Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-19
ECLI:NL:RBAMS:2025:3859
Civiel recht; Internationaal privaatrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,958 tokens
Inleiding
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/755689 / HA ZA 24-938
Vonnis van 19 maart 2025
in de zaak van
HEINEKEN BROUWERIJEN B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Heineken,
advocaat: mr. J.C. van Nass,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
XORTA MARKETING GMBH,
te Elmshorn (Duitsland),2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
XORTA GLOBAL MANAGEMENT GMBH,
te Elmshorn (Duitsland),3. [gedaagde 3],
te [woonplaats 1] (Verenigd Koninkrijk),4. [gedaagde 4],
te [woonplaats 1] (Verenigd Koninkrijk),5. [gedaagde 5],
te [woonplaats 2] (Duitsland),
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Xorta c.s. (afzonderlijk Xorta Marketing, Xorta Global,
[gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] ),
advocaat: mr. M.E.C. Lok.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de gelijkluidende dagvaardingen van
23 februari 2024 met producties en de conclusie van antwoord van 6 november 2024 met producties.
1.2.
In de conclusie van antwoord is niet een uitdrukkelijk bevoegdheidsincident opgeworpen, maar zijn wel opmerkingen gemaakt over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter die ertoe strekken dat geen bevoegdheid kan worden aangenomen ten aanzien van de vorderingen tegen Xorta Global, [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] . Daarin heeft de rechtbank aanleiding gezien om Heineken op die opmerkingen te laten reageren. Heineken heeft dit gedaan bij ‘conclusie van antwoord in het incident’.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald. Dit vonnis ziet alleen op de (internationale) bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de vorderingen van Heineken tegen Xorta c.s.
Feiten
2.1.
Heineken en Xorta Marketing hebben jarenlang zaken met elkaar gedaan op basis van in 2013 en 2016 gesloten (en nadien aangepaste en verlengde) distributie-overeenkomsten voor de distributie en verkoop door Xorta Marketing in respectievelijk Gambia en Guinee-Bissau van door Heineken in Nederland geproduceerde dranken. In de distributieovereenkomsten is een forumkeuze voor deze rechtbank opgenomen en een rechtskeuze voor Nederlands recht.
2.2.
[gedaagde 3] was [naam functie 1] en mede-aandeelhouder van Xorta Marketing. Sinds 27 juni 2019 verkeert Xorta Marketing in staat van vereffening. [gedaagde 5] is benoemd tot vereffenaar.
2.3.
Xorta Global, opgericht op 29 januari 2014, verricht dezelfde activiteiten als Xorta Marketing. [gedaagde 5] was van 29 januari 2014 tot 5 november 2018 [naam functie 1] van Xorta Global. Sinds 4 augustus 2020 is [gedaagde 5] [naam functie 2] van Xorta Global. [gedaagde 3] was van 5 november 2018 tot 27 oktober 2021 [naam functie 1] en mede-aandeelhouder van Xorta Global. [gedaagde 4] , de echtgenote van [gedaagde 3] , is sinds 27 oktober 2021 [naam functie 1] van Xorta Global.
2.4.
[gedaagde 3] handelt tevens onder de naam [handelsnaam] . In de loop van 2020 heeft [gedaagde 3] namens Xorta Marketing en vanaf het e-mailadres [e-mailadres] bestellingen bij Heineken gedaan voor een totaalbedrag van afgerond € 7,3 miljoen. De op naam van Xorta Marketing gestelde facturen voor die bestellingen zijn onbetaald gebleven. Met ingang van 2021 heeft Heineken geen nieuwe bestellingen meer in behandeling genomen.
Geschil
3.1.
Heineken vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van Xorta c.s. tot betaling van € 7.281.845,21, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Heineken legt aan haar vordering op Xorta Marketing ten grondslag dat Xorta Marketing haar betalingsverplichting uit de distributieovereenkomsten moet nakomen. Verder baseert Heineken haar vordering tegen Xorta c.s. – samengevat – op onrechtmatige daad wegens 1) misbruik van identiteitsverschil tussen Xorta Marketing en Xorta Global en 2) overig onrechtmatig handelen als [naam functie 1] , aandeelhouder of pseudo-gevolmachtigde door mee te werken aan benadeling van Heineken. Daarnaast is de vordering tegen Xorta Global ook gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking.
3.3.
Wat de bevoegdheid van de rechtbank betreft beroept Heineken zich samengevat op de forumkeuze in de distributieovereenkomsten (ten aanzien van Xorta Marketing), op artikel 7 lid 2 van de verordening Brussel I-bis (ten aanzien van Xorta Global en [gedaagde 5] ), alsmede op artikel 6 sub e Rv en artikel 7 lid 1 Rv (ten aanzien van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ).
3.4.
Xorta c.s. voert inhoudelijk verweer en betwist de bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de vorderingen op Xorta Global, [gedaagde 3] . [gedaagde 4] en [gedaagde 5] .
Beoordeling
4.1.
Deze zaak heeft internationale aspecten, omdat partijen zijn gevestigd of woonplaats hebben in verschillende landen: Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. De rechtbank moet daarom (ook) ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om van de vorderingen van Heineken kennis te nemen. Die beoordeling vindt plaats aan de hand van de op het geschil met iedere gedaagde toepasselijke internationale bevoegdheidsregels.
4.2.
Omdat Xorta Marketing, Xorta Global en [gedaagde 5] in Duitsland zijn gevestigd of woonplaats hebben, moet de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van hen worden beoordeeld aan de hand van de materieel, formeel en temporeel toepasselijke verordening Brussel I-bis.
4.3.
[gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben woonplaats in het Verenigd Koninkrijk. Voor deze gedaagden geldt dat de rechtsmacht, bij gebrek aan toepasselijke verordeningen of verdragen, moet worden bepaald aan de hand van de commune Nederlandse regels voor internationale rechtsmacht in de artikelen 1 tot en met 14 Rv.
Toetsingskader Brussel I-bis en Rv
4.4.
De bepalingen van Brussel I-bis moeten autonoom worden uitgelegd in het licht van de ontstaansgeschiedenis, de doelstellingen en het systeem van de verordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over Brussel I-bis en de voorlopers daarvan.
4.5.
Bij de invoering en latere wijzigingen van de artikelen 1 tot en met 14 Rv heeft de Nederlandse wetgever aansluiting gezocht bij, onder meer, de voorlopers van Brussel I-bis. Bij de uitleg van de regels in Rv voor rechtsmacht moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJEU over (de voorlopers van) Brussel I-bis. Dit is alleen anders indien aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJEU.
4.6.
De hoofdregel van Brussel I-bis en van Rv is dat de rechter van de woonplaats van de verweerder bevoegd is. Het systeem van Brussel I-bis is verder kort gezegd als volgt. Naast de hoofdregel zijn enkele bijzondere bevoegdheidsregels opgenomen, die bepalen dat een verweerder in bepaalde gevallen kan worden opgeroepen voor een andere rechter dan de rechter van de woonplaats van de verweerder. Deze bijzondere bevoegdheidsregels zijn gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken.
4.7.
De bijzondere bevoegdheidsregels die een uitzondering op de algemene regel vormen, moeten als zodanig strikt worden uitgelegd. Die uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen.
4.8.
De rechter moet bij de toetsing van de rechtsmacht op grond van Brussel I-bis acht slaan op alle beschikbare gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding, waaronder de betwistingen van de verweerder. Het onderzoek naar de rechtsmacht mag dus niet plaatsvinden op basis van enkel de door eiser gekozen grondslag van de vordering. Er hoeft in de fase van de bepaling van de bevoegdheid geen bewijsprocedure te worden gevoerd met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn. Hieruit volgt dat de rechter zich bij beantwoording van de bevoegdheidsvraag beperkt tot een oordeel op het eerste gezicht (een prima facie of summierlijk oordeel).
Deze maatstaf geldt ook indien de Nederlandse rechter in het kader van de toepassing van de commune regels voor rechtsmacht, zoals neergelegd in Rv, onderzoekt of hem rechtsmacht toekomt.
4.9.
In geval van een onrechtmatige daadvordering is ook de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen bevoegd om kennis te nemen van het geschil (artikel 7 lid 2 Brussel I-bis en artikel 6 sub e Rv). Volgens vaste rechtspraak van het HvJEU wordt onder de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan verstaan zowel de plaats waar de gebeurtenis heeft plaatsgevonden die de oorzaak is van de schade (het Handlungsort) als de plaats waar de schade is ingetreden (het Erfolgsort), zodat de eiser de keuze heeft de verweerder voor het gerecht van de ene dan wel de andere plaats op te roepen indien deze in verschillende jurisdicties zijn gelegen. De plaats waar de schade is ingetreden mag niet zo ruim worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt. Het begrip ‘de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ omvat niet de plaats waar de eiser woont of waar zich het centrum van zijn vermogen bevindt op de enkele grond dat hij daar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het in een andere lidstaat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen. Zuiver financiële schade die rechtstreeks intreedt op de bankrekening van eiser en het rechtstreekse gevolg is van een onrechtmatige gedraging die zich heeft voorgedaan in een andere lidstaat kan zonder bijkomende omstandigheden niet worden aangemerkt als een relevant aanknopingspunt voor artikel 7 lid 2 Brussel I-bis.
4.10.
De rechtbank zal vervolgens het hiervoor weergegeven toetsingskader toepassen op ieder van de gedaagden.
Geen bevoegdheid op grond van de hoofdregel
4.11.
Aan de hoofdregel (de woon- of vestigingsplaats van gedaagden) kan de rechtbank voor geen van de gedaagden rechtsmacht ontlenen, zodat moet worden beoordeeld of de bijzondere bevoegdheidsregels in dit geval rechtsmacht creëren.
Ten aanzien van Xorta Marketing
4.12.
Voor zover de vordering van Heineken op Xorta Marketing is gebaseerd op nakoming van de distributieovereenkomsten is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 25 Brussel I-bis, omdat in de distributieovereenkomsten een niet weersproken geldige forumkeuze voor deze rechtbank is opgenomen.
Voor zover de vordering op Xorta Marketing is gebaseerd op onrechtmatige daad, ontleent de Nederlandse rechter rechtsmacht aan artikel 26 Brussel I-bis, omdat Xorta Marketing voor deze rechtbank is verschenen zonder de bevoegdheid ten aanzien van de tegen haar ingestelde vordering te betwisten.
Ten aanzien van Xorta Global, [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5]
4.13.
De vorderingen op Xorta Global, [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] zijn (hoofdzakelijk) gebaseerd op onrechtmatige daad. Zoals hiervoor bij het toetsingskader is weergegeven, omvat de plaats van het schadebrengende feit zowel het Handlungsort als het Erfolgsort.
4.14.
De rechtbank is van oordeel dat Amsterdam in dit geval als Erfolgsort is aan te merken. Daartoe is het volgende redengevend. De verwijten die Heineken aan Xorta c.s. maakt, houden verband met onbetaalde leveringen onder de distributieovereenkomsten en dus met de rechtsrelatie tussen Heineken en Xorta Marketing. Volgens Heineken zijn de handelsactiviteiten van Xorta Marketing voortgezet door Xorta Global, nadat Xorta Marketing in vereffening is gegaan en hebben Xortas c.s. misbruik van identiteitsverschil gemaakt dan wel meegewerkt aan benadeling van Heineken. Als de door Heineken gestelde verwijten juist zouden zijn, dan bestaat Heinekens schade als gevolg van het gesteld onrechtmatig handelen eruit dat de facturen voor in 2020 geleverde producten onbetaald zijn gebleven. Deze vermogensschade houdt in dit geval dus verband met door Heineken geleverde goederen.
Conclusie
4.16.
De slotsom is dat de rechtbank rechtsmacht heeft ten aanzien van alle gedaagden.
4.17.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in verband met het geschil over de bevoegdheid. Heineken heeft in dit verband geen proceskostenvergoeding gevorderd en er is ook geen reden om daartoe ambtshalve over te gaan omdat de inhoud van de ‘conclusie van antwoord in het incident’ grotendeels een herhaling is van wat in de dagvaarding over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter was opgenomen.
Voortgang procedure
4.18.
De zaak zal naar de rol worden verwezen voor beraad omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling.
Dictum
De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 26 maart 2025 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, rechter, bijgestaan door mr. J.P. van der Stouwe, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
Verordening (EU) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en Verdrag van Brussel betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (1968)
HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443
HvJEU 27 september 1988, ECLI:EU:C:1988:459 (Kalfelis/Schröder)
HvJEU 11 oktober 2007, ECLI:EU:C:2007:595 (Freeport/Arnoldsson), punt 35
HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa/Barclays Bank), punt 64 en HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music/Schilling), punt 45-46
HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566, rov. 3.4.4; HR 12 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1037 met conclusie van A-G De Bock van 31 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:95
HvJEU 10 juni 2004, zaak C-168/02, ECLI:EU:C:2004:364 (Kronhofer/Maier)
HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music/Schilling)