Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-03-13
ECLI:NL:RBAMS:2024:1880
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,740 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
ÁG913097157100µÈ
G913097157100
Parketnummer: 13/334135-23
Datum uitspraak: 13 maart 2024 (bij vervroeging)
(TUSSEN)UITSPRAAK
op de vordering van 18 december 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 6 juli 2020 door een rechter bij the Circuit Court in Bydgoszcz, III Criminal Division (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] (Polen),
laatst opgegeven woon- of verblijfplaats: [adres] ,
gedetineerd in de [PI] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De eerste behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 februari 2024, maar is toen aangehouden – enerzijds teneinde aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit betreffende de toetsing aan artikel 12 OLW af te wachten en anderzijds om de raadsman in de gelegenheid te stellen aanvullende documenten te verzamelen ten behoeve van zijn gelijkstellingsverweer.
De behandeling van het EAB heeft vervolgens (en laatstelijk) plaatsgevonden op de zitting van 29 februari 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (hierna: OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering op 8 februari 2024 met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB ziet op zowel de tenuitvoerlegging van een vonnis als op een vervolging.
Executie
Het EAB vermeldt een cumulative judgement of the District Court in Świecie van 18 oktober 2018 met referentie II K 430/18.
Dit verzamelvonnis bestaat blijkens het EAB uit de volgende onderliggende vonnissen:
een judgement of the District Court in Tuchola van 22 november 2012 met referentie II K 867/12;
een judgement of the District Court in Tuchola van 17 december 2012 met referentie II K 227/12;
een judgement of the District Court in Świecie VII Local Criminal Division van 10 juni 2013 met referentie VII K 593/13;
een judgement of the District Court in Świecie van 4 september 2013 met referentie II K 627/13.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee keer acht maanden (in totaal zestien maanden), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straffen resteren volgens het EAB nog respectievelijk zes maanden en zeven dagen en zeven maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.
Dit verzamelvonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
Vervolging
Het EAB vermeldt daarnaast een decision of the District Court in Tuchola van 27 april 2020 met referentie II Kp 61/20 / PR 1 Ds. 676.2018.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn eveneens omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het deel van de overlevering dat ziet op de executie van de aan de opgeëiste persoon in Polen opgelegde straf geweigerd dient te worden op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon was niet op de hoogte van de procedure rondom het verzamelvonnis en niet is vast te stellen dat hij zijn verdedigingsrechten niet heeft willen uitoefenen. De raadsman heeft hierbij betrokken dat de adresinstructie waarover wordt gesproken niet geacht kan worden zich uit te strekken tot de procedure rondom het verzamelvonnis. Daar komt bij dat er tussen de onderliggende vonnissen en het verzamelvonnis zes jaar verstreken is.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit volgt dat de aan de opgeëiste persoon gegeven adresinstructie geldt voor alle onderliggende vonnissen en tot aan de executie van de straffen. Daarmee kan ten aanzien van het verzamelvonnis afgezien worden van weigering op grond van artikel 12 OLW. Ook voor wat betreft de onderliggende vonnissen levert artikel 12 OLW geen problemen op.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank toetst allereerst de procedure rondom het verzamelvonnis met referentie II K 430/18 aan artikel 12 OLW. Ten aanzien van deze procedure geldt dat de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het verzamelvonnis heeft geleid, en dat dat vonnis - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit onderdeel d) van het EAB volgt dat geprobeerd is de opgeëiste persoon op te roepen op zijn adres. De oproeping is uiteindelijk achtergelaten bij een postkantoor waar de opgeëiste persoon die had kunnen ophalen. Over deze mogelijkheid is de opgeëiste persoon twee keer geïnformeerd door middel van een schrijven gericht aan zijn adres.
Voorts blijkt uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 29 januari en 21 februari 2024 dat de opgeëiste persoon er gedurende de processen rondom de aan het verzamelvonnis ten grondslag liggende vonnissen op is gewezen dat hij elke adreswijziging moest doorgeven aan de autoriteiten in Polen. Hij is ook niet in het kader van alle onderliggende vonnissen gewezen op de gevolgen van het niet voldoen aan deze zogenoemde adresinstructie. Uit de brief van 21 februari 2024 ten aanzien van het onderliggend vonnis met referentie II K 627/13 blijkt slechts dat in die procedure de adresinstructie zich uitstrekte totdat de aan hem opgelegde straf was tenuitvoergelegd.
Volgens vaste rechtspraak van de rechtbank Amsterdam is een dergelijke adresinstructie in voorkomende gevallen voldoende om af te zien van het weigeren van de overlevering op grond van artikel 12 OLW. In het onderhavige geval doet die situatie zich naar het oordeel van de rechtbank echter niet voor.
Conclusie
Executie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is ten aanzien van het verzamelvonnis met referentie II K 430/18. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd voor het deel van het EAB dat ziet op de overlevering ten behoeve van de executie van de bij het verzamelvonnis opgelegde straffen.
Vervolging
De rechtbank heropent het onderzoek om de reden die hiervoor onder 8 is genoemd.
10Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 2, 5 en 12 van de OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering voor zover het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van de bij het verzamelvonnis met referentie II K 430/18 opgelegde vrijheidsstraffen die zijn opgelegd wegens de in het EAB genoemde feiten I t/m V.
HEROPENT het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd ten aanzien van het deel van het EAB dat strekt tot de vervolging van de opgeëiste persoon (t.a.v. de in het EAB genoemde feiten VI t/m VII).
VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen.
VERLENGT de gevangenhouding voor deze termijn op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALT dat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland na 2 april 2024 maar voor het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 11 april 2024.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen het nader te bepalen tijdstip.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen het nader te bepalen tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. M. Wiewel en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 maart 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Vergelijk onder andere rechtbank Amsterdam 9 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1711.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 1 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3203.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
Inleiding
Niet is gebleken dat aan de opgeëiste persoon in het kader van de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid een adresinstructie is gegeven noch dat de aan de opgeëiste persoon in het kader van de onderliggende vonnissen gegeven adresinstructie ook ziet op de procedure die heeft geleid tot het verzamelvonnis en dat de opgeëiste persoon daarvan op de hoogte kon of moest zijn. Daarbij vindt de rechtbank ook relevant dat er tussen het laatste onderliggende vonnis en het verzamelvonnis vijf jaren zijn verstreken. Uit de aanvullende informatie van 29 januari 2024 blijkt daarnaast dat de procedure rondom het verzamelvonnis ex officio (ambtshalve) is geïnitieerd. Al met al brengt dit met zich mee dat niet vastgesteld kan worden of de opgeëiste persoon wist van de procedure rondom het verzamelvonnis en of hij al dan niet stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten.
Het bovenstaande brengt met zich mee dat de aan het verzamelvonnis ten grondslag liggende vonnissen geen nadere bespreking behoeven in het licht van artikel 12 OLW.
De rechtbank weigert de overlevering voor zover die ziet op de tenuitvoerlegging van het verzamelvonnis met kenmerk II K 430/18.
5Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten waarvoor zij de opgeëiste persoon wenst te vervolgen niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan voor wat betreft een deel van de feiten is voldaan.
Deze feiten leveren naar Nederlands recht op:
feit VI:
poging tot het doen plegen van aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is
feit VII:
overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994
overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
Ten aanzien van feit VIII (het niet betalen van alimentatie) geldt dat dit naar Nederlands recht geen strafbaar feit oplevert, omdat uit het EAB niet blijkt dat het kind door het niet betalen van de alimentatie in een hulpbehoevende situatie terecht is gekomen. De rechtbank ziet echter aanleiding om van weigering op grond van artikel 7 OLW af te zien vanwege het navolgende. Het feit heeft nauwelijks aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde. De verplichting tot het betalen van alimentatie is neergelegd in een Pools vonnis. Daarnaast is het feit begaan door een onderdaan van Polen tegen een andere onderdaan van Polen. Evenmin is sprake van een situatie waarin de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, zoals hierna onder 6 is overwogen, waardoor de straf niet door Nederland wordt overgenomen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een weigering zou leiden tot straffeloosheid. Dit dient naar het oordeel van de rechtbank dan ook te worden voorkomen.
Concluderend staat artikel 7 OLW niet aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg. De rechtbank gaat hiermee voorbij aan het verweer van de raadsman, inhoudende het verzoek om de overlevering voor wat betreft feit VIII te weigeren vanwege de ontbrekende dubbele strafbaarheid.
6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering in de uitvoerende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. De raadsman erkent dat op basis van de aangeleverde stukken niet tot gelijkstelling gekomen kan worden, maar vraagt de rechtbank zijn verzoek met coulance te beoordelen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van het gelijkstellingsverweer geen standpunt ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB;
3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee dus geen duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan de eerste voorwaarde is aldus niet voldaan.
De opgeëiste persoon kan niet gelijkgesteld worden met een Nederlander. De rechtbank ziet dan ook geen reden om een zogeheten terugkeergarantie op te vragen bij de Poolse autoriteiten.
7Evenredigheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering van de opgeëiste persoon een onevenredig bezwarende beslissing is. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon al vanaf 2013 in Nederland is en hier altijd gewoond en gewerkt heeft. Hij is hier geworteld en spreekt vloeiend Nederlands. De feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht dateren daarnaast van lang geleden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van het evenredigheidsverweer geen standpunt ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de zogenaamde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.
Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in het onderhavige geval niet gebleken.