Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-09-05
ECLI:NL:RBAMS:2023:5753
Strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,015 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/184872-23 (EAB II)
Datum uitspraak: 5 september 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 3 augustus 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 juli 2023 door the Pécs Regional Court (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Hongarrije) op [geboortedag] 1997,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] .
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Drent, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Hongaarse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een Judgement No. 11.B.63/2022/5 of the District Court of Pécs, final and binding on 03 November 2022 by Decision No. 2.Bf.124/2022/2 of the Pécs Regional Court, reference: 11.8.63/2022/5, 2.Bf.124/2022/2.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis en arrest.
Deze beslissingen betreffen de feiten zoals omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunten
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van dit artikel zich niet voordoet aangezien de opgeëiste persoon zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is vertegenwoordigd door een gemachtigde raadsman zodat de overlevering kan worden toegestaan.
De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over artikel 12 OLW.
Oordeel van de rechtbank
Uit het EAB in combinatie met de aanvullende informatie van de Hongaarse autoriteiten van 3 augustus 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet is verschenen maar in beide instanties is verdedigd door een door de opgeëiste persoon gemachtigde raadsman die het hoger beroep heeft ingesteld. Uit het laatste volgt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces in hoger beroep. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat in het midden kan blijven welke van de twee procedures aan artikel 12 OLW moet worden getoetst nu zich de situatie van artikel 12 onder b OLW voor beide procedures voordoet en de weigeringsgrond van artikel 12 OLW op beide procedures niet van toepassing is.
5Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 14 , te weten:
14. Moord en doodslag, zware mishandeling.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
Standpunt raadsvrouw
Uit de rapportage van the Hungarian Helsinki Committee van 13 januari 2021 blijkt dat voor personen die deel uitmaken van de Roma bevolking waaronder de opgeëiste persoon een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) in Hongaarse detentie-instellingen. Op grond van de in de rapportage vermelde objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens dient dan ook krachtens artikel 11 OLW primair geen gevolg aan het EAB te worden gegeven. Subsidiair dient de behandeling van de zaak te worden aangehouden om een nog op te maken CPT-rapport (European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or
Punishment) af te wachten naar aanleiding van de op 16 en 26 mei 2023 door het CPT afgelegde bezoeken aan Hongaarse detentie instellingen.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie vindt dat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg staat, nu niet is aangetoond dat in Hongaarse detentie-instellingen een algemeen gevaar bestaat op schending van artikel 4 Handvest ten aanzien van personen met een Roma afkomst.
De officier van justitie ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden omdat uitgegaan moet worden van de op dit moment beschikbare gegevens.
Oordeel van de rechtbank
Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat, alvorens een individueel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling kan worden aangenomen, een algemeen gevaar van een schending van dit recht moet worden vastgesteld.
De werkwijze voor het vaststellen van een dergelijk algemeen gevaar is als volgt:
“Hiertoe dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich allereerst te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen.”
Nu de rechtbank geen concrete aanwijzingen heeft voor een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden in gevangenissen in Hongarije – niet van gedetineerden in het algemeen noch van gedetineerden die tot de Roma behoren in het bijzonder -, kan de rechtbank geen algemeen gevaar van schending van artikel 4 Handvest vaststellen.
De door de raadsvrouw ingebrachte rapportage maakt dit niet anders nu op pagina 3 van het rapport expliciet staat vermeld dat de onderzoeksbevindingen niet representatief zijn en gelet hierop kunnen de in het rapport vermelde gegevens niet als objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens worden aangemerkt.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank ook niet toe aan een beoordeling van het individuele gevaar voor de opgeëiste persoon van een dergelijke schending. Het verweer slaagt niet.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van een nog op te maken CPT-rapport aangezien de rechtbank uitgaat van de op dit moment beschikbare gegevens.
7Artikel 11 OLW: het recht op een eerlijk proces
Standpunt raadsvrouw
De raadsvrouw stelt dat nu de opgeëiste persoon deel uitmaakt van de Roma bevolking hij mogelijk na zijn overlevering geen eerlijk proces zal krijgen in Hongarije en derhalve dat zijn grondrecht in de zin van artikel 47 Handvest op een eerlijk proces in de kern zal worden aantast. Primair dient op deze grond de overlevering te worden geweigerd en subsidiair dient de behandeling van de zaak te worden aangehouden om nadere informatie bij de Hongaarse autoriteiten op te vragen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de opgeëiste persoon onvoldoende heeft onderbouwd dat hij een reëel gevaar loopt om geen eerlijk proces te krijgen en ziet geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwijst in dit kader naar haar uitspraak van 17 oktober 2019, waarin zij heeft geoordeeld dat er sprake is van structurele en fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Hongarije betreft, maar dat deze gebreken de rechterlijke instanties in Hongarije niet dusdanig in gevaar brengen, dat hierdoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de zin van artikel 47 Handvest in de kern wordt aangetast.
Nog daargelaten dat ten aanzien van Hongarije geen algemeen gevaar in de hiervoor bedoelde zin is vastgesteld, overweegt de rechtbank ten overvloede als volgt.
De verdediging heeft ter onderbouwing van haar verweer geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens aangevoerd om aan te kunnen nemen dat er ten aanzien van verdachten die tot de Roma behoren een algemeen reëel gevaar bestaat dat hun grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en dat daarom hun grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast. Zoals de rechtbank reeds hiervoor heeft overwogen, is de door de raadsvrouw ingebrachte rapportage hiervoor onvoldoende aangezien in het rapport expliciet staat vermeld dat de onderzoeksbevindingen niet representatief zijn, waardoor de in het rapport vermelde gegevens niet als objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens kunnen worden aangemerkt.
Dit betekent dat het verweer niet slaagt. Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding op verzoek van de raadsvrouw de behandeling van de zaak aan te houden.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Pécs Regional Court (Hongarije) voor de feiten zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. B. van Galen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 september 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, gevoegde zaken C404/15 en C659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198
Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, gevoegde zaken C‑404/15 en C‑659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198, rechtsoverweging 89.
ECLI:NL:RBAMS:2019:7758.