Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-07-23
ECLI:NL:RBAMS:2024:7541
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,294 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10107099 \ CV EXPL 22-12208
Vonnis van 23 juli 2024
in de zaak van
ETECK WARMTE EEKHOORN B.V.,
gevestigd te Waddinxveen,
eiseres,
gemachtigde: mr. O.J. Boeder,
tegen
[gedaagde]
,
gevestigd te [woonplaats] ,
gedaagde,
niet verschenen.
Procesverloop
Eiseres heeft gedaagde gedagvaard. Tegen gedaagde is verstek verleend. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
Beoordeling
2.1.
Eiseres stelt dat partijen een overeenkomst tot levering van warmte zijn aangegaan. De levering wordt beheerst door de Warmtewet. Aan de precontractuele en contractuele informatieplichten is voldaan. De leveringsovereenkomst is na aanmelding van gedaagde door eiseres aan gedaagde schriftelijk bevestigd. De algemene leveringsvoorwaarden maken daarvan onlosmakelijk deel van uit. Eiseres heeft aan gedaagde een welkomstpakket toegezonden met als bijlagen de leveringsovereenkomst, de algemene leveringsvoorwaarden, de aansluitvoorwaarden, een informatie (demarcatie)kaart en een tarievenoverzicht, aldus – steeds – eiseres.
2.2.
Eiseres is een handelaar. Gedaagde is een consument. In dat geval moet de kantonrechter ambtshalve toetsen of eiseres de op haar rustende informatieplichten heeft nageleefd en geen oneerlijke bedingen in de zin van Richtlijn 93/13/EG (richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, hierna: de richtlijn) in de overeenkomst staan.
Informatieplichten
2.3.
De informatieplichten waaraan eiseres als warmteleverancier moet voldoen staan in Afdeling 2b, Titel 5 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en zijn verder uitgewerkt in artikel 3 van de Warmtewet. Onderdeel van die informatieplichten is de informatie genoemd in artikel 6:230m lid 1 en 6:230v BW.
2.4.
Vastgesteld wordt dat alle essentiële informatie voortvloeiend uit artikel 3 van de Warmtewet is opgenomen in het welkomstpakket.
2.5.
Uit artikel 3 van de Warmtewet volgt ook dat de informatie moet worden verstrekt voordat gedaagde aan de overeenkomst is gebonden. Gesteld noch gebleken is wanneer eiseres het welkomstpakket heeft gestuurd en gedaagde dat heeft ontvangen. Niet duidelijk is dus wanneer de informatie is verstrekt. Wel duidelijk is dat de overeenkomst door gedaagde is ondertekend op 3 oktober 2021. Daarom wordt die datum aangehouden als datum waarop gedaagde aan de overeenkomst is gebonden.
Toetsing van bedingen
2.6.
Ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn is ambtshalve toetsing van kernbedingen alleen aan de orde als ze niet duidelijk en begrijpelijk (transparant) zijn geformuleerd. Nu de gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een kernbeding, te weten het beding dat gaat over de door gedaagde te betalen prijs, moet dit beding worden beoordeeld op transparantie. Het prijsbeding is terug te vinden op het product- en tarievenblad. De daarop genoemde prijzen verhoogt eiseres kennelijk jaarlijks, want zij heeft product- en tarievenbladen van de jaren 2021 en 2022 overgelegd en de prijzen zijn in 2022 hoger dan in het jaar ervoor. De maandelijkse vaste kosten en de getoonde overige kosten zijn voldoende duidelijk en begrijpelijk geformuleerd, maar dat geldt niet voor de maandelijkse variabele kosten (de verbruikskosten). Hier staat namelijk dat voor zowel de levering van ruimteverwarming als voor de opwarming van tapwater een bedrag van € 25,51 per Gj moet worden betaald. Eiseres geeft echter geen inzicht in het te verwachten aantal Gj dat gedaagde maandelijks zal verbruiken, bijvoorbeeld gelet op het type woning, het historische verbruik of andere gemiddelden voor vergelijkbare huishoudens. Het voorschot dat per maand in rekening wordt gebracht wordt niet in de overeenkomst genoemd. Gedaagde kan op grond van alleen het prijsbeding geen inschatting maken van de te verwachten maandelijkse kosten. Evenmin geeft de overeenkomst of de andere stukken van het welkomstpakket hiervoor enige houvast. De economische gevolgen die het sluiten van de overeenkomst met zich brengt kunnen niet goed worden ingeschat. In dit verband wordt verwezen naar het arrest van het Europese Hof van Justitie van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14). In dat arrest is beslist dat met het slechts noemen van een uurtarief de consument niet in staat wordt gesteld om met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de economische consequenties die het sluiten van deze overeenkomst met zich brengt zijn beslissing te nemen, niet voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Dat is in dit concrete geval niet anders. Weliswaar is de feitelijke situatie anders dan in het arrest, heeft de consument het verbruik zelf in de hand en zit er een maximum op de tarieven die eiseres mag hanteren, maar dat neemt niet weg dat de enkele vermelding van de prijs per Gj, zonder enige indicatie van de hoeveelheid Gj dat (ongeveer) zal worden verbruikt, de consument niet in staat stelt de economische consequenties te beoordelen. Als gevolg daarvan heeft de consument ook geen controlemogelijkheid. De kantonrechter is daarom voorshands van oordeel dat het prijsbeding niet transparant is, zodat het moet worden getoetst op oneerlijkheid.
2.7.
Mocht het prijsbeding als oneerlijk worden aangemerkt, dan moet het worden vernietigd. Het kan dan geen grondslag vormen voor de vordering.
2.8.
Eiseres wordt in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de transparantie en de (on)eerlijkheid van het prijsbeding en over de gevolgen van eventuele vernietiging daarvan.
2.9.
Verder staat in de algemene voorwaarden een wijzigingsbeding (artikel 11). Dat beding luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
11.1
De Contractant is aan de Leverancier, de tarieven verschuldigd zoals opgenomen in de meest actuele, toepasselijke versie van het Product- en Tarievenblad, behoudens indien en voor zover schriftelijk anders is overeengekomen.
11.2
De bedragen als bedoeld in lid 1 zullen respectievelijk kunnen worden verhoogd met de belastingen en heffingen die de Leverancier krachtens een besluit van of Overeenkomst met de overheid verplicht respectievelijk bevoegd is in rekening te brengen.
11.3
Wijzigingen van de tarieven worden doorberekend conform de overeengekomen prijssystematiek en staan vermeld op de eerstvolgende factuur. De Leverancier is gerechtigd de prijssystematiek tussentijds aan te passen, bijvoorbeeld als gevolg van wet- en regelgeving.
11.4
Tariefswijzigingen conform het bepaalde in de Warmtewet treden in werking op 1 januari van het jaar waarop zij betrekking hebben en worden zo spoedig mogelijk bekend gemaakt. Wijzigingen gelden ook ten aanzien van reeds bestaande overeenkomsten.
11.5
Indien in enig jaar een of meer besluiten van de Autoriteit Consument en Markt (ACM), die mede van belang zijn bij het vaststellen van de tarieven door de Leverancier, in werking treden of bekendgemaakt worden op een zodanig tijdstip, dat bekendmaking door de leverancier niet op of vóór 1 januari van het betreffende jaar kan geschieden, treden tariefswijzigingen door de Leverancier desondanks in werking per 1 januari, tenzij in de bekendmaking door de Leverancier een andere datum van in werking treden is vermeld.
2.10.
In het product- en tarievenblad staat een bepaling over indexatie en wijziging van tarieven, dat als volgt luidt:
Indexatie en wijziging van tarieven vinden plaats op 1 januari van elk jaar.
De wijziging van de door de Warmtewet gereguleerde tarieven wordt jaarlijks vastgesteld conform de richtlijnen van de Autoriteit Consument en Markt. Dit betreft de tarieven die zijn vermeld onder “Vaste kosten” en onder “Variabele [ktr: deze zin lijkt niet volledig]
De indexatie van de niet door de Warmtewet gereguleerde tarieven, volgt de door de Warmtewet gereguleerde tarieven, welke jaarlijks vastgesteld worden conform de richtlijnen van de Autoriteit Consument en Markt.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 20 augustus 2024 om 10.00 uur voor het nemen van een akte door eiseres over wat in overweging 2.18 staat,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op23 juli 2024.
991