Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-20
ECLI:NL:RBAMS:2024:7085
Internationaal publiekrecht, Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,281 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-300657-24
Datum uitspraak: 20 november 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 20 september 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 juli 2024 door the District Court in Krakow, Third Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1987,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in het [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 november 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een Judgement issued at Sąd Rejonowy dla Krakowa-Krowodrzy w Krakowie Wydzial II Karny (Krakow-Krowodrza Regional Court in Krakow Second Criminal Division) on 14 June 2021, which became final on 5 July 2022, met referentie II K 590/21/K.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, acht maanden en zestien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
4.1
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen.
6Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat overlevering van de opgeëiste persoon tot een schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) zal leiden. Uit de overgelegde medische stukken blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon een specialistische tandheelkundige behandeling nodig heeft. Gevreesd wordt dat hij in Poolse detentie-instellingen geen adequate behandeling krijgt en daarom aan een vernederende en onmenselijke behandeling wordt onderworpen. Dit blijkt uit het meest recente rapport van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) van februari 2024 waar in paragraaf 58 en 59 over de medische omstandigheden wordt gesproken:
“The delegation also heard several prisoners complain about poor access to specialist care, in particular dental care and psychiatric (…) Steps should also be taken to improve prisoners’ access to specialist medical care (in particular, dental and psychiatric).”
.
De raadsvrouw heeft verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden om na te gaan of de tandheelkundige zorg afdoende is geregeld in de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon zal worden geplaatst.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Poolse detentieomstandigheden niet aan overlevering in de weg staan, omdat – zoals deze rechtbank al meermalen heeft geoordeeld – geen algemeen gevaar is aangenomen voor de schending van grondrechten voor veroordeelden in Polen. Daarbij komt dat de situatie waarnaar in het CPT-rapport wordt verwezen ziet op de medische intake van nieuwe gedetineerden, welke situatie niet op de opgeëiste persoon van toepassing is aangezien de opgeëiste persoon reeds is gekeurd door de medische dienst in Nederland.
Beoordeling
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet slaagt. De verdediging heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens verstrekt op grond waarvan kan worden aangenomen dat in Poolse detentie-instellingen geen goede gezondheidszorg aan veroordeelde gedetineerden wordt verstrekt. Weliswaar worden er door het CPT zorgen geuit op dit punt, echter zijn deze niet zodanig dat kan worden aangenomen dat een algemeen reëel gevaar bestaat dat veroordeelde personen die in Polen zijn gedetineerd en gezondheidsklachten hebben, onmenselijk of vernederend worden behandeld door een gebrek aan voldoende tandheelkundige zorg. Aan de bespreking van de individuele situatie van de opgeëiste persoon komt de rechtbank dan ook niet toe.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Krakow, Third Criminal Division, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en A.L. op 't Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en Ç.H. Dede, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 november 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).