Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-06
ECLI:NL:RBAMS:2026:2326
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,091 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2326 text/xml public 2026-03-24T11:58:32 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-06 AMS 25/3338 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2326 text/html public 2026-03-24T09:45:42 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2326 Rechtbank Amsterdam , 06-03-2026 / AMS 25/3338 Eiser heeft bijzondere bijstand voor dagvaardingskosten aangevraagd. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte de dagvaardingskosten niet noodzakelijk heeft geacht. Het college heeft te indringend getoetst, terwijl het college gelet op het recht tot toegang tot de rechter juist terughoudend had moeten toetsen. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/5730 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (gemachtigde: mr. D. Ahmed). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor de kosten van het voeren van een dagvaardingsprocedure. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte de dagvaardingskosten niet noodzakelijk heeft geacht . Het college heeft te indringend getoetst, terwijl het college gelet op het recht tot toegang tot de rechter juist terughoudend had moeten toetsen. Eiser krijgt deels gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser was een klachtenprocedure tegen zijn energieleverancier gestart, omdat hij geen toegang meer had tot historische facturen, doordat zijn energieleverancier zijn account had gesplitst. Toen deze klachtenprocedure niet tot een voor eiser gewenste oplossing leidde, wilde eiser een dagvaardingsprocedure beginnen. 2.1. Eiser heeft vervolgens bij het college een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van de dagvaarding en betekening en voor het griffierecht. 2.2. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 22 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 september 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens het college waren de kosten niet noodzakelijk en dan bestaat geen recht op bijzondere bijstand. Ter onderbouwing heeft het college verwezen naar het hoofd juridische zaken van de gerechtsdeurwaarder, die eiser geadviseerd heeft om de procedure niet voort te zetten, omdat dit niet zinvol was. Daarnaast wijst het college erop dat als eiser een advocaat in de arm zou hebben genomen, hij in aanmerking had kunnen komen voor de kosten rechtsbijstand en griffiekosten, nadat de Raad voor Rechtsbijstand een beschikking had afgegeven over de eigen bijdrage. 2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft hieraan deelgenomen. De gemachtigde van het college heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld. Beoordeling door de rechtbank De Beleidsregels 3. Eiser voert aan dat het college ten onrechte de voorwaarde uit artikel 7.6 Beleidsregels bijzondere bijstand (de Beleidsregels) heeft toegepast dat er een positief advies van het Juridisch Loket of een door de Raad voor Rechtsbijstand verstrekte toevoeging moet zijn, waaruit nut of noodzaak van een te voeren procedure blijkt. 3.1. De Beleidsregels zijn een invulling van de wettelijke bevoegdheid uit artikel 35 van de Participatiewet om bijzondere bijstand toe te kennen. In artikel 7.6 van de Beleidsregels staat dat voor de kosten van rechtsbijstand bij het voeren van een procedure die voor rekening komen van de burger (griffierecht, de eigen bijdrage rechtshulp, en andere noodzakelijke kosten in verband met de rechtszaak) bijzondere bijstand wordt verstrekt. Hierbij geldt als voorwaarde een positief advies van het Juridisch Loket of een door de Raad voor Rechtsbijstand verstrekte toevoeging waaruit nut of noodzaak van een te voeren procedure blijkt. 3.1.1. Dit betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank stelt namelijk vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het college heeft getoetst aan deze beleidsregel. De rechtbank overweegt verder dat het college dat ook niet had moeten doen, omdat artikel 7.6 van de Beleidsregels niet van toepassing is op de situatie van eiser. Hoewel deze beleidsregel duidelijker geformuleerd had kunnen worden, begrijpt de rechtbank deze beleidsregel zo dat deze ziet op de situatie dat iemand hulp inschakelt bij het voeren van een procedure. Aangezien eiser dit niet heeft gedaan en er geen beleidsregel is die ziet op de situatie dat iemand zelf een procedure voert, moet de rechtbank toetsen aan het bovenliggende wettelijk voorschrift, artikel 35 van de Participatiewet. Dit komt in de volgende overwegingen aan de orde. Noodzaak van het verlenen van bijzondere bijstand 4. Eiser voert verder aan dat het college hem ten onrechte tegenwerpt dat de gemaakte kosten niet noodzakelijk zijn. Het college verwijst naar het advies van de deurwaarder, maar dit is geen professioneel en onafhankelijk oordeel en daar mocht het college zich dus niet op baseren. Het college heeft bovendien de door eiser aangedragen argumenten onvoldoende betrokken. Eiser betoogt tot slot dat hij door de weigering van de bijzondere bijstand geschaad is in zijn recht op toegang tot de rechter. 4.1. In geschil is of de kosten van het voeren van een dagvaardingsprocedure noodzakelijk zijn. 4.1.1. Volgens vaste jurisprudentie is de noodzaak voor het maken van kosten van griffierecht in beginsel aanwezig als rechtsbijstand wordt verleend op basis van een toevoeging. Als van een toevoeging geen sprake is (zoals het geval is bij eiser), moet het college aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval zelfstandig een oordeel vormen over de noodzaak van de gevoerde procedure. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om de gestelde noodzakelijkheid van de procedure aannemelijk te maken. Hierbij past niet een al te indringende toets van de noodzaak van de procedure. Een te indringende toets zou in strijd kunnen komen met het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht van eenieder om zijn zaak op enig moment aan een onafhankelijke rechter voor te kunnen leggen. Het college zal daarom terughoudendheid moeten betrachten bij de toetsing van de noodzaak van de gevoerde procedure. In het kader van die terughoudende toetsing zal het bestuursorgaan zich moeten beperken tot de beoordeling of aanleiding bestaat om aan te nemen dat de gevoerde procedure op voorhand kansloos was. De rechtbank neemt aan dat dit toetsingskader niet alleen voor griffierecht geldt, maar ook voor andere noodzakelijke kosten die een voorwaarde zijn voor toegang tot de rechter, zoals in dit geval de kosten van de dagvaarding en betekening. 4.1.2. De rechtbank is van oordeel dat het college te indringend heeft getoetst of de gevoerde procedure noodzakelijk was. Eiser heeft toegelicht en aangetoond dat hij de klachtenprocedure al doorlopen heeft en dat hij geen andere optie ziet dan een dagvaardingsprocedure te beginnen. Hij heeft daarbij ook toegelicht dat hij financiële gevolgen zal ondervinden als hij de historische facturen niet kan verkrijgen. In hoeverre hij met de procedure het gewenste resultaat kan behalen staat niet op voorhand vast en dat deze procedure op voorhand kansloos is, is niet gebleken. De verklaring van de deurwaarder is daarvoor onvoldoende. Deze verklaring is namelijk niet onderbouwd. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit op dit punt een gebrek bevat. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2326 text/xml public 2026-03-24T11:58:32 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-06 AMS 25/3338 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2326 text/html public 2026-03-24T09:45:42 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2326 Rechtbank Amsterdam , 06-03-2026 / AMS 25/3338 Eiser heeft bijzondere bijstand voor dagvaardingskosten aangevraagd. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte de dagvaardingskosten niet noodzakelijk heeft geacht. Het college heeft te indringend getoetst, terwijl het college gelet op het recht tot toegang tot de rechter juist terughoudend had moeten toetsen. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/5730 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (gemachtigde: mr. D. Ahmed). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor de kosten van het voeren van een dagvaardingsprocedure. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte de dagvaardingskosten niet noodzakelijk heeft geacht . Het college heeft te indringend getoetst, terwijl het college gelet op het recht tot toegang tot de rechter juist terughoudend had moeten toetsen. Eiser krijgt deels gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser was een klachtenprocedure tegen zijn energieleverancier gestart, omdat hij geen toegang meer had tot historische facturen, doordat zijn energieleverancier zijn account had gesplitst. Toen deze klachtenprocedure niet tot een voor eiser gewenste oplossing leidde, wilde eiser een dagvaardingsprocedure beginnen. 2.1. Eiser heeft vervolgens bij het college een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van de dagvaarding en betekening en voor het griffierecht. 2.2. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 22 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 september 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens het college waren de kosten niet noodzakelijk en dan bestaat geen recht op bijzondere bijstand. Ter onderbouwing heeft het college verwezen naar het hoofd juridische zaken van de gerechtsdeurwaarder, die eiser geadviseerd heeft om de procedure niet voort te zetten, omdat dit niet zinvol was. Daarnaast wijst het college erop dat als eiser een advocaat in de arm zou hebben genomen, hij in aanmerking had kunnen komen voor de kosten rechtsbijstand en griffiekosten, nadat de Raad voor Rechtsbijstand een beschikking had afgegeven over de eigen bijdrage. 2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft hieraan deelgenomen. De gemachtigde van het college heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld. Beoordeling door de rechtbank De Beleidsregels 3. Eiser voert aan dat het college ten onrechte de voorwaarde uit artikel 7.6 Beleidsregels bijzondere bijstand (de Beleidsregels) heeft toegepast dat er een positief advies van het Juridisch Loket of een door de Raad voor Rechtsbijstand verstrekte toevoeging moet zijn, waaruit nut of noodzaak van een te voeren procedure blijkt. 3.1. De Beleidsregels zijn een invulling van de wettelijke bevoegdheid uit artikel 35 van de Participatiewet om bijzondere bijstand toe te kennen. In artikel 7.6 van de Beleidsregels staat dat voor de kosten van rechtsbijstand bij het voeren van een procedure die voor rekening komen van de burger (griffierecht, de eigen bijdrage rechtshulp, en andere noodzakelijke kosten in verband met de rechtszaak) bijzondere bijstand wordt verstrekt. Hierbij geldt als voorwaarde een positief advies van het Juridisch Loket of een door de Raad voor Rechtsbijstand verstrekte toevoeging waaruit nut of noodzaak van een te voeren procedure blijkt. 3.1.1. Dit betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank stelt namelijk vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het college heeft getoetst aan deze beleidsregel. De rechtbank overweegt verder dat het college dat ook niet had moeten doen, omdat artikel 7.6 van de Beleidsregels niet van toepassing is op de situatie van eiser. Hoewel deze beleidsregel duidelijker geformuleerd had kunnen worden, begrijpt de rechtbank deze beleidsregel zo dat deze ziet op de situatie dat iemand hulp inschakelt bij het voeren van een procedure. Aangezien eiser dit niet heeft gedaan en er geen beleidsregel is die ziet op de situatie dat iemand zelf een procedure voert, moet de rechtbank toetsen aan het bovenliggende wettelijk voorschrift, artikel 35 van de Participatiewet. Dit komt in de volgende overwegingen aan de orde. Noodzaak van het verlenen van bijzondere bijstand 4. Eiser voert verder aan dat het college hem ten onrechte tegenwerpt dat de gemaakte kosten niet noodzakelijk zijn. Het college verwijst naar het advies van de deurwaarder, maar dit is geen professioneel en onafhankelijk oordeel en daar mocht het college zich dus niet op baseren. Het college heeft bovendien de door eiser aangedragen argumenten onvoldoende betrokken. Eiser betoogt tot slot dat hij door de weigering van de bijzondere bijstand geschaad is in zijn recht op toegang tot de rechter. 4.1. In geschil is of de kosten van het voeren van een dagvaardingsprocedure noodzakelijk zijn. 4.1.1. Volgens vaste jurisprudentie is de noodzaak voor het maken van kosten van griffierecht in beginsel aanwezig als rechtsbijstand wordt verleend op basis van een toevoeging. Als van een toevoeging geen sprake is (zoals het geval is bij eiser), moet het college aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval zelfstandig een oordeel vormen over de noodzaak van de gevoerde procedure. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om de gestelde noodzakelijkheid van de procedure aannemelijk te maken. Hierbij past niet een al te indringende toets van de noodzaak van de procedure. Een te indringende toets zou in strijd kunnen komen met het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht van eenieder om zijn zaak op enig moment aan een onafhankelijke rechter voor te kunnen leggen. Het college zal daarom terughoudendheid moeten betrachten bij de toetsing van de noodzaak van de gevoerde procedure. In het kader van die terughoudende toetsing zal het bestuursorgaan zich moeten beperken tot de beoordeling of aanleiding bestaat om aan te nemen dat de gevoerde procedure op voorhand kansloos was. De rechtbank neemt aan dat dit toetsingskader niet alleen voor griffierecht geldt, maar ook voor andere noodzakelijke kosten die een voorwaarde zijn voor toegang tot de rechter, zoals in dit geval de kosten van de dagvaarding en betekening. 4.1.2. De rechtbank is van oordeel dat het college te indringend heeft getoetst of de gevoerde procedure noodzakelijk was. Eiser heeft toegelicht en aangetoond dat hij de klachtenprocedure al doorlopen heeft en dat hij geen andere optie ziet dan een dagvaardingsprocedure te beginnen. Hij heeft daarbij ook toegelicht dat hij financiële gevolgen zal ondervinden als hij de historische facturen niet kan verkrijgen. In hoeverre hij met de procedure het gewenste resultaat kan behalen staat niet op voorhand vast en dat deze procedure op voorhand kansloos is, is niet gebleken. De verklaring van de deurwaarder is daarvoor onvoldoende. Deze verklaring is namelijk niet onderbouwd. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit op dit punt een gebrek bevat. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel.