Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-28
ECLI:NL:RBAMS:2025:7065
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,202 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5234
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R. Zwiers),
en
de minister van Financiën (voorheen de Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om een schuld aan [benadeelde] af te betalen.
1.1.
Het verzoek tot het overnemen van schulden is met een besluit van 20 maart 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2025 op zitting behandeld. Eiseres en de gemachtigden van partijen waren aanwezig.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft een schuldenlijst gestuurd aan de Sociale Banken Nederland (SBN) en verzocht om deze schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) over te nemen. Met het primaire besluit heeft de SBN namens verweerder bepaald dat de schulden niet voor eiseres worden afbetaald. De SBN heeft daarbij verwezen naar cijfercodes. Een schuld aan Flevo Finance & Consultancy wordt (nog) niet afbetaald, omdat de schuldeiser nog niet volledig heeft gereageerd (code 11). De andere schulden, waaronder die aan [benadeelde] , worden niet afbetaald omdat het gaat om onderhandse leningen of privéschulden zonder notariële akte of gerechtelijk vonnis (code 5).
3. Eiseres heeft bezwaar ingesteld. In de bezwaarfase heeft eiseres een op 27 december 2023 verleden notariële akte overgelegd waarin is vermeld dat eiseres tussen 11 juni 2015 en 24 februari 2021 € 14.722 heeft geleend van [benadeelde] en dat dit bedrag op 25 mei 2021 moest zijn afgelost. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres met het bestreden besluit ongegrond verklaard en het standpunt dat de schulden niet kunnen worden overgenomen, gehandhaafd. Verweerder heeft toegelicht dat de overgelegde notariële schuldbekentenis dateert van na 1 juni 2021 en dus niet voldoet aan het wettelijke vereiste dat de notariële akte tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 moet zijn verleden. Voor de andere schulden is geen notariële akte ingebracht. Verweerder heeft verder nog aangevoerd dat niet is gebleken dat er opeisbare achterstanden zijn op deze schulden, omdat niet is gebleken dat eiseres betalingsachterstanden had, of dat zij schriftelijk in gebreke is gesteld.
Beoordeling
4. Het beroep van eiseres richt zich alleen tegen het niet overnemen van de schuld aan [benadeelde] . De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft geweigerd om deze schuld van eiseres over te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
5. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Op grond van de Wht komen gedupeerden in aanmerking voor overname van hun private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. De vereisten voor het overnemen van een schuld staan onder meer in artikel 4.1 van de Wht. In artikel 4.1, derde lid, van de Wht staat dat de schuld moet zijn vastgelegd in een rechterlijke uitspraak of notariële akte die is verleden tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021.
7. Niet in geschil is dat de lening niet is opgenomen in een notariële akte van vóór 1 juni 2021. Eiseres vindt dat de eis van de notariële akte te formeel is en elke menselijke maat mist. Zij heeft met een uitdraai van haar bankafschriften aangetoond dat zij het genoemde totaalbedrag tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 van [benadeelde] heeft ontvangen. Eiseres beroept zich op schending van het evenredigheidsbeginsel. Er is sprake van bijzondere omstandigheden vanwege de financiële nood van eiseres door de onterechte terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag. Zij vindt dat niet van haar kan worden verwacht dat zij indertijd een notariële akte zou laten opmaken van de lening. De wijze van totstandkoming van de lening en de feitelijke uitwerking daarvan verschillen volgens eiseres niet of nauwelijks van de situatie waarin een lening middels een notariële akte tot stand is gekomen.
8. De rechtbank stelt vast dat uit de bankafschriften die eiseres heeft overgelegd kan worden afgeleid dat [benadeelde] vanaf 2015 geregeld geld aan eiseres heeft overgemaakt. Bij een aantal van de overboekingen is vermeld dat sprake is van een lening, maar niet bij alle. Eiseres heeft meegedeeld dat zij sinds januari 2023 maandelijks een bedrag van € 250 terugbetaalt aan [benadeelde] . Ook dit volgt uit de bankafschriften. Op de zitting heeft eiseres verklaard dat zij indertijd financiële problemen had, dat haar neef [benadeelde] professioneel voetballer is en als familielid voor haar klaarstond. Zij hebben toen geen concrete afspraken gemaakt over de lening, anders dan dat het geld in mei 2021 moest worden terugbetaald en dat geen sprake was van een gift. Eiseres heeft ook gezegd dat zij vindt dat zij het geld moet terugbetalen.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel
9. De Wht is een wet in formele zin. Het zogenoemde toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet staat eraan in de weg dat de rechter een wettelijke bepaling toetst aan algemene rechtsbeginselen. De rechtbank kan dan alleen oordelen dat de toepassing van een wettelijk vereiste in een individueel geval achterwege moet blijven, als er sprake is van bijzondere omstandigheden die de wetgever bij de totstandbrenging van de wettelijke bepaling niet of niet ten volle heeft verdisconteerd in zijn afweging. Dat is het geval als die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
10. Uit de parlementaire geschiedenis bij de Wht volgt dat bij de totstandkoming van de Wht is onderzocht of er een andere invulling gegeven kon worden aan de eis van een notariële akte. Zo heeft het gewijzigd amendement van de leden Omtzigt en Leijten geleid tot het uitvoeren van een uitvoeringstoets door SBN. SBN is na die uitvoeringstoets tot de conclusie gekomen dat het amendement niet uitvoerbaar is vanwege het feit dat informele leningen moeilijk zijn te verifiëren, waarna de staatssecretaris van Financiën het aannemen van het amendement heeft ontraden.Bij de behandeling in de Eerste Kamer is vervolgens een motie ingediend waarin de regering is verzocht om met een regeling te komen waarbij het mogelijk wordt om ook op een andere manier dan een notariële akte bewijs te leveren van de door de ouders aangegane formele leningen. Naar aanleiding van deze motie heeft SBN op 13 januari 2023 een nadere analyse opgesteld. In deze analyse is geconcludeerd dat de bewijslast voor het vaststellen van achterstanden zeer ingewikkeld blijft, dat daar een zeer complex en intensief proces van beoordeling door SBN voor nodig zou zijn en dat een verruiming van de bewijslast zou leiden tot verwachtingen die niet kunnen worden waargemaakt. De staatssecretaris heeft bij brief van 18 maart 2024 vragen beantwoord naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2024. In die brief wordt het dilemma van het vaststellen van de lening en de opeisbare achterstanden op eenduidige, objectieve en uitvoerbare wijze aangehaald. Er wordt verwezen naar voornoemde onderzoeken, waaruit blijkt dat er geen uitvoerbaar alternatief is.
11. De bij de parlementaire behandeling geuite bezwaren hebben niet geleid tot een wijziging van de in de Wht neergelegde eis van een notariële akte. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het kennelijk de uitdrukkelijke wens van de wetgever is geweest om deze eis in de Wht op te nemen. Er is op het punt van de eis van de notariële akte dan ook geen sprake van een omstandigheid die niet of niet ten volle is verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ook geoordeeld in de uitspraken van 15 mei 2024.
12. Dit betekent dat het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slaagt.
Hardheidsclausule
13. Voor zover eiseres heeft bedoeld om een beroep te doen op de in artikel 9.1 van de Wht opgenomen hardheidsclausule, geldt het volgende. Op grond van de hardheidsclausule kan van artikel 4.1 van de Wht worden afgeweken. De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van een bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Ook moet het gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat eiseres in een schrijnende situatie verkeert. Eiseres heeft ook niet concreet gesteld dat bij haar sprake is van schrijnende omstandigheden. Dat eiseres in het verleden in financiële nood verkeerde, geen geld had om de lening in een notariële akte te laten vastleggen en dat zij ook nu nog, zoals zij op de zitting heeft verklaard, problemen heeft met schulden en daarom haar post niet durft open te maken, is onvoldoende concreet om schrijnende omstandigheden aan te nemen die maken dat verweerder van het vereiste van de notariële akte moet afwijken. Wat eiseres heeft aangevoerd maakt ook niet dat het vasthouden aan de eis van de notariële akte gelet op de ratio van die eis, onbillijk uitpakt. De rechtbank is het niet eens met eiseres dat haar situatie lijkt op die waarbij de lening vóór 1 juni 2021 is vastgelegd in een notariële akte. Eiseres heeft toegelicht dat zij en haar neef aanvankelijk geen afspraken hebben gemaakt over de terugbetaling van de lening terwijl doel en strekking van een notariële akte doorgaans is om juist dat soort afspraken vast te leggen. De notariële schuldbekentenis die eiseres en haar neef later hebben laten opstellen dateert van eind 2023 en is daarmee opgesteld ruim na de in artikel 4.1, derde lid, van de Wht genoemde referteperiode die op 1 juni 2021 eindigde.
Conclusie
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug en zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Koning, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2023:772.
Kamerstukken II, 2022-2023, 36 151, nr 23.
Brief staatssecretaris 3 oktober 2022, Kamerstukken II, 2022-2023, 36151, nr. 30, blz. 1.
Kamerstukken II, 2022-2023, 36 151 L.
Bijlage bij de voortgangsrapportage hersteloperatie toeslagen 4e kwartaal 2022.
ECLI:NL:RBAMS:2024:494.
ECLI:NL:RVS:2024:2040 en ECLI:NL:RVS:2024:2045.
ECLI:NL:RVS:2025:1004.