Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-21
ECLI:NL:RBAMS:2025:1305
Strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,517 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-238320-24
Datum uitspraak: 21 januari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 1 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 augustus 2024 door the Regional Court in Zielona Góra, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1977,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [Penitentiaire Inrichting],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 3 oktober 2024
De behandeling van het EAB heeft eerst plaatsgevonden op de zitting van 3 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 17 oktober 2024
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 17 oktober 2024 overwogen dat, gelet op het vastgestelde algemene reële gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen, onderzocht moet worden of de grondrechten van deze opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, teneinde de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag te laten beantwoorden of, indachtig de omstandigheden op grond waarvan een algemeen gevaar voor het remand regime is aangenomen, dit gevaar - al dan niet met een individuele detentiegarantie - voor de opgeëiste persoon kan worden weggenomen en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de in de tussenuitspraak geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en
derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW verlengd met 30 dagen. Ook heeft de rechtbank de gevangenhouding van de opgeëiste persoon op grond
van artikel 27, derde lid, OLW verlengd met 30 dagen.
Zitting 21 november 2024
De rechtbank heeft – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling – de behandeling van het EAB voortgezet op de zitting van 21 november 2024, in aanwezigheid van mr A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. N.M. Delsing, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en
derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW verlengd met
30 dagen. Ook heeft de rechtbank de gevangenhouding van de opgeëiste persoon op grond
van artikel 27, derde lid, OLW verlengd met 30 dagen.
Tussenuitspraak 5 december 2024
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 5 december 2024 geoordeeld dat door de aanvullende informatie het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen, zodat voor de opgeëiste persoon een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat er een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog – en binnen afzienbare tijd – kan worden uitgesloten op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. Daarop heeft de rechtbank de beslissing over de overlevering aangehouden.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW verlengd met
60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond
van artikel 27, derde lid, OLW .
Zitting 7 januari 2025
De rechtbank heeft – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling – de behandeling van het EAB voortgezet op de zitting van 7 januari 2024, in aanwezigheid van mr A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. N.M. Delsing, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW verlengd met
30 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond
van artikel 27, derde lid, OLW .
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak 17 oktober 2024
De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 17 oktober 2024 reeds is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid en de weigeringsgrond van artikel 13 OLW. Hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen, dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
5Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 17 oktober 2024 en punt 4 van de tussenuitspraak van 5 december 2024, die als hier herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd.
In het bijzonder brengt de rechtbank in herinnering dat bij de tussenuitspraak van 17 oktober 2024 is geconcludeerd dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Bij tussenuitspraak van 5 december 2024 is vastgesteld dat dit algemene gevaar ook voor de opgeëiste persoon geldt en is ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW een redelijke termijn van 30 dagen vastgesteld, waarbinnen door een wijziging van omstandigheden het concrete reële gevaar ten aanzien van de opgeëiste persoon nog kan worden weggenomen.
Bij e-mail van 16 december 2024 hebben de Poolse autoriteiten de volgende aanvullende informatie gegeven.
“with regard to the EAW issued on 17.08.2024 in case with the file ref. II Kop 76/24, concerning [opgeëiste persoon], I would like to inform you additionally:
In total, an inmate may be outside his residential cell for an average of approximately 2.5 hours per day.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat de opgeëiste persoon bij overlevering het risico loopt op schending van zijn grondrechten, wordt op grond van artikel 11, vierde lid OLW in samenhang met artikel 28, derde lid, OLW geen gevolg gegeven aan het EAB.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7, 11 en 13 OLW.
Dictum
GEEFT GEEN GEVOLG aan het EAB;
VERKLAART de officier van justitie niet ontvankelijk in haar vordering ex artikel 23, tweede lid, OLW;
HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon].
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. J.G. Vegter en A.L. op ’t Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van L.P. van Kessel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 januari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2024:7241.
ECLI:NL:RBAMS:2024:7623.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
Zie artikel 28, derde lid, OLW.