Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-02-21
ECLI:NL:CRVB:2023:311
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,410 tokens
Inleiding
211038 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 februari 2021, 20/1066 en 20/1199 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] en [appellante] te [woonplaats] (appellanten)
het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 21 februari 2023
Procesverloop
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Appellanten hebben nadere stukken ingediend.
Bij uitspraak van 14 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3167, heeft de Raad het hoger beroep met toepassing van de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 21 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:314, heeft de Raad met toepassing van de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb het verzet tegen de uitspraak van 14 december 2021 gegrond verklaard en het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2023. Appellanten zijn verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvingen ten tijde in geding bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor gehuwden.
1.2.
Op 11 september 2019 hebben appellanten bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een nieuwe oven dan wel herstelwerkzaamheden aan de oude oven.
1.3.
Op 17 november 2019 hebben appellanten bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een wasmachine.
1.4.
Bij besluit van 23 september 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 maart 2020 (bestreden besluit 1), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag voor de kosten van de oven afgewezen.
1.5.
Bij besluit van 8 januari 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 februari 2020 (bestreden besluit 2), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag voor de kosten van de wasmachine buiten behandeling gesteld.
1.6.
Appellanten hebben beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten.
1.7.
Appellanten hebben de rechtbank verzocht om vrijstelling van betaling van de verschuldigde griffierechten op de grond dat zij deze bedragen niet kunnen betalen. Bij brieven van 26 november 2020 heeft de rechtbank deze verzoeken afgewezen, omdat appellanten op basis van hun inkomen niet voor vrijstelling van griffierechten in aanmerking komen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten
niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellanten de verschuldigde griffierechten niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben voldaan en daarvoor geen geldige reden hebben gegeven.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 8:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven.
4.2.
Uit artikel 8:41, vierde tot en met zesde lid, van de Awb volgt dat de griffier de indiener van het beroepschrift mededeelt welk griffierecht verschuldigd is. Daarbij wijst de griffier de indiener erop dat het griffierecht binnen vier weken na verzending van zijn mededeling moet zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie moet zijn gestort. Als het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.3.
Appellanten hebben aangevoerd dat de rechtbank, in strijd met de wet en de regelgeving, de zaak niet inhoudelijk heeft behandeld, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
4.3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft eerst de vraag beantwoord of appellanten in hun beroepen konden worden ontvangen. De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord, omdat appellanten de verschuldigde griffierechten niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben voldaan en daarvoor geen geldige reden hebben gegeven. Als gevolg van de niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen is de rechtbank niet toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van de zaken, te weten de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen de afwijzing van de aanvragen van appellanten om bijzondere bijstand. De rechtbank heeft daarmee niet onrechtmatig gehandeld.
4.4.
Appellanten hebben ter zitting aangevoerd dat zij digitaal zouden deelnemen aan de zitting van de rechtbank op 23 februari 2021 en dat zij per abuis een verkeerde link hebben gebruikt, waardoor zij niet aan de zitting hebben kunnen deelnemen. Hierdoor heeft de rechtbank op de beroepen beslist zonder de gronden en argumenten van appellanten te hebben gehoord.
4.4.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de zittingsaantekeningen van de rechtbank volgt dat de rechtbank, na te hebben vastgesteld dat appellanten niet hebben ingelogd, de beroepen ter zitting heeft behandeld en vervolgens het onderzoek heeft gesloten. Dat appellanten als gevolg van het niet of niet op juiste wijze inloggen hun eerdere schriftelijke gronden en argumenten niet nader hebben kunnen toelichten, is onvoldoende om de aangevallen uitspraak te vernietigen.
4.5.
Appellanten hebben verder aangevoerd dat de rechtbank in strijd met hun grondrechten heeft gehandeld door voor de beoordeling van hun verzoeken om vrijstelling van de betaling van het griffierecht uit te gaan van de inkomensgrens van 95% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Appellanten stellen dat in hun situatie voor elk van hen moet worden uitgegaan van een inkomen dat is gebaseerd op de helft van de gehuwdennorm. Zij achten de uitspraak van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282, in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.5.1.
Deze beroepsgrond slaagt evenmin. In de in 4.5 genoemde uitspraak van de Raad (grote kamer) van 13 februari 2015 is het volgende overwogen:
“3.2. Met de heffing van het griffierecht in bestuursrechtelijke zaken heeft de wetgever onder meer beoogd dat rechtzoekenden aan de hand van de daaraan verbonden kosten een zorgvuldige afweging maken of het zin heeft een zaak aan de bestuursrechter voor te leggen (Kamerstukken II, 1984/85, 18 835, nr. 3, blz. 6, en Kamerstukken II, 1991/92, 22 495,
nr. 3, blz. 125). Daarbij is de wetgever ervan uitgegaan dat heffing van griffierecht niet tot gevolg mag hebben dat aan bepaalde groepen rechtzoekenden in feite de toegang tot de bestuursrechter wordt ontnomen (Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 125). Hieruit moet worden afgeleid dat de wetgever, ook bij het vaststellen van de hoogte van het bedrag aan griffierecht, is uitgegaan van gevallen waarin de betrokkenen over de financiële middelen beschikken om het verschuldigde griffierecht te betalen, en dus in staat zijn de daaruit voortvloeiende last af te wegen tegen het nut van het voeren van een gerechtelijke procedure.
3.3.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht, inclusief de thans daarbij behorende bedragen aan griffierecht, van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen.
3.4.
Dit laat echter onverlet dat zich gevallen kunnen voordoen waarin heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde rechtsgang. In een dergelijk geval kan de in 3.2 bedoelde, door de wetgever beoogde, afweging naar haar aard niet plaatsvinden. Mede gelet op het belang dat in een rechtsstaat toekomt aan de toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, welk belang mede ten grondslag ligt aan artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, kan daarom in een dergelijk geval (ook buiten de werkingssfeer van de genoemde artikelen) niet worden aanvaard dat een (hoger) beroep wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2023.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) B. Beerens