Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-22
ECLI:NL:RBAMS:2025:5808
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,183 tokens
Inleiding
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/760039 / HA RK 24-419
Beschikking van 22 mei 2025
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonende te Tsjechische Republiek,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. T. Meevis,
tegen
ERG ASSET MANAGEMENT B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: EAM
advocaat: mr. J.W. Boddaert.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [verzoeker] 21 november 2024 met bijlagen 1 tot en met 13,
- de aanvullende bijlage 14 van [verzoeker] ,
- de aanvullende bijlagen 15 van [verzoeker] ,
- de beschikking van 16 januari 2025 waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- de exceptie van onbevoegdheid en incidenteel verzoek tot aanwezigheid van een zwaarwegend bezwaar van EAM met bijlage 1 en 2,
- het e-mailbericht van EAM waarin wordt verzocht om het incident eerst en afzonderlijk te behandelen,
- het e-mailbericht van [verzoeker] met reactie daarop,
- het e-mailbericht van de rechtbank van 12 februari 2025 aan partijen waarin het verzoek van EAM wordt afgewezen,
- het verweerschrift van EAM met bijlagen 1 tot en met 15,
- het incidenteel bevoegdheidsverweer en reactie op stellingen van verweerster van [verzoeker] met bijlage 15 tot en met 17,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 april 2025 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
ERG Recycling LLP (hierna: ERG) is een Kazachse onderneming die zich bezig houdt met recycling en verkoop van industrieel afval. ERG is onderdeel van Eurasian Resources Group, een in Kazachstan opgerichte groep van vennootschappen.
2.2.
Op 12 september 2019 is [verzoeker] aangesteld als directeur van ERG. Op 6 februari 2024 is [verzoeker] ontslagen. Op dat moment hield EAM, verweerster in deze zaak, 99% van de aandelen in (het geplaatste kapitaal van) ERG.
2.3.
TNC Kazchrome JSC (hierna: TNC) is verbonden met Eurasian Resources Group.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank om op grond van artikel 186 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) een voorlopig getuigenverhoor te bevelen en legt aan dit verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag. EAM heeft, als aandeelhouder van zijn voormalig werkgever ERG, actief meegewerkt aan het ontslag van [verzoeker] om zo een grootschalige milieufraude te verdoezelen. Zonder statutaire bevoegdheid heeft EAM het ontslag geïnitieerd en op onrechtmatige wijze beslissende invloed uitgeoefend. Het ontslag vond namelijk plaats binnen een week nadat [verzoeker] schriftelijke bezwaar had gemaakt tegen milieuvervuiling door hexavalent chroom in fabrieken van TNC in Kazachstan. Het ontslag heeft [verzoeker] reputatieschade toegebracht. Daarnaast heeft [verzoeker] schade aan zijn gezondheid opgelopen door een hexavalent chroomvergiftiging, wat heeft geleid tot financiële schade. Het getuigenverhoor kan bijdragen aan de beantwoording van de vraag of EAM onrechtmatig handelt of heeft gehandeld jegens [verzoeker] door in te stemmen met zijn ontslag en daardoor aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden, aldus steeds [verzoeker] .
3.2.
[verzoeker] wil, samengevat, de volgende feiten bewijzen:
of EAM invloed heeft op de activiteiten van ERG die gerelateerd zijn aan de vervuiling met hexavalent chroom en het niet kenbaar maken van de vervuiling in ESG rapporten;
dat de beslissing van EAM om [verzoeker] te ontslaan bedoeld was om feiten met betrekking tot de door de vennootschappen veroorzaakte milieuschade te verdoezelen;
dat EAM onrechtmatig heeft gehandeld en ook ernstig verwijtbaar heeft nagelaten of niet heeft voldaan aan de verplichtingen van EAM om maatschappelijk verantwoord te ondernemen;
dat ERG bodem, lucht en water vervuilt met hexavalent chroom en daarmee veel van haar indirecte werknemers blootstelt aan gevaarlijke gezondheidsrisico’s;
dat EAM heeft nagelaten de belangrijkste stakeholders van de groep vennootschappen correct en/of volledig te informeren over haar onrechtmatig handelen en haar ernstig verwijtbaar tekortschieten in de nakoming van haar verplichtingen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen;
dat de gezondheidsschade die hij heeft opgelopen door het drinken van een glas water geen toeval was, maar een natuurlijk gevolg van het schadelijk handelen van TNC en met medeweten van EAM;
dat oneerlijke tactieken die door EAM en haar gelieerde ondernemingen zijn gebruikt om zijn professionele integriteit te ondermijnen, hem bloot te stellen aan misbruik en hem reputatieschade toe te brengen.
3.3.
[verzoeker] wil daartoe 27 getuigen horen, waaronder personen die werkzaam zijn bij bedrijven die ook onderdeel zijn van de Eurasian Resources Group, zoals ERG S.á r.l, ERG Kazachstan en TCN en Kazachse ministers en senatoren, Kazachse journalisten, bestuurders van stakeholders van de Eurasian Resources Group en personen die werkzaam zijn bij internationale organisaties die zich bezig houden met ontwikkelingen op het gebied van chroom en milieu.
3.4.
EAM voert primair aan dat de rechtbank niet bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Subsidiair concludeert EAM tot verwijzing van het verzoek naar de kantonrechter op grond van artikel 71 lid 2 Rv. Meer subsidiair concludeert EAM tot afwijzing omdat het verzoek niet voldoet aan de vereisten van artikel 187 lid 3 Rv, althans omdat [verzoeker] daarbij geen belang heeft en misbruik van recht maakt. Het verzoek kwalificeert als een fishing expedition. Volgens EAM bevat het verzoekschrift geen duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het verzoek berust. De feiten die [verzoeker] stelt te willen bewijzen hebben niets te maken met handelen van EAM. [verzoeker] werkte niet voor EAM. Hij is naar Kazachs recht rechtmatig ontslagen door de Kazachse vennootschap ERG. Niet valt in te zien hoe instemming van de aandeelhouders met dat ontslag dan onrechtmatig zou zijn. [verzoeker] laat na te onderbouwen waaruit de veronderstelde onrechtmatigheid van zijn ontslag blijkt en de schade die zou bestaan. De getuigen worden uitsluitend verzocht te verklaren over de beweerdelijke milieuschendingen van Eurasian Resources Group en niet over het ontslag van [verzoeker] . De personen die wel bij het ontslagbesluit betrokken waren, worden juist niet door [verzoeker] opgeroepen als getuige. De feiten die [verzoeker] wil bewijzen zijn niet toegespitst op EAM. [verzoeker] misbruikt EAM dan ook om een voorlopig getuigenverhoor te houden en laat na te onderbouwen wat de connectie is tussen EAM, de Nederlandse jurisdictie en de door hem voorgenomen vorderingen. [verzoeker] wil graven in het volledige beleid van Eurasian Resources Group om te bezien of hij daarin wellicht een haakje kan vinden voor de door hem of een derde beoogde procedure, terwijl hij slechts belang heeft bij de informatie die betrekking heeft op zijn ontslag. Niet wordt toegelicht welke EU-rechten of Kazachse norm zou zijn geschonden, in het kader van het beroep op de klokkenluidersregeling, aldus steeds EAM.
3.5.
Op stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
Beoordeling
Rechtsmacht
4.1.
De rechtbank moet (ook) ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van [verzoeker] , omdat dit een internationale zaak is. De rechtbank beoordeelt haar bevoegdheid aan de hand van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I-bis) nu er sprake is van een rechtsverhouding met internationale aspecten, het verzoekschrift aanhangig is gemaakt na 10 januari 2015 en de zaak binnen het materieel toepassingsgebied van deze verordening valt. Voor dit laatste is bepalend dat een eventuele zaak met EAM als toekomstige gedaagde een burgerlijke- of handelszaak zou betreffen. Dit brengt mee dat Brussel I-bis ook materieel van toepassing is op dit verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor.
4.2.
De rechtbank heeft op grond van de hoofdregel artikel 4 lid 1 Brussel I-bis rechtsmacht om kennis te nemen van het verzoek van [verzoeker] dat zich richt tegen EAM, omdat EAM is gevestigd in Amsterdam.
Absolute bevoegdheid
4.3.
Op grond van artikel 187 lid 1 Rv moet het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor worden gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak - indien die aanhangig wordt gemaakt - kennis te nemen of aan de rechter tot wiens absolute bevoegdheid de zaak hoort.
4.4.
EAM concludeert subsidiair tot verwijzing van het verzoek naar de kantonrechter op grond van artikel 71 lid 2 Rv omdat, samengevat, [verzoeker] bij uitsluiting het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst als grondslag aanvoert voor een bodemprocedure waarvoor hij getuigen wilt horen. Op grond van artikel 93 Rv behoren arbeidszaken tot de absolute competentie van de kantonrechter. [verzoeker] betwist dat er sprake is van een arbeidsrechtelijk geschil. [verzoeker] meent dat EAM, als aandeelhouder van zijn voormalig werkgever, actief heeft meegewerkt aan zijn ontslag met als doel het verdoezelen van grootschalige milieufraude. In dat kader is er sprake van een civielrechtelijke vordering uit onrechtmatige daad, die niet onder de bevoegdheid van de kantonrechter valt. Zijn vordering heeft nadrukkelijk geen betrekking op het arbeidsrechtelijk geschil met de Kazachse entiteit, maar richt zich op het handelen van de Nederlandse vennootschap, aldus [verzoeker] .
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor niet moet worden verwezen naar de kantonrechter omdat het onderwerp van het geschil – indien de zaak aanhangig wordt gemaakt – een vordering uit onrechtmatige daad betreft die niet is gegrond op de (voormalige) arbeidsrechtelijke verhouding tussen [verzoeker] en ERG. Daarom is niet de kantonrechter, maar de rechtbank bevoegd om het verzoek te behandelen en te beslissen.
Toetsingskader bij de beoordeling van het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor
4.6.
Het wettelijk uitgangspunt staat in artikel 186 Rv en dat is dat in gevallen waarin getuigenbewijs is toegelaten een voorlopig getuigenverhoor wordt bevolen als een belanghebbende daarom verzoekt. Dan moet wel aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan. Die voorwaarden staan in artikel 187 lid 3 Rv en hebben te maken met de inhoud van het verzoekschrift en met het doel van het voorlopig getuigenverhoor. In het verzoekschrift moet de verzoeker duidelijk vermelden waar de zaak globaal om gaat, wat hij vordert of wil vorderen, welke feiten hij wil bewijzen en wie de getuigen zijn. Vooral wat hij wil bewijzen moet voldoende duidelijk zijn voor de betrokken rechter(s) en de wederpartij. Ook moet duidelijk genoeg zijn wat de getuigen daarover kunnen verklaren. Heel gedetailleerd hoeft de verzoeker niet te zijn, omdat een voorlopig getuigenverhoor nu juist dient om onduidelijkheden op te helderen en om degene die om zo’n verhoor verzoekt in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen (HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1105 en 1112).
4.7.
Als aan de formele eisen van het verzoekschrift is voldaan, kan de rechter het verzoek toch afwijzen. Dat kan als de verzoeker misbruik maakt van de bevoegdheid om een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken (artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). Daarvan kan sprake zijn als het belang van de verzoeker veel minder zwaarwegend is dan het belang van de wederpartij bij het niet houden van een voorlopig getuigenverhoor. Ook kan het verzoek in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde, bijvoorbeeld omdat het verzoek wordt gedaan op een moment dat het houden van een voorlopig getuigenverhoor een lopende procedure te veel doorkruist. De rechter kan ook oordelen dat er een andere, zwaarwegende reden is om het verzoek toch af te wijzen. Daarnaast kan van de bevoegdheid om een voorlopig getuigenverhoor te vragen geen gebruik worden gemaakt, als de verzoeker onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het verzoek (artikel 3:303 BW) (HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1105 en 1112).
Er is sprake van een ongeoorloofde fishing expedition
4.8.
De rechtbank wijst het verzoek af, omdat het neerkomt op een ongeoorloofde fishing expedition en [verzoeker] daarom misbruik van recht maakt.
4.9.
Uit de te bewijzen feiten (zie hierboven in 3.2) blijkt dat het [verzoeker] niet zozeer te doen is om informatie te vergaren over de beweegredenen van EAM bij het door haar genomen aandeelhoudersbesluit strekkende tot ontslag van [verzoeker] bij ERG, maar met name om informatie te verkrijgen over het door (andere entiteiten van de) Eurasian Resources Group gehanteerde milieu- en informatiebeleid. De te bewijzen feiten zien, met uitzondering van de besluitvorming die van EAM is uitgegaan, geen van alle op handelen van EAM jegens [verzoeker] . Het gaat om feiten en gebeurtenissen die zich in Kazachstan zouden hebben afgespeeld en om handelen en nalaten van Kazachse groepsmaatschappijen. Dat en, zo ja, waarom dat tot onrechtmatig handelen van EAM zou kunnen kwalificeren is door [verzoeker] onvoldoende toegelicht. De enkele stelling dat “alles in Nederland werd bepaald”, wat door EAM is betwist, is daartoe niet voldoende. Dat het [verzoeker] ook niet om EAM te doen is, wordt versterkt door het feit dat van de 27 verzochte getuigen slechts één betrokkenheid bij EAM heeft (gehad). Ten aanzien van het enige te bewijzen feit dat wel direct betrekking heeft op handelen door EAM, namelijk de beweegredenen van EAM bij haar besluitvorming, valt bovendien niet in te zien hoe de opgeroepen getuigen daarover iets zouden kunnen verklaren. Dit spreekt - zonder nadere toelichting die ontbreekt - voor zich ten aanzien van de getuigen die geen betrokkenheid hebben gehad bij EAM. Ten aanzien van de enige verzochte getuige die wél een relatie met EAM heeft - de heer [naam] (hierna: [naam] ) – geldt dat [verzoeker] onvoldoende heeft toegelicht dat hij enige betrokkenheid heeft gehad bij de besluitvorming die het ontslag van [verzoeker] tot gevolg heeft gehad. Hierbij is relevant dat EAM onbetwist heeft aangevoerd dat [naam] tot januari 2024 CEO was en dat uit het dossier blijkt dat het ontslagbesluit nadien is genomen, namelijk op 6 februari 2024. Dat [naam] desalniettemin enige betrokkenheid heeft gehad bij deze besluitvorming is door [verzoeker] niet gesteld en is ook overigens niet gebleken. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat slechts sprake is van een zoektocht naar mogelijk aan de Eurasian Resources Group te maken verwijten dat vanwege de mogelijkheid tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wordt opgehangen aan EAM.
Dictum
De rechtbank
5.1.
wijst het verzochte af.
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 2.120,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend.
5.3.
verklaart de veroordelingen onder rov. 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.M. Visser, bijgestaan door mr. L.M. Garritsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025.