Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:23496
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,775 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6890
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. H. Tahiri el Osruti),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. V. Boender-Wiebenga).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de oplegging van een bestuurlijke boete.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit (het primaire besluit) op 6 december 2022 genomen. Met het bestreden besluit van 5 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, [naam] (makelaar van eiser) en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) en verhuurt deze bedrijfsmatig. Naar aanleiding van een melding van overbewoning hebben inspecteurs van de Haagse Pandbrigade (hierna: de inspecteurs) de woning op 25 oktober 2022 bezocht en vastgesteld dat eiser de woning in gebruik heeft gegeven aan huurders die op dat moment niet beschikten over een huisvestingsvergunning en daarmee de wet heeft overtreden. Verweerder heeft eiser om die reden een bestuurlijke boete van € 10.000,- opgelegd.
Wat zijn de regels?
3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser kan zich niet verenigen met de oplegging van de bestuurlijke boete. Hij wijst erop dat hij expliciet in de huurovereenkomst heeft laten opnemen dat de huurders verplicht zijn om een huisvestingsvergunning aan te vragen. Ook de makelaar die betrokken is geweest bij de totstandkoming van de huurovereenkomst heeft dit aan de huurders kenbaar gemaakt en bovendien onderzocht of zij hiervoor in aanmerking komen. Hieruit kan worden afgeleid dat eiser nooit de intentie heeft gehad om de woning zonder huisvestingsvergunning te verhuren. Omdat de huurders de Nederlandse taal niet machtig zijn, hebben zij voor het aanvragen van een huisvestingsvergunning uiteindelijk een boekhouder ingeschakeld. Door een medische ingreep heeft deze de aanvraag voor de huurders echter pas op 4 december 2022 kunnen indienen. Eiser was hiervan niet op de hoogte gesteld en verkeerde dan ook in de veronderstelling dat de huisvestingsvergunning al was aangevraagd. Verder stelt eiser hier zelf ook niet alert op te zijn geweest door persoonlijke omstandigheden die speelden rond die periode. Daarbij heeft eiser op de zitting nog aan de orde gesteld dat het huidige beleid op grond waarvan eerst een huisvestingsvergunning moet worden aangevraagd alvorens de huurders de woning in gebruik kunnen nemen, in de praktijk niet werkbaar is. Voorts stelt eiser onder verwijzing naar jurisprudentie dat de bestuurlijke boete disproportioneel hoog is en deze met 75% moet worden gematigd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de woning in gebruik heeft gegeven aan een huishouden dat niet beschikte over een daartoe vereiste huisvestingsvergunning. De bevoegdheid van verweerder om een bestuurlijke boete op te leggen aan eiser is daarmee gegeven.
6. Op grond van artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen bestuurlijke boete worden opgelegd als de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. De rechtbank ziet hiervoor geen aanknopingspunten. Zo heeft verweerder ten aanzien van de door eiser genoemde persoonlijke omstandigheden terecht opgemerkt dat deze niet speelden op het moment van de totstandkoming van de huurovereenkomst op 12 september 2022. Uit de stukken wordt evenmin duidelijk of in die periode ook de medische omstandigheden speelden van de door eiser ingeschakelde boekhouder en kan dus ook niet worden vastgesteld of die hem hebben belet de huisvestingsvergunning tijdig aan te vragen. Los daarvan overweegt de rechtbank dat het de verantwoordelijkheid is van eiser om ervoor te zorgen dat bij verhuur van de woning in overeenstemming wordt gehandeld met verplichtingen die volgen uit de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening. Dit geldt te meer nu eiser als bedrijfsmatige verhuurder bekend wordt geacht te zijn met deze wet- en regelgeving. Dit betekent concreet voor deze zaak dat eiser de woning pas in gebruik had mogen geven zodra de huurders eiser hadden laten zien over een huisvestingsvergunning te beschikken. Het betoog van eiser dat deze praktijk niet werkbaar is omdat de beoordeling door verweerder van een aanvraag om een huisvestingsvergunning lang op zich laat wachten, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Verweerder heeft immers toegelicht dat in het geval van het ontbreken van een huisvestingsvergunning alsnog van handhaving wordt afgezien als blijkt dat op het moment van de controle de huisvestingsvergunning wel al is aangevraagd en deze later ook daadwerkelijk wordt toegekend.
7. Verweerder is in geval van bedrijfsmatige exploitatie van woonruimte in beginsel verplicht een bestuurlijke boete op te leggen van € 10.000,-. Hoewel de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld en sprake is van een gefixeerd boetestelsel, moet verweerder niettemin een lagere bestuurlijke boete opleggen indien eiser aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Volgens vaste rechtspraak kunnen een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om een boete te matigen.
7.1.
In een recente uitspraak heeft de hoogste bestuursrechter overwogen dat uit de handhavingspraktijk van verweerder blijkt dat niet alleen een aanmerkelijk belang wordt gehecht aan de omstandigheid dat de benodigde huisvestingsvergunning is aangevraagd, maar ook aan de omstandigheid dat de huurder al dan niet aan de voorwaarden voor de toekenning van de huisvestingsvergunning voldoet. Deze omstandigheid is echter niet tot uitdrukking gebracht in Bijlage II van de Huisvestingsverordening, waarin de hoogtes van de boetes wegens overtreding van artikel 8, tweede lid, van de Huisvestingswet zijn bepaald. In de omstandigheid dat een huurder voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van een huisvestingsvergunning, moet verweerder daarom aanleiding zien om een lagere boete op te leggen vanwege de beperkte ernst van de overtreding.
7.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de huurders van de woning voldoen aan de voorwaarden voor de toekenning van een huisvestingsvergunning. Deze is op 9 februari 2023 ook daadwerkelijk toegekend. Verweerder heeft op de zitting te kennen gegeven in deze omstandigheid gelet op voormelde uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024 alsnog aanleiding te zien om de bestuurlijke boete met 50% te matigen. De rechtbank sluit zich hierbij aan en ziet net als verweerder in de overige door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding voor verdere matiging van de bestuurlijke boete. Voor een toelichting hierop verwijst de rechtbank naar wat hierover in rechtsoverweging 6 is overwogen.
8. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 5:46, derde lid, van de Awb. Het primaire besluit van 6 december 2022 wordt herroepen voor zover daarbij een bestuurlijke boete van € 10.000,- is opgelegd. De rechtbank acht net als verweerder een boete van € 5.000,- passend en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
Conclusie
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat deze uitspraak hiervoor in de plaats treedt.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 5 oktober 2023;
- herroept het primaire besluit van 6 december 2022 voor zover daarbij een bestuurlijke boete van € 10.000,- is opgelegd;
- stelt de hoogte van de bestuurlijke boete vast op € 5.000,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2024.
De griffier is verhinderd te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Huisvestingswet 2014
Artikel 7
1. In de huisvestingsverordening kan de gemeenteraad categorieën woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mogen worden genomen of gegeven indien daarvoor geen huisvestingsvergunning is verleend.
2. Het eerste lid is ten aanzien van het kunnen aanwijzen van voor verkoop bestemde woonruimte alleen van toepassing op nieuw te bouwen voor verkoop bestemde woonruimte met een koopprijs van ten hoogste € 390.000,- nadat bij koninklijke boodschap van 9 september 2022 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Huisvestingswet 2014 naar aanleiding van de evaluatie van de herziene Huisvestingswet 2014 (Kamerstukken 36 190) tot wet is verheven en in werking is getreden.
(…)
Artikel 8
1. Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens artikel 7 voor bewoning in gebruik te nemen zonder vergunning van burgemeester en wethouders.
2. Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens artikel 7 voor bewoning in gebruik te geven aan een persoon die niet beschikt over een huisvestingsvergunning.
Huisvestingsverordening Den Haag 2023
Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
- middeldure woonruimten: woonruimten met een aanvangshuurprijs boven de huurprijsgrens en tot en met 185 punten op grond van artikel 5 van Besluit huurprijzen woonruimte en artikel 10 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte; alle woonruimten met een aanvangshuurprijs boven de huurprijsgrens die minder of gelijk is aan de volgens Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimten gestelde maximale huurprijs voor 185 punten; voor de puntenvaststelling van de gemeente wordt met het oog op efficiëntie en effectiviteit (mede) uitgegaan van de woonruimten die de gemeente zelf heeft verkregen ten behoeve van het vaststellen van de waarde onroerende zaakbelasting;
Artikel 2:1 Reikwijdte
1. De artikelen in dit hoofdstuk zijn van toepassing op woonruimten met een huurprijs beneden de huurprijsgrens én op woonruimten met een middenhuur.
(…)
Artikel 2:2 Huisvestingsvergunning
1. Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een woonruimte zoals bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, in gebruik te nemen voor bewoning.
2. Het is verboden de in artikel 2:1, eerste lid, bedoelde woonruimte voor bewoning is gebruik te geven aan een huishouden, dat niet beschikt over een huisvestingsvergunning.
Artikel 7:2 Bestuurlijke boete
1. Voor overtreding van de artikelen 8, 21 of 22, 23a, 23b, 23c of 41 van de Huisvestingswet 2014, of het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 26 van de Huisvestingswet 2014, kunnen burgemeester en wethouders een bestuurlijke boete opleggen.
(…)
7. Bij toepassing van het gestelde in voorgaande leden hanteren burgemeester en wethouders de boetes als vermeld in bijlage II van deze verordening.
Artikel 8:1 Overgangsbepaling bezwaar en beroep
De Huisvestingsverordening Den Haag 2019 blijft van toepassing op bezwaar- en beroepsprocedures betreffende bezwaar- en beroepschriften die vóór de dag van inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend, als dit voor bezwaarmaker gunstiger is.
Bijlage II
Bestuurlijke boetes als bedoeld in artikel 7:2, zevende lid van deze verordening.
- Artikel 8, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 (niet-bedrijfsmatige exploitatie en 1e overtreding): € 5.000,-.
Op grond van artikel 8, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014, in samenhang gelezen met artikel 1:1, 2:1, 2:2, 7:2 en Bijlage II van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023.
Eiser wijst in dit verband op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juni 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:5202 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1904.
Op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1654.
Zie in dat verband de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2314, r.o. 6.3.