Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-16
ECLI:NL:RBAMS:2025:3223
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,404 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 24/1620 en AMS 24/8
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2025 in de zaken tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. F.R.G. Keijzer),
en
de minister van Financiën, verweerder
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het overnemen en betalen van private schulden in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Met een besluit van 27 januari 2023 (het primaire besluit I, zaak AMS 24/1620) heeft verweerder besloten de door eiseres aangemelde private schulden bij Santander, Findio B.V., Zilveren Kruis Achmea en [naam] niet over te nemen. Met het bestreden besluit van 30 januari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Met een besluit van 13 april 2023 (het primaire besluit II, zaak AMS 24/8) heeft verweerder geweigerd de door eiseres afbetaalde schuld bij Santander te compenseren. Met het bestreden besluit van 16 november 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
De rechtbank heeft het beroep in de zaak AMS 24/1620 op 22 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten en op 3 september 2024 het onderzoek heropend om eiseres in de gelegenheid te stellen haar beroep op de hardheidsclausule nader te onderbouwen.
De rechtbank heeft het beroep in de zaak AMS 24/8 op 26 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst om dezelfde reden als in zaak AMS 24/1620. De rechtbank heeft toen ook besloten beide zaken verder gevoegd te behandelen.
De rechtbank heeft van eiseres op 14 november 2024 in beide zaken een reactie ontvangen.
Verweerder heeft op 3 januari 2025 in beide zaken hierop gereageerd met een nader verweerschrift. Partijen hebben desgevraagd laten weten geen behoefte te hebben aan een nadere zitting. De rechtbank heeft de zaken op 20 maart 2025 gesloten.
Partijen hebben ook geen bezwaar geuit over het afdoen van beide zaken door de rechter die de zaak AMS 24/8 op zitting heeft behandeld.
Overwegingen
Achtergrond
1.1.
Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Deze toeslagenaffaire heeft geleid tot verschillende herstelregelingen om gedupeerde ouders te compenseren voor deze fouten. Onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is dat de overheid de private schulden van een gedupeerde ouder kan overnemen.
1.2.
In artikel 4.1, tweede lid, van de Wht zijn de voorwaarden opgenomen voor het overnemen van een private schuld. Uit het artikel volgt dat overname van een private schuld mogelijk is voor geldschulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en die niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
1.3.
In het derde lid van artikel 4.1, van de Wht staat dat een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling (de zogenaamde informele/private schulden), alleen wordt overgenomen als de schuld is vastgelegd in een notariële akte die is opgesteld in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak. Schulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn de resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.
1.4.
Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht blijkt dat de regeling voor het overnemen van private schulden tot doel heeft gedupeerden die te maken hebben met deurwaarders en schuldenproblematiek tegemoet te komen. Hieruit volgt dat de regeling voor het overnemen van private schulden bedoeld is om gedupeerde ouders zo veel mogelijk een kans te bieden op een nieuwe start. Door alleen opeisbare betalingsachterstanden en hoofdsommen over te nemen, wordt beoogd te voorkomen dat een gedupeerde in de problemen komt door incassomaatregelen. De regeling voor het overnemen van schulden heeft verder niet tot doel om gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen.
1.5.
Uit artikel 4.3, eerste lid, van de Wht volgt dat verweerder aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van de herstelmaatregel, compensatie voor een afgeloste geldschuld kan verlenen, als die geldschuld op grond van artikel 4.1 van de Wht voor overneming in aanmerking zou komen, als deze niet voldaan was. De achtergrond van het terugbetalen van al betaalde schulden is dat sommige mensen met het compensatiebedrag van de Catshuisregeling ook schulden hebben afgelost die anders voor overname in aanmerking zouden zijn gekomen. Daar was het compensatiebedrag niet voor bedoeld. Dit betekent meer concreet dat een schuld voor vergoeding in aanmerking komt als een belanghebbende de schuld heeft betaald met het compensatiebedrag van de Catshuisregeling en de schuld voldoet aan de eisen van artikel 4.1 van de Wht.
Totstandkoming van de bestreden besluiten
2.1.
Eiseres heeft verweerder verzocht om overname van schulden.
In zaak AMS 24/1620 gaat het (nog) om overname van de volgende schulden:
- € 30.515,97 bij Santander Afdeling Sanering/Specials (Santander);
- € 3.515,61 bij Findio B.V.;
- € 1.600,- bij [naam] .
In zaak AMS 24/8 gaat het om overname van een al betaalde schuld van € 668,92 bij Santander en Findio B.V..
2.2.
Met de primaire besluiten heeft verweerder eiseres laten weten dat bovengenoemde schulden niet worden overgenomen, dan wel niet wordt gecompenseerd omdat zij niet aan de voorwaarden van de Wht voldoen. Met de bestreden besluiten heeft verweerder de weigeringen gehandhaafd.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft geweigerd de aangemelde schulden van eiseres over te nemen, dan wel te compenseren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. Eiseres stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de voorwaarde die wordt gesteld dat de hoofdsom van een lening voor 1 juni 2021 opeisbaar had moeten zijn, in het geval van eiseres tot een situatie leidt die niet strookt met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien. Daarom is volgens eiseres sprake van strijd met algemene rechtsbeginselen, zoals het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Het is moeilijk voor te stellen dat wanneer eiseres zich als wanbetaler had opgesteld zij wel voor schuldovername in aanmerking was gekomen, maar nu zij zo goed en zo kwaad als het kon wel aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan door zich verder in de schulden te steken, er geen mogelijkheden zouden openstaan voor schuldovername. Die situatie lijkt de wetgever niet verdisconteerd te hebben.
Eiseres doet verder een beroep op de hardheidsclausule. Eiseres heeft door de toeslagenaffaire ernstige gezondheidsproblemen ontwikkeld, waaronder aantasting van hersenen en zenuwstelsel. Na maanden revalidatie kreeg zij in 2015 een hartinfarct. In de financieel uitzichtloze jaren heeft eiseres een eetverslaving ontwikkeld. Hierop volgde een maagverkleining die weer leidde tot allerlei medische complicaties, waarvan eiseres nog steeds klachten ondervindt. In die periode is eiseres ook verslaafd geraakt aan alcohol. In 2021 is zij hulp gaan zoeken bij de Jellinek. Eiseres heeft een zeer intensief behandelingstraject bij de Jellinek afgerond. Inmiddels volgt zij het zogenoemde 'twaalf-stappen programma' en gaat zij trouw naar meetings en vecht dagelijks voor haar herstel. Een terugval blijft echter op de loer liggen, met name omdat de schuldenlast die zij heeft opgebouwd juist door de problematiek die is veroorzaakt door de Dienst Toeslagen, nog altijd zwaar op haar drukt. Het risico op terugval is groot nu er nog steeds financiële zorgen zijn. Eiseres is daarbij duurzaam arbeidsongeschikt verklaard en blijvend afhankelijk van een IVA-uitkering. Dit betekent dat haar financiële ruimte nooit meer zal worden dan het nu is.
5. Verweerder stelt zich in beroep – samengevat – op het standpunt dat in beide zaken niet wordt voldaan aan artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. De schulden van € 30.515,97 bij Santander en van € 3.515,61 bij Findio B.V. zijn niet opeisbaar geworden in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juni 2021. De schuld bij [naam] wordt niet overgenomen omdat de schuld niet is vastgelegd in een notariële akte en ook niet is gebleken dat de schuld is opgeëist. Ook de afbetaalde schuld van € 668,92 bij Santander komt niet voor overname in aanmerking omdat ten tijde van de afbetaling geen sprake was van een opeisbare schuld.
Het beroep op de hardheidsclausule slaagt volgens verweerder niet. Verweerder acht de omstandigheden waarmee eiseres te maken heeft (gehad), betreurenswaardig. De persoonlijke omstandigheden die eiseres schetst zijn bijzonder, echter niet voldoende schrijnend om aan te nemen dat er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als de schulden niet worden overgenomen. Schulden zijn weliswaar een ‘trigger’ voor de alcoholverslaving van eiseres, maar eiseres heeft niet aangetoond dat zij haar schulden niet kan afbetalen. Uit de bankafschriften die eiseres heeft gedeeld, blijkt dat eiseres voldoende financiële middelen heeft om aan haar betalingsverplichtingen te kunnen voldoen.
Voorwaarden overname schulden
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de door eiseres aangemelde schulden op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht, terecht niet heeft overgenomen. Het is niet zonder meer aannemelijk geworden dat deze schulden voor 1 juni 2021 opeisbaar waren, waardoor de schulden bij Santander en Findio niet aan de gestelde eisen van de Wht voldoen. Eiseres heeft weliswaar betoogd dat zij regelmatig contact heeft opgenomen met beide schuldeisers om afspraken te maken over de betalingen. Op die manier heeft zij steeds weten te voorkomen dat de schuldeisers het volledige bedrag zouden opeisen. Dat maakt echter ook dat uit de dossiers niet volgt dat de schulden opeisbaar waren in de zin van de Wht. De schulden komen daarom niet voor overname in aanmerking. Dat geldt ook voor de al afbetaalde schuld bij Santander/Findio. Niet is gebleken dat eiseres betalingsachterstanden had of dat er anderszins sprake was van een opeisbare schuld.
Voor zover ook is bedoeld om de in schuldenlijst opgenomen schuld van € 1.600,- aan
[naam] te laten beoordelen in beroep, geldt ook daarvoor dat niet is voldaan aan de wettelijke eis: eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat de situatie met betrekking tot die lening gelijk gesteld moet worden aan een lening die bij notariële akte is vastgesteld. Overigens is ook niet gebleken dat deze lening door eiseres wordt afbetaald en sprake is van een achterstand in de betalingen.
Beroep op schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur
7. De rechtbank onderkent dat grote verschillen kunnen ontstaan in de groep gedupeerden: enerzijds zij die alles op alles hebben gezet om opeisbare schulden te voldoen en op hulp moeten wachten en anderzijds zij die daar niet in zijn geslaagd en wiens schulden volledig worden overgenomen. De beroepsgrond slaagt echter niet. De rechtbank volstaat met verwijzing naar de uitspraken die hierover zijn gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), in het bijzonder 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045 en laatstelijk 12 februari 2025 ECLI:NL:RVS:2025:456. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaken anders te oordelen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een contra legem toepassing. De wetgever heeft de gevolgen van de toepassing van het vereiste van opeisbaarheid bedoeld en voorzien. Dat betekent dat de rechtbank vanwege het toetsingsverbod niet toekomt aan de vraag of artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht buiten toepassing moet worden gelaten omdat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel dan wel het evenredigheidsbeginsel.
Beroep op de hardheidsclausule
8.1.
Verweerder kan volgens artikel 9.1, tweede lid, onder a, van de Wht van artikel 4.1 of artikel 4.3 van de Wht afwijken voor zover toepassing van het artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De wetgever heeft de hardheidsclausule bedoeld voor bijzondere situaties waarin toepassing van de wettelijke bepaling zou leiden tot een zeer onbillijke uitkomst of schrijnende gevallen, zoals ook bevestigd door de Afdeling in de voornoemde uitspraak van 12 februari 2025. In die uitspraak oordeelt de Afdeling ook dat de vraag of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien niet van doorslaggevend belang is. Volgens de Afdeling kan bij schrijnende omstandigheden worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel.
Conclusie
9. Het voorgaande betekent dat de rechtbank het beroep in de zaak AMS 24/8 ongegrond verklaard. Voor die zaak komt eiseres niet in aanmerking voor vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.
10. Het beroep in de zaak AMS 24/1620 is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit I van 30 januari 2024 voor zover daarin is beslist dat verweerder de schuld bij Santander niet overneemt. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat verweerder de schuld van eiseres bij Santander tot een bedrag van € 30.515,97 overneemt.
11. Omdat de rechtbank het beroep in de zaak AMS 24/1620 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar in die zaak betaalde griffierecht vergoedt.
12. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiseres in de zaak AMS 24/1620 gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 3.108,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde van € 647,- per punt en wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 907,- per punt en wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank
in zaak AMS 24/8:
- verklaart het beroep ongegrond;
in zaak AMS 24/1620:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 30 januari 2024, voor zover daarin is beslist dat verweerder de schuld van eiseres bij Santander niet overneemt;
- laat het bestreden besluit voor het overige in stand;
- herroept het primaire besluit I – in zoverre – en bepaalt dat verweerder de schuld van eiseres bij Santander overneemt voor een bedrag van € 30.515,97 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.108,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Oosterhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.