Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-02-27
ECLI:NL:RBAMS:2026:3415
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,834 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:3415 text/xml public 2026-04-09T14:36:50 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-27 10770865 \ CV EXPL 23-14003 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Schadevergoedingsuitspraak Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3415 text/html public 2026-04-09T10:07:45 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3415 Rechtbank Amsterdam , 27-02-2026 / 10770865 \ CV EXPL 23-14003 Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Reparatie auto. Stelling dat prijs vooraf is besproken blijkt niet uit de stukken. Prijsbeding niet transparant en oneerlijk. Afwijzing vordering. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 10770865 \ CV EXPL 23-14003 Vonnis van 27 februari 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HEDIN AOUTOMOTIVE 1M B.V. , gevestigd te Utrecht, eisende partij, gemachtigde: Trust Krediet Beheer B.V., tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 24 oktober 2025, - de akte van eisende partij. 1.2. Gedaagde partij heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet gereageerd op de akte van eisende partij. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij, kort gezegd, in de gelegenheid gesteld zich (nader) uit te laten over: de wijze waarop de overeenkomst is gesloten, hoe is voldaan aan de informatieplichten, de transparantie van het beding over de prijs, de toepasselijkheid c.q. het hanteren van algemene voorwaarden, de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd, en de gevolgen van eventuele vernietiging van deze bedingen voor het geval ze als oneerlijk worden aangemerkt. 2.2. Eisende partij had zich bij de dagvaarding al uitgelaten over de wijze waarop de overeenkomst is gesloten en hoe zij heeft voldaan aan de informatieplichten. Bij akte heeft eisende partij over de transparantie van het prijsbeding aangevoerd dat zij voorafgaand aan de werkzaamheden een inschatting heeft gemaakt van de kosten en deze met gedaagde partij heeft besproken. Eisende partij overlegt een door gedaagde partij ondertekende werkorder. Nadien is eisende partij overgegaan tot uitvoering van de werkzaamheden. Nadien zijn de uitgevoerde werkzaamheden met gedaagde partij besproken en heeft gedaagde partij voor akkoord getekend. Eisende partij hanteert algemene voorwaarden, die zij in het geding heeft gebracht. Deze voorwaarden bevatten geen oneerlijke bedingen, aldus – steeds – eisende partij. 2.3. Eisende partij heeft bij akte gesteld dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een inschatting is gegeven van de kosten van de werkzaamheden, voor zover die op dat moment te overzien waren. Dat volgt echter niet uit de overgelegde producties. De door gedaagde partij ondertekende werkorder vermeldt weliswaar de uit te voeren werkzaamheden, maar niet de prijzen daarvan, noch de (geschatte) totaalprijs. De prijs die op de bij akte overgelegde ‘prijsopgave’ is vermeld is pas verstrekt na afronding van de werkzaamheden, zodat dit geen rol kan spelen in de beoordeling van de transparantie van het beding over de prijs, omdat die beoordeling plaatsvindt op het moment van het sluiten van de overeenkomst. Nu de stelling dat de prijs vooraf met gedaagde partij is besproken niet blijkt uit de overgelegde stukken, had het op de weg van eisende partij gelegen om haar toelichting over de transparantie van het prijsbeding voldoende concreet te maken en zo nodig te onderbouwen, bijvoorbeeld door een verklaring van de betreffende medewerker die met gedaagde partij heeft gesproken. De enkele stelling dat de prijs van tevoren met gedaagde partij is besproken volstaat zonder voldoende concretisering of onderbouwing niet. Daarom wordt het ervoor gehouden dat het beding over de prijs niet transparant is en om die reden op oneerlijkheid moet worden getoetst. 2.4. Nu zonder concretisering of onderbouwing niet kan worden vastgesteld dat de (bij benadering te verwachten) prijs, zoals blijkt uit de factuur, voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze aan gedaagde partij is verstrekt, wordt het prijsbeding als oneerlijk aangemerkt. Het moet ervoor worden gehouden dat gedaagde partij de economische gevolgen van het sluiten van de overeenkomst niet goed heeft kunnen inschatten. 2.5. Dat betekent, gelet op artikel 6 lid 1 van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn), dat gedaagde partij niet aan het prijsbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de onderhavige overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde partij hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954). 2.6. Nu eisende partij de overeengekomen werkzaamheden heeft uitgevoerd, heeft gedaagde partij in die zin geen belang bij voortbestaan van de overeenkomst. Wel komt gedaagde partij door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het eisende partij de mogelijkheid biedt om op basis van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW) een vergoeding voor de reeds verrichte werkzaamheden te vorderen (ECLI:EU:C:2023:14, overweging 62). 2.7. In die wetsartikelen is bepaald dat ongedaanmaking of de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is. In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel gedaagde partij tot schadevergoeding te verplichten, nu gebruik is gemaakt van een oneerlijk prijsbeding. Als gevolg daarvan heeft gedaagde partij die waarde voordat hij de overeenkomst aanging juist niet kunnen inschatten, waardoor hij is bevrijd van zijn betalingsverplichting (ECLI:EU:C:2023:14, punt 58). Ook zou de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 van de richtlijn – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komen wanneer eisende partij alsnog een vergoeding voor de diensten zou kunnen krijgen terwijl een oneerlijk prijsbeding wordt gehanteerd. 2.8. Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door eisende partij op een andere grond dan de overeenkomst zal dan ook niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt gedaagde partij daarom niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor hem, zodat aanvulling van de overeenkomst niet nodig is. 2.9. De vordering wordt op grond van het voorgaande afgewezen. 2.10. Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. wijst de vordering af, 3.2. veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026. 991