Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-09
ECLI:NL:RBAMS:2024:7579
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,206 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/6501
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. drs. L.A. van Montfoort),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. T.J. Cheung).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het opleggen van een bestuurlijke boete van € 12.570,- wegens het omzetten en omgezet houden van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten.
1.2.
Met het bestreden besluit van 28 september 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Eiseres is eigenaar van de woning aan de [adres] . De woning bestaat uit één bouwlaag met drie kamers en heeft een oppervlakte van 45 vierkante meter. De woning heeft de bestemming ‘wonen’. Verweerder heeft een ‘melding woonfraude’ ontvangen over de woning. Volgens de melding zou de woning vaak aan toeristen worden verhuurd en veroorzaken deze veel overlast. Als gevolg hiervan is besloten om een onderzoek in stellen naar het feitelijk gebruik van de woning. Er hebben een administratief vooronderzoek en twee buitendienstonderzoeken plaatsgevonden.
2.2.
Volgens de Basisregistratie Personen (Brp) stonden er ten tijde van het onderzoek (19 april 2022) drie personen ingeschreven op het adres. Op 7 september 2020 hebben toezichthouders van de gemeente Amsterdam de woning bezocht. Zij hebben hier twee personen aangetroffen, te weten de heren [naam 1] en [naam 2]. De heer [naam 1] heeft verklaard dat hij een bewoner is van de woning. De heer [naam 2] heeft verklaard dat hij samen met twee andere personen in de woning woont. Iedereen heeft een eigen huurovereenkomst en slaapkamer in de woning. De woonkamer, badkamer en keuken delen zij. Alle personen staan ingeschreven op het adres. De eigenaar weet dat zij met z'n drieën in de woning wonen.
2.3.
Op 19 april 2022 hebben toezichthouders van de gemeente Amsterdam nogmaals de woning bezocht. Zij hebben in de woning vier personen aangetroffen, te weten de heren
[naam 3] en [naam 4] en twee vrienden van hen die op bezoek waren. De heer [naam 3] heeft verklaard dat hij een kamer in de woning huurt en dat hij met nog twee andere personen in de woning woont. Zij staan alle drie op het adres ingeschreven. De drie bewoners hebben elk een eigen slaapkamer in de woning. De bewoners delen het gebruik van de woonkamer, de keuken, het toilet en de douche. De eigenares van de woning weet dat de woning door drie personen wordt bewoond.
2.4.
Naar aanleiding van het onderzoek heeft verweerder met het besluit van
25 februari 2023 eiseres een bestuurlijk boete opgelegd van € 12.570,- wegens het omzetten en omgezet houden van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten doordat eiseres de woning aan meer dan het aantal toegestane personen (drie huishoudens) in gebruik heeft gegeven, die de aanwezige wezenlijke voorzieningen met elkaar moeten delen en die geen gezamenlijke huishouding voeren. Dit is in strijd met artikel 21, eerste lid, onder c, van de Huisvestingswet (Hvw). De hoogte van het boetebedrag voor de onderhavige overtreding is overeenkomstig tabel 3 in bijlage 3 bestuurlijke boete ingevolge artikel 4.2.1 van de Huisvestingsverordening 2020 (Hvv) € 12.570,- daar eiseres de zelfstandige woonruimte heeft omgezet en omgezet heeft gehouden naar maximaal vier kamers.
Beoordeling
3.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder een bestuurlijke boete mocht opleggen wegens het omzetten en omgezet houden van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overtreding en overtrederschap
4. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres laten weten dat de overtreding en het overtrederschap van eiseres niet langer betwist worden. De rechtbank zal daarom de stellingen van eiseres die betrekking hebben op de overtreding en het overtrederschap niet verder bespreken.
Matiging boete
5.1.
In het kader van de hoogte van de bestuurlijke boete acht de gemachtigde van eiseres het intrekken van de boete niet redelijk maar matiging van de boete zou volgens hem wel op zijn plaats zijn omdat eiseres door verweerder doelbewust onkundig is gehouden over de illegale verhuur aangezien zij pas in december 2022 is geïnformeerd over het rapport van 7 september 2020. Ook was het haar onbekend dat de verhuur aan drie personen zou kunnen worden beschouwd als omzetting van een zelfstandige woonruimte in drie onzelfstandige woonruimten. Daarnaast stelt eiseres dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat de boete mede is gebaseerd op het rapport van 7 september 2020 en er niet eerder een boete is opgelegd.
5.2.
Verweerder heeft aan eiseres een bestuurlijke boete van € 12.570,- opgelegd. De hoogte van deze boete is bij wettelijk voorschrift vastgesteld. Hierdoor moet de boete worden getoetst aan artikel 5:46, derde lid, van de Awb. Als de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is, moet een lagere boete worden opgelegd. Als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt een verminderde verwijtbaarheid, beperkte ernst van de overtreding en een geringe financiële draagkracht. Het is aan de overtreder om aannemelijk te maken dat deze omstandigheden aan de orde zijn.
5.3.
In de door eiseres geschetste omstandigheden ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om de boete te matigen. Van een verminderde verwijtbaarheid is namelijk niet gebleken. Dat eiseres niet bekend was met de regelgeving, is niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid. Van een wooneigenaar mag worden verwacht dat zij op de hoogte is van de regelgeving met betrekking tot haar woning. Daarnaast is de boete enkel gebaseerd op het onderzoek van 19 april 2022, het rapport van het eerste onderzoek op
7 september 2020 is niet ten grondslag gelegd aan de opgelegde boete. Tot slot heeft eiseres niet onderbouwd dat sprake is van een geringe financiële draagkracht die noopt tot matiging van de boete. De boete is in het geval van eiseres dan ook niet onevenredig.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
9 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1654.