Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-15
ECLI:NL:RBAMS:2025:1398
Strafrecht; Materieel strafrecht
Rekestprocedure
1,163 tokens
Dictum
[klager, tevens beslagene],
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. L. Ibisevic, advocaat te Haarlem ([adres]),
hierna te noemen: de klager, tevens beslagene.
Feiten
Uit de stukken blijkt dat op 19 november 2024 op grond van artikel 94 Sv onder klager een personenauto, Mercedes-Benz A180 met kenteken [kenteken], in beslag is genomen.
Procedure
Het klaagschrift is op 21 november 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 15 januari 2025 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde raadsvrouw van klager, mr. L. Ibisevic, en de officier van justitie op zitting gehoord.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: Mercedes-Benz A180 met kenteken [kenteken]
Namens de klager is het volgende aangevoerd. De auto betreft een leaseauto welke wordt gebruikt voor het bedrijf van klager. Klager huurt ZZP-ers in die van de auto gebruik maken. De leasemaatschappij heeft geen bezwaar tegen teruggave van de auto aan klager en heeft geen beroep gedaan op de ontbindende voorwaarde.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich niet tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan klager.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en tijdig ingediend. Klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.
Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, -ook in een zaak betreffende een ander dan de klager-, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.
De officier van justitie heeft verklaard dat het strafvorderlijk belang zich niet langer verzet tegen opheffing van het beslag.
Hoofdregel is dat hetgeen in beslag is genomen wordt teruggegeven aan de beslagene.
De auto betreft een leaseauto. Uit de jurisprudentie volgt dat het enkele bestaan van een leaseovereenkomst er niet aan in de weg hoeft te staan om aan te nemen dat de auto toebehoort aan klager (Hoge Raad 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9360).
Aangezien sprake is van meer dan één belanghebbende, dient de rechtbank bij de beoordeling van de vraag aan wie het voorwerp dient te worden teruggegeven zich te laten leiden door hetgeen op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is.
De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat het inbeslaggenomen voorwerp aan klager toebehoort. De rechtbank zal het beklag gegrond verklaren en teruggave aan klager gelasten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave aan klager van een personenauto, Mercedes-Benz A180 met kenteken [kenteken].
Deze beslissing is gegeven door
mr. D. van den Brink, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.R. Hofstee, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beslissing.