Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-04
ECLI:NL:RBAMS:2025:1235
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,511 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6214
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. L.M. Lalji),
en
de minister van Financiën, Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om al betaalde schulden terug te betalen.
1.1.
Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Eiseres heeft op grond van de Catshuisregeling € 31.634,- aan compensatie ontvangen. Hiermee heeft zij haar onderpanden bij de Stadsbank van Lening teruggehaald.
1.2.
Eiseres heeft een aanvraag gedaan om deze terugbetaalde schulden bij de Stadsbank van Lening (in totaal € 4.069,18) door de minister te laten overnemen. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 1 mei 2024 afgewezen.
1.3.
Met het bestreden besluit van 5 september 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister heeft toegelicht dat bij financiële producten alleen een betalingsachterstand wordt vergoed als deze is ontstaan tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. Bij pandbeleningen kan geen achterstand op terugbetaling ontstaan, omdat degene die verpandt niet verplicht is om de verpande artikelen terug te kopen. Er kan wel een achterstand op de terugbetaling van de rente ontstaan, maar dat is niet het geval bij eiseres. Drie van de pandbeleningen dateren ook van na 1 juni 2021, dus deze zijn ook nooit voor 1 juni 2021 opeisbaar geweest. Hiermee voldoen de schulden niet aan de eisen van artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Opeisbaarheid
2. Op de zitting heeft eiseres aangevoerd dat de schulden wel opeisbaar waren voor 1 juni 2021. Eiseres had de goederen al in 2012 verpand en sindsdien is de beleenovereenkomst steeds verlengd en daarvoor een beleenvergoeding betaald. Op het transactieoverzicht waar de minister zich op heeft gebaseerd, staan beleendata van na 1 juni 2021, maar die data zijn de verlengingsdata.
2.1.
Dit betoog slaagt niet. Uit de memorie van toelichting van de Wht volgt dat de regeling voor het overnemen van private schulden bedoeld is om gedupeerde ouders zo veel mogelijk kans te bieden op een nieuwe start. Doordat alleen opeisbare betalingsachterstanden en hoofdsommen worden overgenomen, wordt beoogd te voorkomen dat een gedupeerde in de problemen komt door incassomaatregelen. Deze bepaling is dwingend geformuleerd. Eiseres heeft verschillende beleenovereenkomsten gesloten. Daarbij heeft zij van de Stadsbank van Lening telkens een beleensom ontvangen waarvoor zij een goed in onderpand heeft gegeven. Maandelijks is zij daarvoor een beleenvergoeding verschuldigd. De overeenkomsten zijn gesloten voor de duur van maximaal negen maanden. Wanneer zij binnen die termijn de beleensom terugbetaalt en de volledige beleenvergoedingen voldoet, dan ontvangt zij het onderpand terug. Wanneer zij niet op tijd betaald, wordt de Stadsbank van Lening eigenaar van het goed, tenzij zij de beleenovereenkomst verlengd. Gelet op de aard van pandlening kan er geen opeisbare hoofdsom ontstaan. Ook kan eiseres niet geconfronteerd worden met incassomaatregelen. Eiseres hoeft de beleensom immers niet terug te betalen, zij kan er ook voor kiezen om de beleentermijn steeds te verlengen totdat zij voldoende geld heeft of de Standsbank van Lening eigenaar laten worden van het in onderpand gegeven goed. In dit geval heeft eiseres de beleenovereenkomsten steeds verlengd
2.2.
Eiseres heeft op de zitting gesteld dat zij alle goederen al in 2012 had beleend en het dus niet zo is dat een deel van de beleenovereenkomsten pas is aangegaan na 1 juni 2021. Zij heeft aangeboden deze stelling met bewijsstukken te onderbouwen. De rechtbank zal eiseres niet toestaan om haar standpunt met bewijsstukken nader te onderbouwen. Ook als zij in dat bewijs zou slagen, kan dat haar niet baten omdat de beleensommen naar hun aard niet opeisbaar zijn en daarom hoe dan ook niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het standpunt van de gemachtigde dat er mogelijk nog rente op achterstallige beleenvergoedingen is betaald die wel voor overname in aanmerking komt, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft op zitting gezegd dat zij de beleenvergoedingen steeds tijdig heeft betaald. Daaruit volgt dat er geen sprake is geweest van betaalde rente.
Zorgplicht
3. Eiseres voert aan dat het ministerie van Financiën, de Stadsbank van Lening, de Belastingdienst en de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen hun zorgplicht hebben geschonden door eiseres niet tijdig en adequaat te informeren dat zij met de ontvangen compensatie de onderhavige schulden niet hoefde te betalen, omdat deze schulden zouden worden overgenomen. Dit is in strijd met het burgerperspectief zoals dat in een uitspraak van 23 oktober 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) naar voren komt.
3.1.
De minister wijst erop dat de voorwaarden van terugbetaling op verschillende manieren bekend gemaakt zijn, namelijk via informatieve brieven, publieke mededelingen en websites. Dat eiseres niet volledig bekend was met de voorwaarden, kan dan ook niet aangemerkt worden als een schending van de zorgplicht.
3.2.
De rechtbank volgt de minister in zijn betoog. Daarnaast had het eiseres gelet op 2.1. ook niet kunnen baten als zij wel tijdig op de hoogte was geweest. Als zij de compensatie niet had gebruikt om de beleensommen af te betalen, waren de beleensommen ook niet voor vergoeding in aanmerking gekomen.
Gelijkheidsbeginsel
4. Eiseres betoogt ook dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat de minister de schulden van gedupeerde ouders die op 1 juni 2021 nog open stonden wel heeft overgenomen.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen. Eiseres had namelijk geen opeisbare schulden die gepaard gingen met (dreigende) incassomaatregelen. Dat is voor de gedupeerde ouders waarvan een deel van de schulden wel wordt overgenomen, wel het geval. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.
Evenredigheidsbeginsel
5. Eiseres voert tot slot aan dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat eiseres gecompenseerd moet worden op een manier die evenredig is in verhouding tot de te dienen doelen van de Wht. Eiseres heeft op de zitting toegelicht dat de bijzondere omstandigheden zijn dat zij niet tijdig is geïnformeerd en dat de Stadsbank van Lening de feiten niet transparant heeft gepresenteerd, omdat op de overeenkomsten niet duidelijk stond dat de goederen al ver voor 1 juni 2021 waren verpand.
5.1.
De Wht is een wet in formele zin. Gelet op de uitspraak van de grote kamer van de Afdeling van 1 maart 2023 kan de Wht daarom niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Dit is anders als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Dat is hier niet het geval, omdat ook als eiseres tijdig was geïnformeerd en de minister had geweten dat de pandbeleningen voor 1 juni 2021 waren aangegaan, de pandbeleningen niet voor vergoeding in aanmerking waren gekomen. De wetgever heeft er namelijk bewust voor gekozen dat alleen opeisbare schulden voor vergoeding aanmerking komen.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beslissing van de minister om de schulden niet te vergoeden in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.L. Pijpers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 43 – 45.
Zie ECLI:NL:RVS:2019:3535, rechtsoverweging 20.
ECLI:NL:RVS:2023:772.