Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-08-22
ECLI:NL:RBAMS:2024:5233
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,661 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/128106-24
Datum uitspraak: 22 augustus 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 6 juni 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 27 december 2023 door Sąd Okręgowy in Kielce (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
nu uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt:
I: een vonnis van Sąd Rejonowy in Busko-Zdrój van 3 november 2021 (met kenmerk II K 403/21);
II: een vonnis van Sąd Rejonowy in Busko-Zdrój van 1 september 2022 (met kenmerk II K 270/21).
De overlevering wordt voor wat betreft vonnis I verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden.
De overlevering wordt voor wat betreft vonnis II verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar. Van deze straf resteren volgens het EAB nog elf maanden en negenentwintig dagen.
De genoemde vrijheidsstraffen zijn door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat en zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen. Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft primair aangevoerd dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW van toepassing is en dat er geen aanleiding is om af te zien van weigering op grond van dat artikel. Niet duidelijk is in welke fase van de processen de adresinstructies aan de opgeëiste persoon zijn gegeven en of hij is gewezen op de consequenties van het niet voldoen aan die instructies. Al met al kan niet geconcludeerd worden dat de opgeëiste persoon stilzwijgend of uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten. De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat op de voornoemde punten aanvullende vragen gesteld dienen te worden aan Polen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van weigering op grond van artikel 12 OLW, gelet op de aan de opgeëiste persoon gegeven adresinstructies. Beide instructies zijn tijdens het voorbereidend onderzoek aan de opgeëiste persoon gegeven en het had voor hem duidelijk moeten zijn wat de consequenties zijn van het niet voldoen aan die instructies. Dit alles maakt dat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten.
Oordeel van de rechtbank
Op basis van het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 26 juli 2024 stelt de rechtbank vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een tweetal vonnissen terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de processen die tot die beslissingen hebben geleid en die - kort gezegd - zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet op het bovenstaande kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren en acht daarbij het volgende van belang.
Uit de voornoemde aanvullende informatie blijkt dat voor beide procedures geldt dat de opgeëiste persoon van de processen op de hoogte is gebracht middels naar door hem opgegeven adres(sen) gestuurde oproepen, die hij steeds niet in ontvangst genomen heeft en die hij nadien niet heeft opgehaald, terwijl hij de instructie had gekregen dat hij elke adreswijziging of verblijf elders van langer dan zeven dagen door had moeten geven aan de Poolse autoriteiten. Uit de aanvullende informatie en de context waarin deze is gesteld blijkt duidelijk dat deze instructie tijdens de voorfases van beide processen zijn gegeven.
Gebleken is dat de opgeëiste persoon voor wat betreft de beide procedures op de hoogte was van de verdenkingen. Hij moest er in beide gevallen onder de gegeven omstandigheden in ieder geval rekening mee houden dat hij kon worden opgeroepen voor een zitting op de door hem opgegeven adres(sen). Zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij de processen, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De omstandigheid dat de aanvullende informatie niet vermeldt dat de opgeëiste persoon expliciet is gewezen op de consequenties van het niet doorgeven van wijzigingen van zijn adres en/of verblijfplaats maakt dit in dit geval niet anders. De rechtbank wijst er op dat de aanvullende informatie (wel) vermeldt dat in de voorfases van beide procedures bij het verstrekken van uitleg aan de opgeëiste persoon (‘while giving him explanations’) hij zijn adres heeft opgegeven en dat hem (vervolgens) ook de adresinstructie (‘was also instructed’) is gegeven. Hieruit leidt de rechtbank af dat hem voldoende duidelijk is geweest wat de consequenties zouden zijn als hij die adresinstructie niet zou opvolgen.
Concluderend staat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg.
5Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
t.a.v. vonnis I:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen
t.a.v. vonnis II:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
6Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 350 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Sąd Okręgowy in Kielce (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en A.K. Glerum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 augustus 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).