Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-14
ECLI:NL:RBAMS:2025:576
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,682 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-264155-24
Datum uitspraak: 14 januari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 20 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 juli 2024 door the Regional Court in Gliwice, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 17 oktober 2024
De behandeling van het EAB heeft eerst plaatsgevonden op de zitting van 17 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering op zitting met 30 dagen verlengd.
Verder heeft de rechtbank de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak 31 oktober 2024
Onder verwijzing naar haar tussenuitspraken in soortgelijke zaken van 5 juni 2024 en 6 juni 2024 heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 31 oktober 2024 geconcludeerd dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terecht komen. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en direct geschorst. De officier van justitie is verzocht om de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag te laten beantwoorden of, indachtig de omstandigheden op grond waarvan een algemeen gevaar voor het remand regime is aangenomen, dit gevaar – al dan niet met een individuele detentiegarantie – voor de opgeëiste persoon kan worden weggenomen. Voor zover de uitvaardigende justitiële autoriteit meent dat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon binnen het remand regime kan worden weggenomen, heeft de rechtbank verzocht om antwoord op vijf vragen over de detentieomstandigheden in het Huis van Bewaring, waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en
derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW verlengd
met 30 dagen. Ook heeft de rechtbank de geschorste gevangenhouding van de opgeëiste persoon op grond van artikel 27, derde lid, OLW verlengd met 30 dagen.
Zitting 27 november 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 27 november 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering op zitting met 30 dagen verlengd (artikel 22, vijfde lid, OLW), onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding (artikel 27, derde lid, OLW).
Tussenuitspraak 11 december 2024
Bij tussenuitspraak van 11 december 2024 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en vastgesteld dat voor de opgeëiste persoon sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten, nu het eerder vastgestelde algemene gevaar ten aanzien van de opgeëiste persoon niet is weggenomen. Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW is de beslissing over de overlevering aangehouden omdat er een mogelijkheid bestond dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog kan worden uitgesloten. De rechtbank heeft hier op basis van artikel 11, vierde lid, OLW een redelijke termijn van maximaal 30 dagen aan verbonden en geoordeeld dat als binnen deze termijn zich geen gewijzigde omstandigheden voordoen, geen gevolg zal worden gegeven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.
Ook heeft de rechtbank op basis van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen verlengd met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 14 januari 2025
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – voortgezet op de zitting van 14 januari 2025, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak
De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 31 oktober 2024 reeds is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen kan als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5 van de tussenuitspraak van 31 oktober 2024 en punt 4 van de tussenuitspraak van 11 december 2024.
De Poolse autoriteiten hebben op 27 november 2024, door de rechtbank op 9 januari 2025 - en derhalve na de tussenuitspraak van 11 december 2024 - ontvangen, voor zover relevant, het volgende meegedeeld:
“The Remand Prison in Gliwice is a closed-type penitentiary unit intended for temporarily detained persons.
(…)
Pursuant to Article 110 § 2 of the Penal Enforcement Code, an area in the accommodation
cell in the Remand Prison in Gliwice provided to a provisionally detained person placed in that Unit will be 3 m2 minimum. The living area does not include the window and radiator recesses, as well as the area outside the internal bars and the separate sanitary corners. The cell is furnished with appropriate accommodation equipment, providing the convict with a separate sleeping place. The cell will ensure adequate hygienic conditions, sufficient air supply and temperature and lighting appropriate to the season, according to the standards set for living quarters.
The provisionally detained person will have the opportunity to participate in activities organised by the Unit's administration. The cultural and educational activities aim to shape civic and patriotic attitudes. They are realised on the basis of a weekly plan (drawn up by the cultural and educational officer) and a schedule showing when such activities can be participated. Participation in these activities is voluntary, and detainees make their own decisions in this respect.
Beoordeling
Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat voornoemde aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten niet heeft geleid tot een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW. Ten aanzien van de opgeëiste persoon is gegarandeerd dat hij over een persoonlijke celruimte van ten minste 3 m2 zal beschikken. Hoewel verder een opsomming van activiteiten wordt gegeven waaraan gedetineerden kunnen deelnemen is de concrete vraag hoeveel uren per dag de opgeëiste persoon – in de situatie waarin hij zal deelnemen aan alle activiteiten in het Huis van Bewaring – daadwerkelijk buiten zijn cel zal verblijven niet beantwoord.
Nu op grond van de verstrekte informatie enkel kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon in ieder geval iedere dag één uur mag lopen en verder geen concrete garanties ten behoeve van de opgeëiste persoon zijn gegeven over hoeveel tijd hij daarnaast dagelijks buiten zijn cel kan verblijven, is de rechtbank van oordeel dat het eerder aangenomen algemene gevaar in de concrete situatie van de opgeëiste persoon niet is weggenomen.
De rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, in samenhang met artikel 28, derde lid OLW, en zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Conclusie
De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 7, 11 OLW.
Dictum
GEEFT met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg aan het EAB;
VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB;
HEFT OP de - geschorste - gevangenhouding.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en M.J.D. Hartman, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 januari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2024:8026
Rechtbank Amsterdam, 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.
Rechtbank Amsterdam, 6 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3365.
ECLI:NL:RBAMS:2024:7708.