Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2023-03-28
ECLI:NL:RBOBR:2023:1409
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,892 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 22/1467
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. P.G.M. Lodder),
en
het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo, het college
(gemachtigden: J.L.M. van den Broek en M.M.C.W. Sakko-Hopman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering om haar gegevens in de Basisregistratie Personen (brp) te wijzigen.
2. Met het bestreden besluit van 19 mei 2022 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
3. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 14 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres (via videoverbinding) en de gemachtigden van het college.
Totstandkoming van het besluit
5. Eiseres staat sinds 14 maart 1994 met haar huidige gegevens ingeschreven in de brp, maar zij stelt dat zij een valse identiteit heeft aangenomen toen zij in 1993 vanuit Algerije naar Nederland reisde. Eiseres stelt dat zij onder haar valse identiteit een Verklaring onder Ede heeft afgelegd toen haar gegevens in 2000 in de gemeentelijke basisadministratie, de voorloper van de brp, werden opgenomen. Eiseres wil nu met haar ware identiteit geregistreerd worden. Daarom heeft zij het college gevraagd om onderstaande persoonsgegevens in de brp te wijzigen:
geslachtsnaam van [naam] in [naam] ;
voornaam van [naam] in [naam] ;
geboortedatum van [geboortedatum] 1972 in [geboortedatum] 1972;
geboorteplaats van [geboorteplaats] in [geboorteplaats] .
6. Ter onderbouwing van het verzoek heeft eiseres de volgende documenten overgelegd:
samenvatting van een geboorteakte S-12;
afschrift van een gelegaliseerde geboorteakte;
afschrift van een gelegaliseerde geboorteakte van de vader van [naam] ;
gelegaliseerde verklaringen inhoudende dat de naam van eiseres niet voorkomt in het Algerijnse geboorteregister (declaration sur l’honneur 1 en 2);
rapport van een DNA-verwantschapsonderzoek van eiseres en [naam] ;
stukken uit de asielprocedure;
verblijfsvergunning, afgegeven op 25 april 2019;
Algerijns noodpaspoort, afgegeven op 17 maart 2021.
7. Het college heeft geweigerd om de persoonsgegevens van eiseres te wijzigen. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 mei 2022 is het bezwaar ongegrond verklaard. Het college vindt dat op grond van de overgelegde documenten niet onomstotelijk vaststaat dat de gegevens van eiseres in de brp onjuist en de nieuwe gegevens juist zijn en dat de nieuwe en oude gegevens over dezelfde persoon gaan.
Beoordeling
8. De rechtbank beoordeelt of het college de weigering van het verzoek terecht in stand heeft gelaten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
9. Het beroep is gegrond omdat het college bij het nemen van het bestreden besluit een verouderde toetsingsmaatstaf heeft gebruikt, waardoor sprake is van een motiveringsgebrek. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd. De rechtbank oordeelt vervolgens dat het college het verzoek van eiseres heeft mogen afwijzen op grond van de motivering in het verweerschrift en dat dus de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand blijven. Dit betekent dat het college geen nieuw besluit hoeft te nemen en het bestreden besluit dus niet verandert. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
10. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het standpunt van eiseres
11. Eiseres betoogt dat zij met haar documenten de juiste gegevens over haar identiteit heeft aangetoond en ook dat die gegevens van haar zijn. Deze documenten moeten in onderling verband en samenhang met elkaar worden beschouwd en dat zou moeten leiden tot inwilliging van het verzoek. Dat geldt temeer nu de nieuwe, minder zware, toetsingsmaatstaf uit de uitspraken van 4 mei 2022 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van toepassing is.
Het standpunt van het college
12. Het college stelt dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen, ondanks dat daarin nog is uitgegaan van het verouderde vereiste dat voor wijziging van persoonsgegevens onomstotelijk moest vaststaan dat de geregistreerde gegevens in de brp feitelijk onjuist zijn. Ook aan de nieuwe toetsingsmaatstaf uit de uitspraken van de Afdeling van 4 mei 2022 is niet voldaan. Hoewel paspoorten nu in beginsel als brondocument moeten worden aangemerkt, geldt dit niet voor het noodpaspoort van eiseres omdat een noodpaspoort niet kan worden gebruikt als identiteitsbewijs op grond van de Wet op de identificatieplicht. Aan het noodpaspoort komt daarom geen enkele bewijswaarde toe voor de daarin opgenomen identiteit. De gelegaliseerde geboorteakten zijn weliswaar door Bureau Documenten gekwalificeerd als ‘echt’, maar daarmee staat de authenticiteit ervan nog niet vast. Ook kan niet worden vastgesteld of de gegevens in die documenten wel over eiseres gaan omdat een identiteitsbewijs dat aan die geboorteakten ten grondslag ligt, ontbreekt. De overige documenten zijn aangeduid als ‘niet te beoordelen’. Het DNA-verwantschapsonderzoek komt hooguit betekenis toe als aanvullend bewijs in die gevallen waarin er al aanknopingspunten zijn voor de stelling dat een persoon is wie hij zegt te zijn en dat is in dit geval niet zo.
Wat is het toepasselijke toetsings- en beoordelingskader?
13. De rechtbank stelt voorop dat de gegevens in de brp betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van die gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Het bewijs dat eenmaal in de brp opgenomen gegevens onjuist zijn, kan alleen worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Voor de gegevens over de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, heeft de wetgever in artikel 2.8 van de Wet brp een rangorde aangebracht in de geschriften waaraan die gegevens kunnen worden ontleend.
14. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres met inachtneming van het toetsings- en beoordelingskader uit de hiervoor al vermelde uitspraken van de Afdeling van 4 mei 2022. In de periode tussen de hoorzitting in bezwaar en het bestreden besluit heeft de Afdeling de toetsingsmaatstaf voor wijzigingsverzoeken genuanceerd, in die zin dat voortaan beoordeeld moet worden of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met de daaraan ten grondslag liggende nadere bewijsmiddelen, volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Als dat het geval is, en het brondocument van een hogere orde is dan het document of de verklaring op grond waarvan de eerdere inschrijving heeft plaatsgevonden, worden de betreffende gegevens in de brp gewijzigd.
15. Dit betekent dat in zaken over een verzoek om wijziging van persoonsgegevens in de brp eerst de vraag moet worden beantwoord of de verzoeker brondocumenten heeft weten over te leggen die voldoen aan de eisen uit artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp. Pas wanneer die vraag bevestigend beantwoord kan worden, wordt toegekomen aan de vraag of het verband tussen de verzoeker en de persoon op de documenten kan worden gelegd. Bij positieve beantwoording van deze vragen zal vervolgens worden beoordeeld of aan de toetsingsmaatstaf zoals hiervoor omschreven is voldaan. Is dat het geval, dan wordt het betreffende gegeven, of worden de betreffende gegevens, in de brp gewijzigd.
16. Het college heeft voor de motivering van het bestreden besluit de inmiddels achterhaalde toetsingsmaatstaf gebruikt. In zoverre is sprake van een motiveringsgebrek. Het college heeft in het verweerschrift alsnog de nieuwe toetsingsmaatstaf op het verzoek van eiseres toegepast en dit tijdens de zitting nader toegelicht. Eiseres heeft hierop tijdens de zitting kunnen reageren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daardoor alsnog deugdelijk gemotiveerd waarom het verzoek van eiseres kon worden geweigerd. Daarom zal de rechtbank de rechtgevolgen van het bestreden besluit in stand laten. De rechtbank licht dit oordeel hieronder toe.
Zijn de geboorteakten brondocumenten en welke bewijswaarde hebben deze?
17. Eiseres heeft gelegaliseerde geboorteakten van [naam] en de vader van [naam] overgelegd. Een buiten Nederland opgemaakte akte is een brondocument als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid onder c, van de Wet brp als deze overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt en ten doel heeft tot bewijs te dienen van het feit waarover het verzoek tot opneming gaat. Het college wijst erop dat Bureau Documenten van de IND op verzoek van het college beide geboorteakten heeft onderzocht en als ‘echt’ beoordeeld, wat betekent dat het uiterlijk van het document overeenkomt met het uiterlijk van vergelijkbare documenten uit het betreffende land. Met de kwalificatie ‘echt’ worden geen uitspraken gedaan over de opmaak, afgifte of inhoudelijke juistheid van het document.
18. Het college betwist hiermee gemotiveerd dat de akten overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn opgemaakt. Volgens de aangehaalde uitspraken van de Afdeling is, bij die stand van zaken, de aanvrager aan zet om aannemelijk te maken dat de akten wel aan deze vereisten voldoen. Een aanvrager kan dit doen door legalisatie van de akte. Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat legalisatie niets zegt over afgifte van de akten volgens de plaatselijke voorschriften door bevoegde instanties, gaat het college daarmee voorbij aan de betekenis die volgens de Afdeling aan legalisatie van akten moet worden toegekend.
19. Dit betekent echter nog niet dat ook van de inhoudelijke juistheid van de geboorteakten moet worden uitgegaan en dat de daarin vermelde feiten zonder meer moeten worden verwerkt in de brp. De gegevens uit de akten mogen toch worden geweigerd voor verwerking in de brp als de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de daarin vermelde feiten. Daarvan kan sprake zijn als voorafgaand aan de afgifte van de akten kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden.
20. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat zo’n behoorlijk onderzoek kennelijk niet heeft plaatsgevonden.
Conclusie
26. Het beroep is gegrond omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat vervolgens met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat het college het motiveringsgebrek in het verweerschrift en met de toelichting tijdens de zitting heeft hersteld. Dat betekent dat aan de weigering om de persoonsgegevens van eiseres te wijzigen niets verandert.
27. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.674,– omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 19 mei 2022;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,– aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 1.674,– aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. Verborg, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.L. Verbruggen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar
op 28 maart 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet basisregistratie personen
Artikel 2.8. tweede lid
(…)
2. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan (…)
een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit (…);
een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld (…).
Artikel 2.10
(…)
1. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e (…) worden geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.
2. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d en e, worden geen gegevens ontleend, indien aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn (…).
Waaronder ECLI:NL:RVS:2022:1198, 1297 en 1300.
ECLI:NL:RVS:2017:2799.
ECLI:NL:RVS:2022:1198, overweging 8.3.
ECLI:NL:RVS:2022:1198, overweging 8.4.
Kamerstukken II, vergaderjaar 2011-2012, 33219, nummer 3, p. 127 (Memorie van Toelichting).
Artikel 1, eerste lid onder 1 Wet op de identificatieplicht gelezen in samenhang met artikel 2 Paspoortwet waaruit volgt dat een noodpaspoort is uitgezonderd.
ECLI:NL:RVS:2019:2882.