Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-12-30
ECLI:NL:RBAMS:2025:10800
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,621 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/280961-25
Datum uitspraak: 30 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 31 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 oktober 2025 door de rechtbank van eerste aanleg in Leuven, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 december 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.M.S. Jumelet, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een bevel tot aanhouding bij verstek van 15 oktober 2025, uitgevaardigd door de onderzoeksrechter van de rechtbank Leuven.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Genoegzaamheid
4.1
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw verzoekt de overlevering op grond van artikel 2 OLW partieel te weigeren voor het tweede en het vierde feit, omdat ten aanzien van deze feiten niet is voldaan aan de vereisten van artikel 2, tweede lid, onder e, OLW. Een volledige omschrijving van het tweede strafbare feit ontbreekt. Ten aanzien van het vierde feit blijkt niet uit de omschrijving dat sprake zou zijn van een gestructureerd samenwerkingsverband.
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het EAB genoegzaam is, omdat het EAB een omschrijving van de feiten bevat en pleegdata en pleegplaatsen vermeldt. Bovendien loopt het strafrechtelijk onderzoek nog, waardoor de verdenking en de precieze rol van de opgeëiste persoon naar vaste jurisprudentie van de rechtbank nog niet volledig uitgekristalliseerd hoeft te zijn. Artikel 2 OLW staat niet aan de overlevering in de weg.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving van de feiten in het EAB voldaan aan bovengenoemde eisen. Uit de feitomschrijving volgen de pleegplaats, pleegdata en de rol van de opgeëiste persoon. Voorts blijkt uit de feitomschrijving dat ook sprake is van betrokkenheid van andere personen dan de opgeëiste persoon bij de beschreven bedreigingen, vernieling en brandstichting die achter elkaar zouden hebben plaatsgevonden. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, waaronder de mate van gestructureerde samenwerking tussen de verdachten, zal later in België moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd. Het genoegzaamheidsverweer wordt verworpen.
5Strafbaarheid
5.1
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de overlevering op grond van artikel 7 OLW partieel moet worden geweigerd voor het eerste feit. Ten aanzien van het eerste, tweede en vierde feit dient de dubbele strafbaarheid te worden getoetst. De Belgische autoriteiten hebben immers alleen het derde feit aangemerkt als lijstfeit. Ten aanzien van het eerste feit is niet voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Blijkens het EAB staat op dit feit naar Belgisch recht een straf van maximaal drie maanden. De maximale straf is dus korter dan de vereiste twaalf maanden.
5.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie deelt het standpunt van de raadsvrouw dat de dubbele strafbaarheid moet worden getoetst voor het eerste, tweede en vierde feit, omdat alleen het derde feit onder het lijstfeit valt. Voor het tweede en vierde feit is aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid voldaan. Voor het eerste feit geldt dat niet, omdat niet is voldaan aan de eis van het minimale strafmaximum van twaalf maanden. Hier biedt artikel 7, zesde lid, OLW echter uitkomst, omdat het vereiste van het minimale strafmaximum van twaalf maanden voor de overige feiten wel in orde is. Artikel 7 OLW staat daarmee niet aan de overlevering in de weg.
5.3
Oordeel van de rechtbank
5.3.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Anders dan partijen hebben aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de uitvaardigende justitiële autoriteit zowel het tweede als het derde feit aanwijst als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld. In onderdeel e) onder II van het EAB worden immers alleen het eerste en vierde feit genoemd als feiten die niet onder het lijstfeit vallen. In dit kader merkt de rechtbank op dat het aan de uitvaardigende justitiële autoriteit is om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of de strafbare feiten waarvoor overlevering wordt verzocht onder het hiervoor genoemde lijstfeit vallen. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden.
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het tweede en derde feit aan als het volgende lijstfeit:
opzettelijke brandstichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het tweede en derde feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5.3.2
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het eerste en vierde feit niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Feiten
bedreiging met brandstichting;
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het EAB vermeldt dat het strafmaximum voor het eerste bovengenoemde feit naar Belgisch recht drie maanden is. Hierdoor is niet voldaan aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval een situatie als genoemd in artikel 7, zesde lid, OLW aan de orde is. Het EAB heeft namelijk betrekking op verscheidene afzonderlijke feiten, waarvan slechts één van die feiten niet voldoet aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf. De rechtbank oordeelt dat de overlevering op grond van artikel 7, zesde lid, OLW ook voor het feit van de bedreiging kan worden toegestaan, gelijktijdig met de overlevering voor de feiten die wel voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf.
6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd.
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Het Parket van de procureur des Konings in Leuven heeft op 2 december 2025 de volgende garantie gegeven:
“Met verwijzing naar uw vraag dd. 26 november jl, deel ik u mee dat machtiging wordt verleend met het oog op het geven van de zgn. “terugkeergarantie” in het kader van de overlevering van de Nederlandse onderdaan [de opgeëiste persoon] ( [geboortedag] -2006) ingevolge het aan uw gerechtelijke diensten toegezonden Europese Aanhoudingsbevel uitgevaardigd door Mevr./Dhr. Onderzoeksrechter Jacobs dd. 16 oktober 2025.
Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [de opgeëiste persoon] ( [geboortedag] -2006).
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De overbrenging steunt op het Overbrengingsverdrag (Raad van Europa, 21 maart 1983).
”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende, in aanmerking genomen dat België, evenals Nederland, Kaderbesluit 2008/909/JBZ heeft geïmplementeerd en de verwijzing naar het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen in de laatste alinea van de garantie dus op een kennelijke misslag berust.
7Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden
7.1
Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen reëel gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet.
Het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken – Centrale autoriteit, heeft bij brief van 5 december 2025 de volgende detentiegarantie verstrekt voor de opgeëiste persoon:
"1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenissen van Mechelen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm.
Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
-De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
-Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3Sanitaire en hygiëne omstandighedenAls algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren."
7.2
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat de detentiegarantie het algemene gevaar op schending van grondrechten in detentie in België voor de opgeëiste persoon niet wegneemt. Ter onderbouwing hiervan verwijst de raadsvrouw naar meerdere nieuwsartikelen, waarin wordt geschreven over overbevolking, grondslapers en te weinig voedsel voor gedetineerden. Ook heeft cipiersvakbond ACOD aangekondigd dat vanaf 1 december 2025 landelijk nog enkel essentiële taken worden uitgevoerd. De detentie-instelling in Mechelen heeft bovendien een bezettingsgraad van meer dan 200 procent. In verschillende nieuwsartikelen wordt geschreven over de structurele overbevolking in deze gevangenis. Gezien de structurele overbevolking is het met de gegeven detentiegarantie aannemelijk dat de persoonlijke leefruimte tussen de 3 en 4 m2 zal liggen met slechte of zeer slechte materiële omstandigheden.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 140 en 285 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6, en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de rechtbank van eerste aanleg in Leuven, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van V.C. Vermeulen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.
Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7937.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.