Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-16
ECLI:NL:RBAMS:2026:2706
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
2,030 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:2706 text/xml public 2026-04-02T13:05:58 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-16 AMS 25/2265 en AMS 26/304 Uitspraak Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2706 text/html public 2026-04-02T13:05:33 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2706 Rechtbank Amsterdam , 16-03-2026 / AMS 25/2265 en AMS 26/304 Beroep ongegrond en verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Aanvraag exploitatievergunning buitenschoolse opvang. Wet kinderopvang. Buitenspeelruimte. Verantwoorde kinderopvang. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummers: AMS 25/2265 (beroep) en AMS 26/304 (voorlopige voorziening) uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 maart 2026 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen Jiliben B.V., te Amsterdam, eiseres (gemachtigden: [persoon ] (beroep) en mr. J.N.B. Diekerhof (voorlopige voorziening)), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. Smit). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor de exploitatie van de buitenschoolse opvang WOW BSO (BSO). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Procesverloop 2.1. Eiseres heeft op 20 juni 2024 een aanvraag ingediend op grond van artikel 1.45 van de Wet Kinderopvang (Wko) voor de exploitatie van WOW BSO. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 9 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift. 2.3. Op 2 maart 2026 heeft in het bijzijn van partijen een onderzoek ter plaatse (descente) naar de vaste buitenspeelruimten van de BSO plaatsgevonden. Aansluitend heeft de rechtbank die dag het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 1] namens eiseres, de gemachtigde Diekerhof van eiseres, de gemachtigde van verweerder, [persoon 3] en [persoon 4] namens de GGD. 2.5. Partijen hebben op de zitting verzocht om uitspraak te doen in de bodemzaak. De rechtbank beslist daarom ook op het beroep van eiseres. Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiseres heeft op 20 juni 2024 een aanvraag ingediend op grond van artikel 1.45 van de Wko voor de exploitatie van WOW BSO. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de toezichthouder kinderopvang, GGD Amsterdam, WOW BSO op 2 augustus 2024 bezocht om te onderzoeken of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de kwaliteitseisen gesteld bij of krachtens de Wko. De GGD heeft zijn bevindingen eerst vastgelegd in een ontwerpinspectierapport en na de zienswijze van eiseres in het inspectierapport van 29 augustus 2024. Vervolgens heeft verweerder een voornemen uitgebracht. Naar aanleiding van de zienswijze van eiseres tegen dit voornemen is op 23 september 2024 een nader onderzoek uitgevoerd door de GGD, waarvan een aanvullend inspectierapport is opgesteld. In haar inspectierapporten heeft de GGD geadviseerd om de aanvraag van eiseres af te wijzen omdat er te veel belemmeringen zijn voor de kinderen om buiten te kunnen spelen. De in de aanvraag genoemde buitenspeelruimtes zijn niet in de directe nabijheid en zijn onvoldoende toegankelijk en veilig bereikbaar. Verweerder heeft zich met het besluit van 9 oktober 2024 aangesloten bij het oordeel van de GGD en heeft de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 februari 2025 is verweerder bij dit besluit gebleven. Beoordeling door de rechtbank 4. Tijdens de descente is vanuit de BSO naar de buitenspeelruimten gewandeld. De rechtbank heeft daarbij het volgende geconstateerd. De buitenspeelruimte aan de [adres 1] ligt op ongeveer 200 meter afstand van de BSO. Om de buitenspeelruimte te bereiken moeten de kinderen de [adres 2] oversteken. Er zijn twee oversteekpunten (zebrapad) die beiden bestaan uit een fietspad, autoweg en trambaan. Tussen de twee oversteekpunten ligt een grasstrook. Nabij de buitenspeelruimte is een wc aanwezig waar de kinderen gebruik van zouden kunnen maken. Ten aanzien van de buitenspeelruimte aan de [adres 4] heeft de rechtbank geconstateerd dat deze op ongeveer 350 meter afstand van de BSO ligt. Om de buitenspeelruimte te bereiken moeten de kinderen twee keer oversteken: een keer in de [adres 3] en een keer in de [adres 4] . Er is in de nabijheid van de buitenspeelruimte geen wc aanwezig waar de kinderen gebruik van zouden kunnen maken. 5. Op grond van artikel 19, derde lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang (hierna: het Besluit) hoort een BSO te beschikken over een vaste buitenspeelruimte. De buitenspeelruimte is bij voorkeur aangrenzend aan de BSO. In het geval een buitenspeelruimte niet aangrenzend is, dient deze gelegen te zijn in de directe nabijheid van de BSO en voor kinderen toegankelijk en veilig bereikbaar. Eiseres beschikt niet over een vaste aangrenzende buitenspeelruimte. Zij wil gebruik maken van de openbare speeltuin in de [adres 1] of die in de [adres 4] . 6. Eiseres voert aan dat haar aanvraag is afgewezen vanwege het feit dat de buitenspeelruimte van de BSO niet in overeenstemming zou zijn met artikel 19, derde lid, van het Besluit. Het Besluit noch de toelichting geven echter een nadere definitie van de term ‘directe nabijheid’. Er is geen vaste afstand of ander objectief criterium opgenomen en er is volgens eiseres geen sprake van een vast of kenbaar beleidskader. Voorts voert eiseres aan dat verweerder, door wisselende en steeds verdergaande eisen te stellen, een norm creëert die niet langer kan worden gezien als een uitleg van de wettelijke term ‘directe nabijheid’, maar als een nieuwe, zelfstandige voorwaarde die de wetgever niet heeft bedoeld. Dit is in strijd met het legaliteitsbeginsel, omdat een bestuursorgaan niet zonder wettelijke grondslag aanvullende verplichtingen mag scheppen die de reikwijdte van een open norm feitelijk beperken. 7. Op grond van artikel 1.50, eerste lid, van de Wko organiseert de houder van een kindercentrum de kinderopvang op zodanige wijze, voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief, als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, en voert een zodanig pedagogisch beleid dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. In het Besluit zijn nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het uitgangspunt van de beoordeling van een aanvraag voor een BSO de vraag is of er sprake is van verantwoorde kinderopvang. De drie voorwaarden uit het Besluit dienen tegen deze achtergrond beoordeeld te worden. De GGD, die bij wet is aangewezen als toezichthouder, heeft tot taak te onderzoeken of de exploitatie van de BSO redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de wet. De rechtbank is daarom van oordeel dat de GGD alle omstandigheden in samenhang bezien heeft mogen meenemen in de beoordeling van de aanvraag. 8. Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit uitgaan van het advies van een deskundige, als dit advies zorgvuldig tot stand is gekomen, inzichtelijk is en begrijpelijk is gemotiveerd, de zogenaamde vergewisplicht.