Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-06-05
ECLI:NL:RBAMS:2024:3311
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,557 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/005779-24
Datum uitspraak: 5 juni 2024
TUSSEN- UITSPRAAK
op de vordering van 8 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 februari 2017 door the Regional Court in Radom, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,
verblijvende op het adres: [adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De zitting van 21 februari 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 februari 2024, in
aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe. advocaat te Schiphol, en door een
tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. De rechtbank heeft de gevangenhouding onder gelijktijdige schorsing ervan bevolen.
De tussenuitspraak van 6 maart 2024
De rechtbank heeft op 6 maart 2024 een tussenuitspraak gewezen. Daarin is het onderzoek
heropend om de officier van justitie en de raadsman in de gelegenheid te stellen zich op een
volgende zitting uit te laten over het rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) .
De zitting van 26 maart 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 26 maart 2024, in aanwezigheid
van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan
door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat in Schiphol, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. De rechtbank heeft het bevel gevangenhouding onder gelijktijdige schorsing ervan met 30 dagen verlengd.
Tussenuitspraak van 9 april 2024
De rechtbank heeft op 9 april 2024 een tussenuitspraak gewezen. Daarin is het onderzoek
heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om middels de officier van justitie vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. De rechtbank heeft het bevel gevangenhouding onder gelijktijdige schorsing ervan met 30 dagen verlengd.
De zitting van 22 mei 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 22 mei 2024, in aanwezigheid
van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan
door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat in Schiphol, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de beslistermijn verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW en heeft de gevangenhouding met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak 6 maart 2024
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 6 maart 2024. Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en de garantie als
bedoeld in artikel 6 OLW al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast
te worden beschouwd.
4Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden (heropening)
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de gegeven antwoorden niet de zorgen wegnemen die het CPT heeft geuit. Er is geen concreet antwoord gekomen op de vraag of de opgeëiste persoon een persoonlijke levensruimte van niet minder dan 3 m2 heeft in een meerpersoonscel. Daarnaast zijn de eerste drie gestelde vragen niet beantwoord. Daarom loopt hij het risico op schending van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest). De overlevering moet daarom worden geweigerd. Subsidiair moet er nadere informatie over de detentieomstandigheden worden gevraagd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat met de gegeven antwoorden van 19 april 2024 de zorgen die het CPT heeft geuit, zijn weggenomen. Daarbij heeft de officier van justitie opgemerkt dat het CPT alleen zorgen heeft geuit over het remand regime in Białystok en dat het onwaarschijnlijk is dat de opgeëiste persoon daar zal worden gedetineerd. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de zaak moet worden aangehouden om nadere informatie op te vragen.
Oordeel van de rechtbank
Zoals in de tussenuitspraak al is overwogen, heeft het CPT zorgen geuit over onder meer het aantal uur per dag dat een voorlopige gehechte op cel doorbrengt en de duur van het proces om toestemming te krijgen voor contact met de buitenwereld. Gelet op het CPT-rapport lijken deze zorgen in het gehele remand regime voor te komen en niet alleen in de door het CPT bezochte Huizen van Bewaring. Naar aanleiding hiervan zijn er over de punten van zorg vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten.
Op 19 april 2024 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de in de tussenuitspraak gestelde vragen als volgt beantwoord:
- de oppervlakte van een wooncel per veroordeelde niet minder dan 3m² mag bedragen; het is niet mogelijk om precies aan te geven hoeveel ruimte in een meerpersoonscel beschikbaar zal zijn voor een voorlopig gedetineerde omdat dat afhangt van het huis van bewaring waar hij zal worden gedetineerd en de huidige situatie in dit huis van bewaring;
- de vervolgde persoon waarschijnlijk gedetineerd zal worden voor de duur van het
opsporingsonderzoek op de afdeling van het huis van bewaring binnen de Penitentiaire Inrichting te Siedlce, vanwege de autoriteit die zijn zaak behandelt (Officier van Justitie van
Arrondissementsparket te Siedlce), en bij het opstellen van tenlastelegging, zal hij worden
vervoerd naar het Huis van Bewaring in Radom vanwege de relatieve bevoegdheid van de Rechtbank die zijn zaak behandelt;
- de praktijk van het beperken van bezoeken aan gedetineerden tot één per maand wordt in de
Arrondissementsrechtbank te Radom niet toegepast; eventuele eerdere beperkingen van het aantal bezoeken vonden alleen plaats vanwege het toenmalige epidemiologische risico van COVID-19, dat zich momenteel niet meer voordoet;
- de huizen van bewaring vallen onder de bevoegdheid van de Minister van Justitie, die daar toeziet op de omstandigheden van humane van voorlopige hechtenis.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de antwoorden van de Poolse autoriteiten op de gestelde vragen niet afdoende om de eerder geuite zorgen over het aantal uur per dag op cel en het contact met de buitenwereld in combinatie met de daaraan voorafgaande toestemmingsprocedure en de duur daarvan, zoals van toepassing in het remand regime, weg te nemen.
Dictum
HEROPENT het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd,
teneinde de officier van justitie de onder 4 opgenomen vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
VERLENGT op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van de Overleveringswet uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen;
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de geschorste gevangenhouding van de opgeëiste persoon met 30 dagen;
BEPAALT dat de vordering opnieuw op zitting (of raadkamer) moet worden gepland uiterlijk 14 dagen voor 31 juli 2024, het einde van de verlengde beslistermijn;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman en van een tolk in de Poolse taal.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. A.J.R.M. Vermolen en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 juni 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie artikel 22, vijfde lid, OLW.
Zie artikel 27, derde lid, OLW.
Zie artikel 22, vijfde lid, OLW.
Zie artikel 27, derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2024:1267.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 97.