Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-20
ECLI:NL:RBAMS:2025:4214
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,425 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4073
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , Marokko, eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (hierna: het college)
(gemachtigde: mr. J. Carter).
Inleiding
1. In deze zaak beoordeelt de rechtbank de afwijzing van eisers verzoek om zijn gegevens in de Basisregistratie Personen (Brp) te wijzigen.
1.1.
Met het primaire besluit van 3 april 2024 heeft het college het verzoek van eiser afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 juli 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiser is zonder bericht van verhindering niet verschenen.
Beoordeling
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Op 10 januari 2023 heeft eiser een briefadres aangevraagd bij HVO Querido. Op 12 januari 2023 is aan eiser een briefadres toegekend op de [adres] te Amsterdam. Op 5 maart 2024 heeft eiser aangifte gedaan van zijn verhuizing naar [woonplaats] in Marokko.
2.2.
Eiser heeft op dezelfde dag, op 5 maart 2024, een verzoek om correctie van zijn adresgegevens ingediend. Hij verzoekt om correctie van zijn aangifte van verhuizing naar het buitenland en wenst deze datum te corrigeren naar 26 mei 2021. Eiser wil hiermee zijn inschrijving in Nederland van 12 januari 2023 tot en met 5 maart 2024 ongedaan maken.
2.3.
Het college heeft het verzoek van eiser afgewezen omdat niet is gebleken dat de aangiftes van eiser onjuist zijn of niet overeenkomen met de werkelijke situatie.
Oordeel van de rechtbank
3.1.
Eiser voert aan dat hij sinds augustus 2020 niet meer in Nederland heeft gewoond. Hij woonde al die tijd in Marokko. In december 2022 is hij teruggekeerd naar Nederland voor een vakantie en om de paspoorten van zijn vier kinderen te verlengen. Hij heeft toen een briefadres aangevraagd om bereikbaar te zijn voor de rechtbank en/of andere overheidsinstanties. Eiser ging ervanuit dat het briefadres na drie maanden automatisch verwijderd zou worden.
3.2.
Het college heeft op zitting toegelicht dat een briefadres in de meeste gevallen een tijdelijke inschrijving betreft maar dat de verwijdering van een briefadres niet automatisch gaat. De gemeente beëindigt de briefadressen slechts op verzoek van de desbetreffende persoon of instantie.
3.3.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat de gegevens in de Brp betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens uit de Brp moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Het wijzigen van eenmaal in de Brp geregistreerde gegevens kan alleen als buiten redelijke twijfel vaststaat dat de geregistreerde gegevens feitelijk onjuist zijn.
3.4.
Eiser heeft in zijn beroepschrift bevestigt dat hij in december 2022 naar Nederland is gekomen en een briefadres heeft aangevraagd om bereikbaar te zijn voor instanties. Hieruit volgt dat de inschrijving van het briefadres feitelijk juist is. Dat eiser stelt in de periode niet in Nederland te hebben gewoond, maakt de inschrijving niet onjuist. Het gaat immers om een briefadres. Vervolgens heeft eiser zijn verhuizing naar Marokko doorgegeven met verhuisdatum 5 maart 2024. Deze aangifte van zijn verhuizing heeft hij ondertekend. Het is de rechtbank niet gebleken dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat deze aangifte onjuiste gegevens bevat. Eiser heeft dit niet met objectieve gegevens onderbouwd. Omdat eiser niet heeft aangetoond dat de geregistreerde gegevens in de Brp feitelijk onjuist zijn, mocht het college het correctieverzoek afwijzen.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1300 en ECLI:NL:RVS:2022:1198.