatiebevel dan waarvoor de overlevering destijds door de rechtbank was toegestaan. Een enkele fout betekent niet dat niet meer kan worden uitgegaan van het vertrouwensbeginsel. Verder zal de vraag of de detentieperiode die de opgeëiste persoon heeft ondergaan op grond van dat andere nationale arrestatiebevel, in Duitsland naar voren gebracht moeten worden en in Duitsland opgelost moeten worden. Op de beantwoording van deze vraag is immers het Duitse recht van toepassing. Er bestaat geen grondslag in de OLW om de vordering van het openbaar ministerie om die reden niet-ontvankelijk te verklaren. De overlevering kan worden toegestaan. 6.4 Oordeel van de rechtbank Zoals de rechtbank in overweging punt 3.4 heeft vastgesteld, is de opgeëiste persoon in Duitsland, na een eerdere toegestane overlevering, aangehouden op basis van een ander nationaal arrestatiebevel dan het bevel dat ten grondslag ligt aan het huidige EAB. Nog daargelaten dat de OLW niet voorziet in een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op de aangevoerde grond, is de omstandigheid dat de opgeëiste persoon destijds in Duitsland op grond van een ander nationaal arrestatiebevel en daarmee in strijd met het specialiteitsbeginsel is gedetineerd voor de rechtbank geen aanleiding om niet (langer) uit te gaan van het vertrouwensbeginsel. Niet gebleken is dat in Duitsland stelselmatig het specialiteitsbeginsel wordt geschonden. Veeleer lijkt er sprake te zijn geweest van een incident. De vraag of en zo ja op welke wijze rekening zal worden gehouden met die detentieperiode in Duitsland, is iets wat naar het oordeel van de rechtbank in Duitsland zal moeten worden aangebracht. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 26 en 55 Wet wapens en munitie en 2, 5, 6 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Landgericht Aachen (Arrondissementsrechtbank Aken), Duitsland voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas en E. Mulder, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 april 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.
Volledig
4 Strafbaarheid 4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: vervalsing met inbegrip van namaak van de euro. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 4.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het bezit van het wapen en de patronen niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie; handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. 5 Garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De Leidinggevende Hoofdofficier van Justitie te Aken heeft op 17 december 2025 de volgende garantie gegeven: “Er wordt verzekerd dat de opgeëiste persoon in het geval van een rechtsgeldige veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van de geldende versie van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27.11.2008 aangaande de toepassing van het principe van de wederzijdse erkenning op vonnissen in strafzaken, waarbij een vrijheidsbenemende straf of maatregel uitgesproken wordt, voor het doel van hun tenuitvoerlegging in de Europese Unie (publicatieblad L 327 van 05.12.2008, bladzijde 27) voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf terug overgebracht wordt naar Nederland.” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6 Schending van het specialiteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel 6.1 Inleiding Uit de eerder onder 3 aangehaalde e-mail van 12 november 2025, volgt dat de opgeëiste persoon per abuis is aangehouden op grond van een ander nationaal arrestatiebevel, dan het bevel dat ten grondslag lag aan het EAB waarvoor hij was overgeleverd. 6.1 Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het specialiteitsbeginsel en het interstatelijk vertrouwensbeginsel zijn geschonden. De opgeëiste persoon zou namelijk na de eerdere overlevering naar Duitsland zijn aangehouden op grond van een ander nationaal arrestatiebevel dan het bevel dat ten grondslag lag aan het EAB waarvoor hij was overgeleverd. Het is niet duidelijk waarvoor die aanhouding is gedaan. Daarnaast is onduidelijk of de detentieperiode van de opgeëiste persoon op basis van dat andere nationale arrestatiebevel in mindering wordt gebracht op een eventuele veroordeling voor de in het EAB genoemde feiten. Een dergelijke schending van het specialiteitsbeginsel en vertrouwensbeginsel moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. 6.3 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het kwalijk is dat de opgeëiste persoon in Duitsland na de overlevering is aangehouden op grond van een ander nationaal arrestatiebevel dan waarvoor de overlevering destijds door de rechtbank was toegestaan. Een enkele fout betekent niet dat niet meer kan worden uitgegaan van het vertrouwensbeginsel. Verder zal de vraag of de detentieperiode die de opgeëiste persoon heeft ondergaan op grond van dat andere nationale arrestatiebevel, in Duitsland naar voren gebracht moeten worden en in Duitsland opgelost moeten worden. Op de beantwoording van deze vraag is immers het Duitse recht van toepassing. Er bestaat geen grondslag in de OLW om de vordering van het openbaar ministerie om die reden niet-ontvankelijk te verklaren. De overlevering kan worden toegestaan. 6.4 Oordeel van de rechtbank Zoals de rechtbank in overweging punt 3.4 heeft vastgesteld, is de opgeëiste persoon in Duitsland, na een eerdere toegestane overlevering, aangehouden op basis van een ander nationaal arrestatiebevel dan het bevel dat ten grondslag ligt aan het huidige EAB. Nog daargelaten dat de OLW niet voorziet in een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op de aangevoerde grond, is de omstandigheid dat de opgeëiste persoon destijds in Duitsland op grond van een ander nationaal arrestatiebevel en daarmee in strijd met het specialiteitsbeginsel is gedetineerd voor de rechtbank geen aanleiding om niet (langer) uit te gaan van het vertrouwensbeginsel. Niet gebleken is dat in Duitsland stelselmatig het specialiteitsbeginsel wordt geschonden. Veeleer lijkt er sprake te zijn geweest van een incident. De vraag of en zo ja op welke wijze rekening zal worden gehouden met die detentieperiode in Duitsland, is iets wat naar het oordeel van de rechtbank in Duitsland zal moeten worden aangebracht. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 26 en 55 Wet wapens en munitie en 2, 5, 6 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Landgericht Aachen (Arrondissementsrechtbank Aken), Duitsland voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas en E. Mulder, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 april 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.