Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-15
ECLI:NL:RBAMS:2025:5010
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,173 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/3615
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juli 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. C.R. Jansen),
en
de burgemeester van Amsterdam, verweerder
(gemachtigden: mr. E.H. Hasnai en mr. F. Arents).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van het pand waarin [bedrijf 1] is gevestigd voor de duur van zes maanden. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2.1.
Met het bestreden besluit van 10 juni 2025 heeft verweerder bevolen tot onmiddellijke sluiting van het pand waarin [bedrijf 1] is gevestigd voor de duur van zes maanden. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster heeft op 16 juni 2025 bij verweerder een verzoek om vervroegde heropening van het pand ingediend.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [de persoon 1] en [de persoon 2] namens verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Totstandkoming van het besluit
3.1.
[bedrijf 1] , is gevestigd op het adres [adres] in Amsterdam (het pand). Op 2 juni 2025 heeft de politie een bestuurlijke rapportage verstuurd aan verweerder. Hieruit volgt dat er op 2 en 6 juni 2025 explosies hebben plaatsgevonden bij het pand. Hierbij zijn restanten van Cobra’s aangetroffen. Op 9 juni 2025 heeft de politie een aanvullende bestuurlijke rapportage verstuurd aan verweerder. Uit deze rapportage volgt dat, naar aanleiding van de twee explosies, op 7 juni 2025 gemeentelijk cameratoezicht is ingesteld voor de duur van één maand en dat op 9 juni 2025 weer een explosie heeft plaatsgevonden bij het pand. Uit de bestuurlijke rapportages volgt verder dat [bedrijf 1] twee bestuurders heeft. Die bestuurders zijn twee Holding B.V.'s. De enig aandeelhouders zijn [de persoon 1] en [de persoon 2] (vader en zoon). Geen van beiden hebben politieantecedenten. In het politieonderzoek is nog niet bevestigde informatie naar voren gekomen dat [bedrijf 1] in onmin leeft met naastgelegen [bedrijf 2] . Een medewerker van [bedrijf 1] zou op de avond van de eerste explosie ruzie hebben gehad met de eigenaar van [bedrijf 2] . Op 8 april 2025 deed één van de eigenaren van [bedrijf 1] melding van bedreiging door de bedrijfsleider van naastgelegen bedrijf [bedrijf 3] . De medewerkers van [bedrijf 1] zouden een conflict hebben met de medewerker/eigenaar van [bedrijf 3] . Op 17 mei 2025 heeft één van de eigenaren van [bedrijf 1] aangifte gedaan van vernieling. Daarnaast heeft één van hen in september 2024 melding gedaan van bedreiging en in december 2024 aangifte gedaan van brandstichting.
3.2.
Met het besluit van 10 juni 2025 heeft verweerder bepaald dat het pand onmiddellijk gesloten wordt voor de duur van zes maanden. Het doel van de sluiting is om een einde te maken aan de met de openbare orde strijdige situatie en de verstoring van de openbare orde onmiddellijk en duurzaam te herstellen. De aanleiding hiervoor is een reeks aan incidenten.
Standpunt verzoekster
4. Verzoekster is van mening dat verweerder in alle redelijkheid niet de sluiting van het pand had kunnen bevelen. Verweerder heeft niet onderbouwd waaruit blijkt dat het pand daadwerkelijk het doelwit was van de betreffende incidenten. Bovendien zou, ook als wel zou komen vast te staan dat de incidenten waren gericht tegen dit pand, dat enkele feit in dit geval, vanwege de feitelijke situatie, niet voldoende kunnen zijn om ook tot sluiting van het pand te komen. Uit het onderzoek is niet naar voren gekomen dat de eigenaren van [bedrijf 1] betrokken zijn bij criminele activiteiten. Verder is er geen sprake van een overlastverleden van de onderneming. Daar komt bij dat de eigenaren zelf maatregelen hebben getroffen en er van die zijde geen sprake is van verwijtbaar handelen. Volgens verzoekster wordt het doel – het voorkomen van gevaar voor de openbare orde – met de sluiting van het pand niet bereikt. In dit geval is sluiting van het pand geen noodzakelijk en geschikt middel. Ook is de sluiting niet evenwichtig. Er gaat geen dreiging van de eigenaren uit. Ook kan de eigenaren geen verwijt worden gemaakt van de incidenten. Daarentegen zijn de gevolgen van de sluiting voor de eigenaren onevenredig in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Ook heeft verweerder niet betrokken dat de eigenaren er alles aan hebben gedaan om incidenten te voorkomen en er onvoldoende feiten of omstandigheden zijn die de vrees rechtvaardigen dat het geopend blijven van het pand ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. Verzoekster meent dan ook dat gelet op de omstandigheden van dit geval het bevel tot sluiting niet in overeenstemming is met de Beleidsregels sluitingen en heropeningen Amsterdam. Tot slot heeft verzoekster naar voren gebracht dat het pand eigendom is van [bedrijf 4] , een partij die er bewust voor kiest slechts huurders te faciliteren die aan specifieke eisen voldoen. Volgens verzoekster is er sprake van overmacht, doordat de onderneming toevallig is gevestigd tussen twee andere ondernemingen waar veel om te doen is.
Het beleid
5.1.
Verweerder heeft in de Beleidsregels sluitingen en heropeningen Amsterdam
beleid opgesteld voor de toepassing van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gegeven bevoegdheid om een pand te sluiten. Volgens dit beleid wordt een pand in beginsel gesloten voor de duur van zes maanden indien sprake is van een gevaar voor de openbare orde. Dit beleid acht de voorzieningenrechter niet onredelijk.
5.2.
Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verweerder bij het sluiten van verzoekster in strijd met haar eigen beleid heeft gehandeld. Anders dan verzoekster op de zitting heeft aangevoerd, hoeft de aanleiding van de incidenten namelijk niet duidelijk te zijn voordat verweerder overgaat tot het sluiten van een pand. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in het geval van verzoekster tot sluiting van het pand mocht overgaan voor de duur van zes maanden. Dat ten tijde van de sluiting niet bekend is hoe lang het zal duren voordat de openbare orde is hersteld en dat dit eerder dan na zes maanden het geval kan zijn, maakt het oordeel niet anders. Juist vanwege de onduidelijkheid over de aanleiding en aard van de incidenten op het moment van de sluiting en het onderzoek dat dan nog moet plaatsvinden. De betrokkenheid of verwijtbaarheid van de eigenaren en de mogelijkheden om maatregelen te treffen, zijn omstandigheden die niet relevant zijn voor de aanwending van de bevoegdheid tot sluiting omdat die pas aan de orde komen bij de beoordeling van een verzoek om heropening.
Evenredigheid
6.1.
Het bevel tot sluiting voor de duur van zes maanden is in overeenstemming met het beleid van verweerder. Dit betekent niet zonder meer dat verweerder in redelijkheid tot sluiting voor zes maanden heeft kunnen besluiten. Verweerder moet ook beoordelen of de gevolgen van een sluiting wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de sluiting.
6.2.
De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten voor het betoog van verzoekster dat er geen evenwichtige belangenafweging heeft plaatsgevonden. De sluiting van het pand is een geschikt middel om de openbare orde verstoring te beëindigen en risico op herhaling te voorkomen. Omdat de aanleiding voor het neerleggen van de Cobra’s bij het pand niet duidelijk is, is het risico op herhaling van een dergelijk incident niet uitgesloten. Bovendien is sluiting van het pand van belang voor het politieonderzoek en voor het terugkeren van de rust in de buurt. Dat verzoekster als gevolg van de sluiting financieel nadeel ondervindt, maakt, gezien de ernst van het incident, de sluiting niet onevenredig. Verweerder mag het belang van de handhaving van de openbare orde zwaarder laten wegen dan de financiële belangen van verzoekster. De sluiting van het pand acht de voorzieningenrechter daarom niet onevenredig.
Heropeningsverzoek
7.1.
Op 16 juni 2025 heeft verzoekster een verzoek om vervroegde heropening van het pand ingediend. Verweerder heeft tot op heden niet beslist op dit verzoek. Wel zijn er positieve gesprekken geweest tussen verweerder en verzoekster over het verzoek om heropening. Verzoekster heeft in de stukken en op de zitting toegelicht waarom zij niet langer kan wachten op het heropeningsverzoek. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij sinds de sluiting geen omzet genereert, terwijl de vaste lasten moeten worden doorbetaald. Verzoekster is gefrustreerd over de gang van zaken. Er is namelijk geen sprake van verwijtbaar handelen van de eigenaren van verzoekster zelf.
Conclusie
8.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe.
8.2.
De voorzieningenrechter draagt verweerder op om vóór 24 juli 2025 een besluit te nemen op het heropeningsverzoek. Voor elke dag dat de beslissing uitblijft vanaf 24 juli 2025 moet verweerder aan verzoekster een dwangsom van € 250,- per dag betalen met een maximum van € 10.000,-.
8.3.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
- draagt verweerder op om voor 24 juli 2025 een besluit bekend te maken op het heropeningsverzoek;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 10.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Besluit van de burgemeester van de gemeente Amsterdam houdende beleidsregels over de sluitingsbevoegdheid op grond van de Opiumwet, de Gemeentewet en de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, Gemeenteblad, nr. 39609, 31 januari 2023.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:83.