Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-11-02
ECLI:NL:RBAMS:2023:7142
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Op tegenspraak
3,275 tokens
Inleiding
Vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Zaaknummer 10023020 EL 22-81
vonnis van de kantonrechter van 2 november 2023
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces).
tegen
de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [eiser] en Dexia genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 21 juli 2022;
de conclusie van antwoord;
de conclusie van repliek;
de conclusie van dupliek.
1.2.
Hierna is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[naam] (hierna: [naam] ) heeft de volgende leaseovereenkomst (hierna: de overeenkomst) ondertekend met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:
Nr
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[nummer]
05-04-2000
WinstVerDriedubelaar
2.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
04-04-2003
- € 12.402,04
Ja.
2.3.
[eiser] was ten tijde van het aangaan van de overeenkomst gehuwd met [naam] . [eiser] heeft [naam] geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van deze overeenkomst.
2.4.
Bij brief van 8 december 2004 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [eiser] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de overeenkomst als bedoeld in artikel 1:89 BW.
3De vorderingen en het verweer
3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht zal verklaren dat de onderhavige overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd en Dexia zal veroordelen om al hetgeen door contractant krachtens die overeenkomst aan Dexia is betaald, aan [eiser] terug te betalen, vermeerderd met, primair, de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag der door contractant gedane betalingen, of althans subsidiair vanaf de door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan die der voldoening,
Dexia zal veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Dexia betwist de vorderingen van [eiser] . Daartoe stelt zij zich voor zover hier van belang op het standpunt dat [eiser] niet-ontvankelijk is en dat de vordering uit onverschuldigde betaling van [eiser] is verjaard.
3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
Beoordeling
huurkoop en artikel 1:88/1:89 BW
4.1.
Er is sprake van huurkoop. Dit betekent dat [naam] voor het aangaan van elke overeenkomst de schriftelijke toestemming van [eiser] behoefde (HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837 en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3868). Aangezien deze schriftelijke toestemming ontbreekt, had [eiser] de bevoegdheid een beroep te doen op de vernietigbaarheid als bedoeld in artikel 1:88 en 1:89 BW.
4.2.
Tussen [naam] en Dexia is reeds een procedure gevoerd met betrekking tot de vraag of de in geding zijnde overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd op grond van artikel 1:89 BW. Bij tussenvonnis is beslist dat de vernietiging niet tijdig was ingeroepen en de vernietiging aldus geen doel treft. [naam] heeft tegen het eindvonnis van 4 juli 2012 geen beroep ingesteld.
4.3.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:810) beslist dat indien er een eerdere procedure is gevoerd tussen de handelende echtgenoot en de wederpartij, de daarin gedane uitspraak de andere echtgenoot niet bindt. Ook indien in de eerdere procedure onherroepelijk is beslist dat aan de buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de rechtshandeling door de niet handelende echtgenoot geen rechtsgevolg toekomt, kan de niet handelende echtgenoot de vraag of aan die verklaring rechtsgevolg toekomt in een nieuwe procedure aan de orde stellen zonder dat het gezag van gewijsde van de eerdere uitspraak tegen deze echtgenoot kan worden ingeroepen. Een andere uitkomst zou niet stroken met de strekking van artikel 1:88 BW en de onafhankelijke rechtspositie die in artikel 1:89 BW aan de niet handelende echtgenoot is toegekend, aldus de Hoge Raad.Het voorgaande leidt ertoe dat [eiser] – zoals alhier aan de orde - in een nieuwe procedure de buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de rechtshandeling door de niet handelende echtgenoot (het aangaan van de overeenkomst) aan de orde kan stellen.
beroep Dexia op verjaring vordering uit onverschuldigde betaling
4.4.
Dexia stelt dat de door [eiser] ingestelde vordering uit onverschuldigde betaling is verjaard, dat de gemachtigde van [eiser] (hierna Leaseproces) niet gevolmachtigd was om namens [eiser] enige verjaring te stuiten en dat niet (voldoende tijdig) een door [eiser] aan Leaseproces verleende volmacht voor het verrichten van een stuitingshandeling is overgelegd nadat Dexia de vertegenwoordigingsbevoegdheid van Leaseproces uitdrukkelijk had bestreden.
4.5.
[eiser] heeft bovengenoemde stellingen van Dexia gemotiveerd betwist. [eiser] verwijst daarbij naar de brieven van Leaseproces van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 (en de brieven van 20 januari 2017 en 19 oktober 2021: zie productie 11 bij conclusie van repliek) voor al haar cliënten (waaronder [eiser] ) en de eega’s van de betreffende cliënten, waarmee de verjaring van al hun rechten ten aanzien van al hun vorderingen jegens Dexia zijn gestuit. Ook heeft [eiser] een afschrift overgelegd uit de administratie van Leaseproces van de digitaal door [eiser] verleende toestemming/volmacht, die luidt als volgt:
“Ik geef Leaseproces toestemming om de verjaring van de vordering op Dexia te stuiten. Deze toestemming geldt ook voor mijn eventuele partner en/of familieleden.”
4.6.
Met de verwijzing in de brieven naar de eega’s van de personen die op de bij de brieven gevoegde lijsten waren vermeld (zoals [eiser] ) wordt voldaan aan de eisen van een rechtsgeldige stuiting als bedoeld in artikel 3:317 BW. Verder brengt de digitaal verleende toestemming mee dat ervan moet worden uitgegaan dat Leaseproces bevoegd was namens [eiser] de verjaring van de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling te stuiten. Daarnaast heeft Dexia niet terstond, namelijk onmiddellijk na ontvangst van de brief van 24 januari 2012, om bewijs van de volmacht van Leaseproces gevraagd. Daarna kan op artikel 3:71 lid 1 BW geen beroep meer worden gedaan. Voor een nadere onderbouwing van het voorgaande wordt verwezen naar het arrest van het hof Amsterdam van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:3735) en het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:6389, rov. 6.7 tot en met 6.16). Ten slotte is als gevolg van de op het moment van vernietiging van de overeenkomst reeds aanhangige collectieve procedure de verjaring van de restitutievordering gestuit en wel tot zes maanden nadat hof Amsterdam in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard (zie Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en Hoge Raad 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936). Uit het voorgaande volgt dat de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling tijdig is gestuit en dat betekent dat het daartegen gerichte verjaringsverweer van Dexia wordt verworpen.
de vorderingen van [eiser]
4.7.
Het voorgaande betekent dat sprake is van een rechtsgeldige vernietiging.Dexia dient aan [eiser] ter zake van de overeenkomst te betalen al hetgeen [naam] ter zake van de onderhavige overeenkomst aan Dexia heeft betaald, verminderd met al hetgeen [naam] ter zake van deze overeenkomst van Dexia heeft ontvangen, zoals uitgekeerde dividenden, overige uitkeringen, opbrengsten en eventueel een reeds ontvangen (gedeeltelijke) schadevergoeding (exclusief wettelijke rente). De betreffende bedragen blijken uit de door Dexia (meest recent) overgelegde financiële gegevens van de onderhavige overeenkomst. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] voor toewijzing gereed liggen, als na te melden.
4.8.
Dexia heeft de door [eiser] berekende hoofdsom in deze procedure, welke kennelijk gegrond is op de door Dexia verstrekte financiële gegevens, weersproken. Dexia is van mening dat zij ter zake van de onderhavige overeenkomst in 2012 reeds een bedrag van € 1.443,99 vergoed heeft, volgens haar tweederde vergoeding aan netto-inleg, en daarnaast ook een deel aan restschuld ter grootte van € 8.268,03, welke beide nog vermeerderd zijn met de wettelijke rente. [eiser] is kennelijk van mening dat enkel het bedrag van € 8.268,03 als vergoeding van tweederde deel restschuld (exclusief wettelijke rente) in de onderhavige procedure meegenomen moet worden bij de vaststelling van de hoofdsom. Zij heeft verder niet aangevoerd dat de door Dexia vastgestelde gegevens onjuist zouden zijn of dat Dexia niet voldaan heeft aan het vonnis uit 2012. Nu zij dit heeft nagelaten, bestaat geen aanleiding haar nog in de gelegenheid te stellen te reageren op de door Dexia vastgestelde hoofdsom.
4.9.
Dexia wordt gevolgd in haar stellingen. Uit het vonnis van 2012 blijkt dat Dexia op grond van de onderhavige overeenkomst ook een deel aan inleg moest vergoeden. Dat bedrag van € 1.443,99 (exclusief wettelijke rente) moet meegenomen worden bij de berekening van het voor terugbetaling in aanmerking komende bedrag (exclusief wettelijke rente).
wettelijke rente en proceskosten
4.10.
De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim was, zijnde vanaf een termijn van vier weken na de vernietigingsbrief, waarna er immers redelijkerwijs vanuit mocht worden gegaan dat Dexia niet in de vernietiging berustte, zijnde 3 januari 2005.
4.11.
De gevorderde wettelijke rente ter zake van de overeenkomst is toewijsbaar als volgt.
4.11.1.
Dexia is vanaf bovengenoemde ingangsdatum wettelijke rente verschuldigd over het saldo van hetgeen aan Dexia is betaald minus hetgeen van Dexia is ontvangen.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de overeenkomst met nummer [nummer] is vernietigd,
5.2.
veroordeelt Dexia om aan [eiser] ter zake de overeenkomst te betalen hetgeen Dexia op grond van de hiervoor in rov. 4.10 bedoelde berekening verschuldigd is,
5.3.
veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente die Dexia verschuldigd is ter zake de hiervoor genoemde overeenkomst op grond van hetgeen hiervoor is overwogen in rov. 4.13 en verder,
5.4.
veroordeelt Dexia in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op: a. kosten dagvaarding € 125,03
b. griffierecht € 86,00
c. salaris gemachtigde € 528,00,
5.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A. Swildens, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.