Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-05-15
ECLI:NL:RBAMS:2024:2759
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,189 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/6554
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. F. Wijnveld),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. C.L. Brinks).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de aan hem opgelegde bestuurlijke boete van € 20.500,-.
1.1.
Met het bestreden besluit van 18 november 2020 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het college in redelijkheid de bestuurlijke boete kon opleggen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het college de boete kon opleggen, maar matigt de hoogte van het boetebedrag. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de boete terecht opgelegd?
4. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres 1] [huisnummer 1] (het appartement). Toezichthouders hebben op 7 november 2019 toeristen in het appartement aangetroffen. Deze hebben de woning via Airbnb geboekt. Eiser is niet in het bezit van een vergunning voor vakantieverhuur en stond niet op het appartement ingeschreven in de basisregistratie personen (brp). Het college heeft op 7 mei 2020 een bestuurlijke boete opgelegd wegens het overtreden van artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet.
5. De rechtbank overweegt dat een woning die wordt verhuurd aan en gebruikt door toeristen, niet beschikbaar is voor duurzame bewoning. Daarmee wordt een woning aan de woonruimtevoorraad onttrokken. Dit geldt ook als een woning eenmalig en voor een korte duur aan toeristen wordt verhuurd. Het onttrekken van een woning aan de woonruimtevoorraad is een overtreding van artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet.
6. Het college kan bij overtreding van artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet een boete opleggen. Deze bevoegdheid brengt met zich mee dat het college mag bepalen dat van boeteaflegging wordt afgezien. Het college kan daarbij rekening kan houden met feiten en omstandigheden, zoals bijvoorbeeld die als bedoeld in artikel 3.1.2, vijfde lid, van de Huisvestingsverordening. Het college legt geen boete op voor het onttrekken van een woning aan de woonruimtevoorraad, als (onder andere) de hoofdbewoner de woning als feitelijk hoofdverblijf heeft en ook als zodanig in de basisadministratie staat ingeschreven.
7. Eiser voert aan dat hij in het kader van een zogeheten birdnesting-regeling het appartement heeft gekocht. Eiser heeft minderjarige kinderen die wonen in de woning aan de [adres 2] [huisnummer 2] (het ouderlijk huis). Tussen eiser en de moeder van de kinderen bestaat een co-ouderschapregeling waarbij om de beurt de ene ouder in het appartement verblijft en de andere ouder in het ouderlijk huis. Eiser heeft zich niet ingeschreven in het appartement omdat hij daarmee zijn parkeervergunning op het adres van de ouderlijke woning verliest. Hij heeft wel zijn hoofdverblijf in het appartement.
8. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft vastgesteld dat eiser niet voldoet aan tenminste één van de voorwaarden waaronder het college afziet van het opleggen van een boete. Eiser staat in de brp niet op het adres van het appartement ingeschreven. Dat eiser deze keuze heeft gemaakt in het kader van zijn parkeervergunning, maakt niet dat gevolgen van deze keuze niet voor rekening van eiser komen.
9. Omdat eiser niet in de brp staat ingeschreven en er daarmee geen sprake is van een situatie waarin het college afziet van het opleggen van een boete, komt de rechtbank in dit kader niet toe aan het beantwoorden van de vraag of eiser zijn hoofdverblijf in het appartement had.
10. Het college kon de boete dus in redelijkheid opleggen.
Moet de boete worden gematigd?
11. Eiser voert aan dat de boete ten onrechte niet is gematigd. Er zijn bijzondere omstandigheden die maken dat de vastgestelde boete te hoog is. De ernst van de overtreding is beperkt omdat eiser enkel een formeel vereiste heeft geschonden en deze schending geen overlast heeft veroorzaakt. Eiser voldoet namelijk aan de voorwaarden waaronder het college zou hebben afgezien van het opleggen van een boete, met uitzondering van de inschrijving in de brp. Eiser had zijn hoofdverblijf in de woning, de verhuur had geen bedrijfsmatig karakter en er is sprake van een geringe financiële draagkracht.
12. De rechtbank overweegt als volgt. Omdat de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, dient de hoogte van de boete te worden getoetst aan artikel 5:46, derde lid, van de Awb. Hierin is bepaald dat het bestuursorgaan een lagere bestuurlijke boete oplegt, als de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om een boete te matigen.
13. Het onttrekken van woonruimte aan de woonruimtevoorraad is, gelet op de schaarste en grote druk op de woningmarkt, een ernstige overtreding. Daardoor is een hoge boete, die afschrikt, gepast. Daarmee is niet gezegd dat zich geen bijzondere omstandigheden kunnen voordoen die aanleiding kunnen geven om een boete te matigen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden.
14. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij zijn hoofdverblijf in het appartement heeft. Eiser staat ingeschreven in het ouderlijk huis, verblijft daar in ieder geval ongeveer de helft van zijn tijd met zijn kinderen en hij ontvangt zijn post op dit adres. Daar komt bij dat tijdens het huisbezoek op 7 november 2019 nauwelijks persoonlijke spullen van eiser in het appartement zijn aangetroffen. Dat het appartement essentieel is in de uitvoering van de co-ouderschapregeling en dat de door eiser overgelegde verklaringen ondersteunen dat eiser inderdaad regelmatig in het appartement verblijft, maakt niet dat de rechtbank daaraan de conclusie verbindt dat eiser zijn hoofdverblijf in het appartement heeft.
15. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de boete moet worden gematigd vanwege een geringe financiële draagkracht. Eiser heeft gesteld dat hij de woning meerdere keren heeft verhuurd. De rechtbank kan op basis van de door eiser overgelegde gegevens niet vaststellen hoeveel voordeel eiser heeft genoten uit de overtreding. Ook heeft eiser geen gegevens overgelegd over zijn huidige financiële situatie. Daardoor kan de rechtbank niet beoordelen of de boete onevenredig hoog is.
16. De rechtbank ziet in de overige omstandigheden van dit specifieke geval wel aanleiding om de boete te matigen. De rechtbank begrijpt eiser zo dat de birdnesting-regeling is overeengekomen zodat de kinderen zo min mogelijk veranderingen ervaren als gevolg van de veranderingen in de relatie tussen hun ouders. Eiser is met de moeder van zijn kinderen een co-ouderschapregeling overeengekomen waarbij niet de kinderen wekelijks van huis veranderen, maar de ouders. Eiser houdt daarmee feitelijk niet meer schaarse woningen bezet, dan ieder ander huishouden met kinderen dat op een gegeven moment niet meer samenwoont.
17. Daarnaast volgt uit de stukken niet dat eiser aan meer dan vier personen per nacht onderdak verleende of dat de vakantieverhuur meer dan 30 dagen per jaar plaatsvond. Er zijn geen aanwijzingen van overlast.. Het voornaamste verwijt dat eiser ten aanzien van de vakantieverhuur kan worden gemaakt, is dat hij niet op het adres van het appartement stond ingeschreven. Het college noemt dit inmiddels een administratieve overtreding. Dergelijke overtredingen worden bestraft met een boete van € 3.000,-. De rechtbank acht daarom een boete van € 3.000,- gepast.
Redelijke termijn
18. Eiser voert op zitting aan dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met drieënhalf jaar is overschreden. De boete zou moeten worden gematigd met 25%.
19. De rechtbank overweegt dat bestuurlijke boetes een ‘criminal charge’ zijn en vallen onder het strafrechtelijke deel van artikel 6 EVRM.
Conclusie
24. Het beroep is gegrond omdat het college de boete ten onrechte niet heeft gematigd. Dit betekent de rechtbank het bestreden besluit vernietigt, voor zover de hoogte van de boete op € 20.500,- is gesteld. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72a van de Awb nu zelf een beslissing en stelt de hoogte van de boete op € 3.000,-.
24.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 18 november 2020 voor zover daarin de boete is bepaald op € 20.500;
- herroept het besluit van 7 mei 2020 voor zover daarin de boete is bepaald op € 20.500,-;
- bepaalt de boete op € 3.000,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 2.500,- schadevergoeding aan eiser;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 178,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Segbedzi, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ABRvS 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:317.
Artikel 4.2.2, eerste lid, Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (geldend van 01-01-2019 t/m 31-12-2019, verder Hvv).
ABRvs 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:261.
Artikel 3.1.2, zevende lid, aanhef en onder a Hvv
ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1598.
ABRvs 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3403.
Zie bijlage 3 behorende bij artikel 4.2.1 bij de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.
ABRvS 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2057.
HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191.
De Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014 (nr. 436935), Staatscourant 2014, 20210.