Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-16
ECLI:NL:RBAMS:2026:2726
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
2,045 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:2726 text/xml public 2026-04-02T10:10:46 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-16 AMS 26/827 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Amsterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2726 text/html public 2026-03-26T11:30:51 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2726 Rechtbank Amsterdam , 16-03-2026 / AMS 26/827 Vovo hangende bezwaar. Urgentieverklaring. Geen aanleiding om als vovo een urgentie te verlenen of te bepalen dat er in dit stadium al medisch onderzoek door verweerder moet worden gedaan. Woonsituatie van verzoekster niet duidelijk. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 26/827 uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 maart 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. E.R. Boer), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Procesverloop 1.1. Verzoekster heeft op 2 september 2025 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 december 2025 buiten behandeling gesteld. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen waarbij aan haar een urgentieverklaring wordt verstrekt. 1.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder. Verzoekster is niet op de zitting verschenen. Totstandkoming besluit 2. Verzoekster heeft op 5 juni 2024 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring vanwege haar (medische) situatie. Er is bij haar sprake van PTSS, lipoedeem oedeem, blaasziektes en CPRS. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen en na bezwaar gehandhaafd omdat meerdere algemene weigeringsgronden uit de Huisvestingsverordening van toepassing waren. Ook was er geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank heeft op 30 juli 2025 het beroep daartegen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt omdat niet is gebleken van een levensbedreigende situatie. Ook heeft de rechtbank overwogen dat medisch onderzoek pas zal plaatsvinden als er aan de voorwaarden voor het doen van dit onderzoek is voldaan. 3. Op 2 september 2025 heeft verzoekster een nieuwe aanvraag ingediend omdat haar situatie is verslechterd en gedevalueerd is in een acuut levensbedreigend probleem. Zij heeft geen vaste verblijfplaats, leeft op straat en moet elke avond bij vrienden of familie aankloppen om te vragen of zij daar de nacht kan doorbrengen. Hierdoor kan verzoekster onmogelijk de medische zorg krijgen die zij gezien haar medische situatie nodig heeft. 4. Verweerder heeft de aanvraag in het bestreden besluit buiten behandeling gesteld omdat deze niet compleet was. Er ontbreken meerdere documenten die zien op de financiële en medische situatie van verzoekster. Daarnaast dient verzoekster haar relatiebreuk en dakloosheid aan te tonen door zich uit te schrijven van het adres van haar ex-partner, bijvoorbeeld door middel van het aanvragen van een briefadres van een gemeentelijke instantie of de opvanglocatie van HVO Querido. Beoordeling door de voorzieningenrechter 5. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 6. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift naar voren gebracht dat het voor haar niet mogelijk is zich uit te schrijven. Zij zal hierdoor een (lagere) dak- en thuislozen uitkering ontvangen, terwijl zij forse medische kosten heeft. Verder mag zij na uitschrijving niet meer op het adres van haar ex-partner verblijven. Op de zitting heeft de gemachtigde van verzoekster naar voren gebracht dat verzoekster een kamer huurt bij haar ex-partner, maar dat deze huur is opgezegd. Zij kan ook vanwege haar medische situatie niet terecht in een opvanglocatie. Verzoekster heeft behoefte aan een stabiele eigen woning en heeft daarom de aanvraag voor een urgentieverklaring gedaan en ook verzocht om een voorlopige voorziening. 7. Vooropgesteld moet worden dat verzoekster aanvankelijk heeft gevraagd om gedurende de bezwaarfase een voorlopige voorziening te treffen waarmee wordt bereikt dat een urgentieverklaring wordt afgegeven. Als de door verzoekster gevraagde voorziening zou worden toegewezen, is dat eigenlijk geen voorlopige maatregel. Verzoekster zou met de (voorlopige) urgentieverklaring namelijk een huurovereenkomst kunnen sluiten en in een sociale huurwoning kunnen gaan wonen. Als het bezwaar later dan toch ongegrond verklaard zou worden, is die woonsituatie mogelijk feitelijk onomkeerbaar. Andere woningzoekenden worden daardoor dan benadeeld. Gelet hierop zou een dergelijke voorziening alleen kunnen worden getroffen als er nagenoeg geen twijfel is dat verweerder de urgentieverklaring aan verzoekster had moeten geven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daar op dit moment geenszins sprake van is. 8. De gemachtigde van verzoekster heeft op de zitting toegelicht dat zij met haar verzoek om een voorlopige voorziening in ieder geval wil bereiken dat verzoekster wordt onderzocht door de GGD zonder dat zij zich eerst dient uit te schrijven op het adres van haar ex-partner. Zo kan worden onderzocht of sprake is van een acuut levensbedreigende situatie en of zij dan met toepassing van de hardheidsclausule in aanmerking kan komen voor een urgentieverklaring. Volgens verzoekster is het onredelijk om van haar te verlangen dat zij zich eerst uitschrijft met alle gevolgen van dien. 9. Verweerder heeft op de zitting naar voren gebracht dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om in dit stadium al over te gaan tot een onderzoek door de GGD omdat verzoekster niet voldoet aan alle criteria, waaronder het aantonen van haar dakloosheid. 10. De voorzieningenrechter kan verweerder hierin volgen. Het urgentiebeleid in de gemeente Amsterdam is zeer strikt en zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen, is dit restrictieve beleid niet onredelijk. Verweerder zal bij de aanvraag toetsen of algemene weigeringsgronden zich voordoen en vervolgens pas of een urgentieverklaring kan worden verleend voor een sociaal-medische urgentie. Daarna zal verweerder beoordelen of de weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie. Het moet dan gaan om een uitzonderlijke noodsituatie waar een urgentieverklaring voor noodzakelijk is en er moet worden aangetoond dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Alvorens verweerder overgaat tot deze toets, is het aan verzoekster om een duidelijke situatie te presenteren onderbouwd met objectieve stukken. 11. De voorzieningenrechter ziet in het dossier dat vaststaat dat verzoekster kampt met forse medische problematiek. Zij constateert echter ook dat er veel onduidelijk blijft over de feitelijke woonsituatie van verzoekster. In het verzoekschrift wordt aangevoerd dat verzoekster dakloos is en dagelijks bij familie en vrienden onderdak zoekt. Op de zitting is namens verzoekster toegelicht dat zij nog steeds meerdere dagen per week in de woning bij haar ex-partner verblijft. Verzoekster en haar ex-partner woonden samen. Na het verbreken van de relatie huurt verzoekster van haar ex-partner een kamer in die woning. De stellingen van verzoekster dat zij na uitschrijving niet meer op dat adres kan verblijven en dat de huur is opgezegd zijn verder niet onderbouwd. Dat verzoekster dan dakloos zou worden is ook niet zonder meer aannemelijk aangezien de ex-partner eerder zou hebben gezegd dat zij daar kan blijven totdat verzoekster een andere woning heeft. Verzoekster dient daarom eerst duidelijkheid te verschaffen over haar feitelijke woonsituatie. Daarnaast is niet gebleken dat het voor verzoekster onmogelijk is om in haar situatie (tijdelijk) te verblijven bij een opvanglocatie.