Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-02
ECLI:NL:RBAMS:2026:3263
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,006 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3263 text/xml public 2026-04-14T14:26:39 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-02 11557243 \ CV EXPL 25-3422 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verstek Tussenuitspraak NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3263 text/html public 2026-04-14T09:34:43 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3263 Rechtbank Amsterdam , 02-04-2026 / 11557243 \ CV EXPL 25-3422 Verstekzaak; tussenvonnis. Betreft vordering tot betaling kosten particuliere mbo-opleiding. Niet transparant en oneerlijk prijsbeding. Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11557243 \ CV EXPL 25-3422 Vonnis van 2 april 2026 in de zaak van DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP MBO4 NEDERLAND B.V. , gevestigd te Hillegom, eisende partij, gemachtigde: [gemachtigde] , tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard op 19 februari 2025. Gedaagde partij is niet verschenen en heeft ook niet schriftelijk gereageerd. Tegen hem is daarom verstek verleend. 1.2. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. 2 De beoordeling 2.1. Volgens eisende partij is tussen partijen een onderwijsovereenkomst tot stand gekomen voor de opleiding Sport- en bewegingscoördinator. Op de overeenkomst zijn de ‘Nadere bepalingen’ (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing. Eisende partij is een particuliere school. De kosten van de opleiding bedroegen € 12.800,00 per schooljaar. Gedaagde partij heeft de opleidingskosten niet volledig voldaan, zodat eisende partij driemaal een bedrag van € 12.800,00 vordert over de schooljaren 2020-2021, 2021-2022 en 2022-2023. Daarnaast vordert eisende partij een bedrag van € 345,50 voor een Salzburger Super Ski Card, de wettelijke rente berekend tot en met 18 februari 2025 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.294,29. Een bedrag van € 12.800,00 aan opleidingskosten voor het schooljaar 2022-2023 is gecrediteerd. Op het bedrag strekt verder in mindering een bedrag van € 23.280,00 aan betalingen gedaan door gedaagde partij, zodat eisende partij vordert een bedrag van € 4.882,58, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2025, met veroordeling van gedaagde partij in de proceskosten. 2.2. Eisende partij is een handelaar. Gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed consument te zijn. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht, onder meer aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EG, hierna: de richtlijn). 2.3. De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een beding dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, namelijk de onderwijskosten en de kosten van de Salzburger Super Ski Card. Ambtshalve toetsing van dergelijke prijsbedingen is ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn alleen aan de orde als deze niet duidelijk en begrijpelijk, dus niet transparant, zijn geformuleerd. 2.4. Het enige document waarin een prijs is opgenomen, is het ‘Overzicht SBU [gedaagde] , schooljaar 2020-2021’ (productie 4; hierna: overzicht SBU). Gesteld noch gebleken is dat gedaagde partij deze informatie voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft ontvangen. Maar zelfs als dit het geval was geweest, is deze prijs niet transparant. Daarvoor is het volgende van belang. 2.5. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de consument voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst tenminste die informatie moet ontvangen die hem in staat stelt een inschatting te maken van de financiële consequenties die uit de overeenkomst voortvloeien, met andere woorden van de (te verwachten) kosten. 2.6. In het overzicht SBU staan alleen de opleidingskosten voor het jaar 2020-2021 vermeld. Gesteld noch gebleken is dat de prijs die vermeld staat in het overzicht SBU ook voor de daaropvolgende studiejaren geldt, terwijl de overeenkomst wel tot en met 31 juli 2023 is aangegaan. Een prijs voor de Salzburger Super Ski Card ontbreekt volledig. Daarmee is niet gebleken dat eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan gedaagde partij het totale bedrag voor de opleiding heeft meegedeeld. 2.7. Dit betekent dat het prijsbeding niet transparant is en dat deze op oneerlijkheid moet worden getoetst. Volgens artikel 3 lid 1 van de richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Dat een beding niet transparant is leidt nog niet direct tot het oordeel dat het beding ook oneerlijk is, maar het is wel een (belangrijk) element binnen die toets. 2.8. Niet gebleken is dat eisende partij gedaagde partij op andere wijze voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst informatie heeft verstrekt over het totaal aan kosten en gedaagde partij duidelijk heeft gemaakt wat de financiële gevolgen van de overeenkomst zouden zijn. Daarmee is sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomsten voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van gedaagde partij. Het prijsbeding is dan ook oneerlijk. 2.9. Dat zou betekenen, gelet op artikel 6 lid 1 van de richtlijn, dat gedaagde partij niet aan het prijsbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde partij hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen. 2.10. Omdat de onderwijsovereenkomst inmiddels is geëindigd, heeft gedaagde partij in die zin geen belang bij voortbestaan van de overeenkomst. Wel komt gedaagde partij door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het eisende partij de mogelijkheid biedt om op basis van het recht op ongedaanmaking van de prestaties (artikel 6:203 lid 3 jo. 6:210 lid 2) dan wel ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW) een vergoeding voor de reeds verrichte diensten te vorderen. 2.11. In die wetsartikelen is bepaald dat ongedaanmaking of de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is. In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel gedaagde partij tot schadevergoeding te verplichten, omdat eisende partij gebruik maakt van een oneerlijk prijsbeding. 2.12. Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door eisende partij op een andere grond dan de overeenkomst zal derhalve niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt gedaagde partij dan ook niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor hem, zodat aanvulling van de overeenkomst niet nodig is. 2.13. Eisende partij mag zich over het voorgaande, met name de oneerlijkheid van het beding, nog uitlaten. 2.14. De zaak wordt naar de rol verwezen waar eisende partij zich bij akte kan uitlaten zoals hiervoor is overwogen. Hij dient de gevraagde toelichting en eventuele stukken, inclusief dit vonnis, tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat en hoe hij daarop op die rolzitting kan reageren dan wel daarvoor uitstel kan vragen. Eisende partij wordt in dat kader verzocht naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten. 2.15. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3263 text/xml public 2026-04-14T14:26:39 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-02 11557243 \ CV EXPL 25-3422 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verstek Tussenuitspraak NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3263 text/html public 2026-04-14T09:34:43 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3263 Rechtbank Amsterdam , 02-04-2026 / 11557243 \ CV EXPL 25-3422 Verstekzaak; tussenvonnis. Betreft vordering tot betaling kosten particuliere mbo-opleiding. Niet transparant en oneerlijk prijsbeding. Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11557243 \ CV EXPL 25-3422 Vonnis van 2 april 2026 in de zaak van DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP MBO4 NEDERLAND B.V. , gevestigd te Hillegom, eisende partij, gemachtigde: [gemachtigde] , tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard op 19 februari 2025. Gedaagde partij is niet verschenen en heeft ook niet schriftelijk gereageerd. Tegen hem is daarom verstek verleend. 1.2. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. 2 De beoordeling 2.1. Volgens eisende partij is tussen partijen een onderwijsovereenkomst tot stand gekomen voor de opleiding Sport- en bewegingscoördinator. Op de overeenkomst zijn de ‘Nadere bepalingen’ (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing. Eisende partij is een particuliere school. De kosten van de opleiding bedroegen € 12.800,00 per schooljaar. Gedaagde partij heeft de opleidingskosten niet volledig voldaan, zodat eisende partij driemaal een bedrag van € 12.800,00 vordert over de schooljaren 2020-2021, 2021-2022 en 2022-2023. Daarnaast vordert eisende partij een bedrag van € 345,50 voor een Salzburger Super Ski Card, de wettelijke rente berekend tot en met 18 februari 2025 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.294,29. Een bedrag van € 12.800,00 aan opleidingskosten voor het schooljaar 2022-2023 is gecrediteerd. Op het bedrag strekt verder in mindering een bedrag van € 23.280,00 aan betalingen gedaan door gedaagde partij, zodat eisende partij vordert een bedrag van € 4.882,58, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2025, met veroordeling van gedaagde partij in de proceskosten. 2.2. Eisende partij is een handelaar. Gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed consument te zijn. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht, onder meer aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EG, hierna: de richtlijn). 2.3. De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een beding dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, namelijk de onderwijskosten en de kosten van de Salzburger Super Ski Card. Ambtshalve toetsing van dergelijke prijsbedingen is ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn alleen aan de orde als deze niet duidelijk en begrijpelijk, dus niet transparant, zijn geformuleerd. 2.4. Het enige document waarin een prijs is opgenomen, is het ‘Overzicht SBU [gedaagde] , schooljaar 2020-2021’ (productie 4; hierna: overzicht SBU). Gesteld noch gebleken is dat gedaagde partij deze informatie voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft ontvangen. Maar zelfs als dit het geval was geweest, is deze prijs niet transparant. Daarvoor is het volgende van belang. 2.5. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de consument voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst tenminste die informatie moet ontvangen die hem in staat stelt een inschatting te maken van de financiële consequenties die uit de overeenkomst voortvloeien, met andere woorden van de (te verwachten) kosten. 2.6. In het overzicht SBU staan alleen de opleidingskosten voor het jaar 2020-2021 vermeld. Gesteld noch gebleken is dat de prijs die vermeld staat in het overzicht SBU ook voor de daaropvolgende studiejaren geldt, terwijl de overeenkomst wel tot en met 31 juli 2023 is aangegaan. Een prijs voor de Salzburger Super Ski Card ontbreekt volledig. Daarmee is niet gebleken dat eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan gedaagde partij het totale bedrag voor de opleiding heeft meegedeeld. 2.7. Dit betekent dat het prijsbeding niet transparant is en dat deze op oneerlijkheid moet worden getoetst. Volgens artikel 3 lid 1 van de richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Dat een beding niet transparant is leidt nog niet direct tot het oordeel dat het beding ook oneerlijk is, maar het is wel een (belangrijk) element binnen die toets. 2.8. Niet gebleken is dat eisende partij gedaagde partij op andere wijze voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst informatie heeft verstrekt over het totaal aan kosten en gedaagde partij duidelijk heeft gemaakt wat de financiële gevolgen van de overeenkomst zouden zijn. Daarmee is sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomsten voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van gedaagde partij. Het prijsbeding is dan ook oneerlijk. 2.9. Dat zou betekenen, gelet op artikel 6 lid 1 van de richtlijn, dat gedaagde partij niet aan het prijsbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde partij hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen. 2.10. Omdat de onderwijsovereenkomst inmiddels is geëindigd, heeft gedaagde partij in die zin geen belang bij voortbestaan van de overeenkomst. Wel komt gedaagde partij door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het eisende partij de mogelijkheid biedt om op basis van het recht op ongedaanmaking van de prestaties (artikel 6:203 lid 3 jo. 6:210 lid 2) dan wel ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW) een vergoeding voor de reeds verrichte diensten te vorderen. 2.11. In die wetsartikelen is bepaald dat ongedaanmaking of de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is. In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel gedaagde partij tot schadevergoeding te verplichten, omdat eisende partij gebruik maakt van een oneerlijk prijsbeding. 2.12. Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door eisende partij op een andere grond dan de overeenkomst zal derhalve niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt gedaagde partij dan ook niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor hem, zodat aanvulling van de overeenkomst niet nodig is. 2.13. Eisende partij mag zich over het voorgaande, met name de oneerlijkheid van het beding, nog uitlaten. 2.14. De zaak wordt naar de rol verwezen waar eisende partij zich bij akte kan uitlaten zoals hiervoor is overwogen. Hij dient de gevraagde toelichting en eventuele stukken, inclusief dit vonnis, tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat en hoe hij daarop op die rolzitting kan reageren dan wel daarvoor uitstel kan vragen. Eisende partij wordt in dat kader verzocht naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten. 2.15. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1.