Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-17
ECLI:NL:RBAMS:2024:7940
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,979 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2123
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. A. Bakker),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam.
Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en de heffingsambtenaar.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser] tegen de WOZ-waarde van [adres] in Amsterdam (de woning).
Op 25 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar de waarde voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 650.000,-. Op 20 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 25 februari 2023 ongegrond verklaard (de bestreden uitspraak).
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De gemachtigde van [eiser] heeft op vrijdagmiddag 22 november 2024, om ongeveer 16:30 uur telefonisch en daaropvolgend om ongeveer 16:45 uur schriftelijk om een digitale zitting verzocht. De griffier was toen al niet meer aanwezig. De griffier en de rechter namen pas kennis van dit verzoek op maandagochtend 25 november 2024, kort voor het begin van de zitting. De rechtbank heeft het verzoek om een digitale zitting op 25 november 2024 om 9:23 uur gemotiveerd afgewezen. De zitting begon om 9:30 uur.
Op maandagochtend 25 november 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] aanvullend om uitstel van de zitting verzocht. Dit verzoek bereikte de rechtbank om 10:42 uur. De zitting was toen dus al begonnen. Ook dit verzoek heeft de rechtbank gemotiveerd afgewezen.
Het beroep is behandeld op de zitting van 25 november 2024. [eiser] was niet aanwezig en zijn gemachtigde, met bericht, evenmin. De heffingsambtenaar is verschenen in de persoon van mr. P.E.H.A. Ingenhou, vergezeld door [de persoon] , taxateur.
Overwegingen
1. [eiser] is eigenaar van de woning, een tussenwoning met een oppervlakte van 132 m2.
2. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de waarde van de woning. [eiser] vindt de waarde van de woning te hoog vastgesteld. Hij vindt dat de waarde van de woning moet worden vastgesteld op € 553.000,-. De waardepeildatum is in dit geval 1 januari 2022. Bepalend is de staat waarin de woning op die datum verkeert.
3. De heffingsambtenaar stelt zich in beroep op het standpunt dat onvoldoende rekening is gehouden met het eigen verkoopcijfer van de woning. [eiser] heeft de woning op 26 maart 2021 gekocht voor een bedrag van € 545.000,-. Dit is binnen een redelijke termijn voor de waardepeildatum. In beginsel geldt het eigen verkoopcijfer als de beste onderbouwing van de waarde, rekening houdend met de generieke waardeverandering. Voor zover bekend is geen sprake van een specifieke waardeverandering. Gelet hierop heeft de taxateur de waarde van de woning berekend en verlaagd naar € 639.000,- (geïndexeerde koopsom per 1 januari 2022).
4. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de bestreden uitspraak vernietigen.
5. [eiser] kan zich (ook) niet verenigen met de in beroep voorgestane waarde. De rechtbank zal daarom beoordelen of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woning hiermee niet te hoog heeft vastgesteld.
Boordeling van het beroep
6. De waarde die moet worden vastgesteld is de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die zou zijn betaald door de meest biedende koper als de woning op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding te koop is aangeboden.
7. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of [eiser] de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Ter onderbouwing van de waarde verwijst de heffingsambtenaar in beroep naar het eigen verkoopcijfer van de woning.
8. [eiser] stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met de ondergemiddelde voorzieningen en het ondergemiddelde onderhoud en kwaliteit van de woning. Ter onderbouwing verwijst hij naar foto’s in het aanvullend beroepschrift.
8.1.
De rechtbank constateert, met de heffingsambtenaar, dat de foto’s in het aanvullend beroepschrift van de gemachtigde van [eiser] evident geen betrekking hebben op de woning, gezien de fotorapportage van de woning in het Intern waarde-advies van 4 november 2024.
Uit dit advies blijkt, anders dan de gemachtigde van [eiser] stelt, dat de woning bij verkoop van een meer dan gemiddelde kwaliteit was. Deze beroepsgrond slaagt niet.
9. Wat [eiser] aanvoert over het gesteld verschil tussen de woning en de geselecteerde vergelijkingsobjecten in bezwaar, is niet meer relevant, omdat de heffingsambtenaar in beroep het eigen verkoopcijfer tot uitgangspunt heeft genomen om de waarde van de woning vast te stellen.
Conclusie
10. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld.
11. Het beroep is gegrond.
12. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de door [eiser] gemaakte proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht en artikel 30a, eerst en tweede lid, van de Wet WOZ, als volgt berekend.
13. Voor de rechtsbijstand door een professionele gemachtigde krijgt [eiser] een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar wordt 1 punt toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde van € 624,- per punt (€ 1.248,-). In beroep wordt 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepsschrift met een waarde van € 875,- per punt.
13.1.
Het gewicht van de zaak, uitgedrukt in de wegingsfactor, wordt beoordeeld op grond van de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. De aangevoerde gronden zijn algemeen en al vaker besproken, terwijl hoofdzakelijk in geschil is of bij de waardering van de woningen is uitgegaan van de juiste vergelijkingsobjecten. Aannemelijk is daarom dat de werkbelasting voor de gemachtigde beperkt was. De wegingsfactor is dan in bezwaar en beroep als uitgangspunt ‘licht’ (0,5). De rechtbank hanteert in dit geval in beroep niettemin de wegingsfactor ‘gemiddeld’ (1), omdat nagenoeg dezelfde redenen ook ten grondslag hebben gelegen aan het op 1 januari 2024 in werking getreden artikel 30a van de Wet WOZ.
13.2.
Op grond van artikel 30a van de Wet WOZ worden de proceskosten met een factor 0,25 vermenigvuldigd indien het bestreden besluit wordt vernietigd of gewijzigd. Hiermee beoogt de wetgever de forfaitaire tarieven terug te brengen naar een tegemoetkoming in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Reden hiervoor is de grote hoeveelheid vergelijkbare zaken, waarin door een gemachtigde met een relatief geringe tijdsinspanning en een relatief hoge kans op een gegrond bezwaar of beroep, een in verhouding hoge proceskosten-vergoeding kan worden verkregen. Verder zijn het financiële belang en de veronderstelde spanning en frustratie die met het wachten op een WOZ-uitspraak gepaard gaat, gemiddeld genomen relatief gering. Het verzoek van de gemachtigde van [eiser] om artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing te laten, wordt afgewezen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de conclusies van 25 oktober 2024 van Advocaat-Generaal (AG) Wattel, die zich op het standpunt stelt dat de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM niet in strijd is met het discriminatieverbod in het EVRM en het IVBPR. Voor de toepassing van die discriminatieverboden zijn WOZ- en BPM-zaken met beroepsgemachtigden volgens de A-G niet vergelijkbaar met andere fiscale zaken met beroepsgemachtigden, gezien het doel van de differentiatie in de nieuwe wet en de ruime beoordelingsmarge van de wetgever. Wat de gemachtigde van [eiser] in dit kader aanvoert, biedt de rechtbank geen aanknopingspunten anders te oordelen.
13.3.
De rechtbank stelt vast dat de uitspraak op bezwaar dateert van na 1 januari 2024. Artikel 30a van de Wet WOZ is dus alleen van toepassing op de proceskostenvergoeding in beroep. De proceskosten in beroep bedragen daarom € 218,75 (€ 875,- x 0,25).
13.4.
Op grond van het voorgaande wordt voor bezwaar en beroep tezamen een bedrag aan proceskosten vergoed van € 842,75 ((€ 1.248,- x 0,5) + € 218,75).
14. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan [eiser] vergoeden.
15. De vergoedingen van proceskosten en griffierecht moeten op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ worden betaald op een bankrekening op naam van [eiser] .
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- stelt de waarde voor het belastingjaar 2023 vast op € 639.000,-;
- bepaalt dat de aanslag onroerende zaakbelasting overeenkomstig deze waarde wordt verminderd;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan [eiser] moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 842,75 aan proceskosten aan [eiser] .
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter,
in aanwezigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De waarden op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).
Artikel 18, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ.
De waardeontwikkeling van de woning en daarmee vergelijkbare woningen in de periode tussen de koopdatum en de waardepeildatum.
In de zin van werkzaamheden die in deze periode aan of in de woning zijn verricht.
Artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ.
Vergelijk Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293.
Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2023-2024, 36 427, nr. 3, p. 19 e.v..
ECLI:NL:PHR:2024:1118, ECLI:NL:PHR:2024:1140 en de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusies, ECLI:NL:PHR:2024:1141.
Waarbij (onder meer) artikel 30a van de Wet WOZ is ingevoerd.
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
Belasting van Personenauto’s en Motorrijwielen (BPM).