Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-06-07
ECLI:NL:RBAMS:2023:3442
Bestuursrecht, Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,893 tokens
Inleiding
RECHTBANK Amsterdam
Team handel
Zaaknummer: C/13/728790 / HA ZA 23/096
Vonnis van 7 juni 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
COLLIN B.V., te Venlo,
eiseres,
advocaat: mr. P.J.T. Austen te Valkenburg aan de Geul,
tegen
1 [gedaagde 1] , te [woonplaats] ,
en2. [gedaagde 2], te [plaats] ,
gedaagden,
advocaat: mr. J.S. de Gram te Den Haag,
Partijen worden hierna genoemd: ‘Collin’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden gezamenlijk ‘gedaagden’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 juni 2021, met producties, die is geregistreerd onder nummer C/13/703647 / HA ZA 21/585;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- het tussenvonnis van 27 oktober 2021 in waarin een mondelinge behandeling is gelast;
- het eenstemmig verzoek van 7 februari 2022 tot doorhaling van de zaak;
- het verzoek van Collin van 11 mei 2022 om de doorgehaalde zaak weer op te brengen, waarna de zaak is geregistreerd onder nummer C/13/717158 / HA ZA 22/374,
- de brief van de rechtbank van 24 mei 2022, waarin een nieuwe datum voor een mondelinge behandeling is bepaald,
- het eenstemmig verzoek van 12 oktober 2022 tot doorhaling van de zaak,
- het verzoek van Collin van 1 februari 2023 om de doorgehaalde zaak weer op te brengen, waarna de zaak is geregistreerd onder nummer C/13/728790 / HA ZA 23/96,
- de brief van de rechtbank van 13 februari 2023, waarin een nieuwe datum voor een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 april 2023, met de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
De kern van de zaak
2.1.
Collin heeft uit hoofde van een samenwerkingsovereenkomst een opeisbare vordering van in hoofdsom groot € 274.753,00 op Jezz Management B.V. (hierna: ‘Jezz’), een vennootschap waarvan de echtgenoot van [gedaagde 1] , de heer [naam 1] (hierna: ‘ [naam 1] ’), middellijk bestuurder is. [naam 1] en zijn holdingmaatschappij [holding 1] (hierna gezamenlijk met Jezz te noemen: ‘ [bedrijven] ’) hebben zich beide voor deze vordering borg gesteld. Alle drie de partijen zijn op 30 juni 2020 in kort geding hoofdelijk veroordeeld om de vordering aan Collin te voldoen. In 2020 is een bedrag van in totaal € 26.000,00 aan Collin voldaan. De vordering is verder oninbaar gebleken. [naam 1] is in 2022 persoonlijk failliet verklaard, welk faillissement in 2023 bij gebrek aan baten is opgeheven.
2.2.
[gedaagde 1] heeft op 30 oktober 2020 als enig eigenaar en bestuurder [gedaagde 2] opgericht. In september 2021 heeft zij ook nog [holding 2] opgericht, die vervolgens [bedrijf 1] (hierna: ‘ [bedrijf 1] ’) heeft opgericht.
2.3.
In deze procedure spreekt Collin gedaagden aan op grond van onrechtmatige daad, omdat zij onrechtmatig zouden handelen jegens Collin door te profiteren van het feit dat [naam 1] en zijn vennootschappen de vordering van Collin onbetaald laten. Collin vordert het gehele bedrag dat [bedrijven] nog aan haar verschuldigd zijn nu van gedaagden, met rente. Na dagvaarding is in totaal nog € 7.500,00 aan Collin betaald.
2.4.
De rechtbank kan nog geen eindbeslissing nemen over de vordering. Zij zal gedaagden gebieden om nadere stukken in het geding te brengen.
Grondslag van de vordering
2.5.
Collin baseert haar vordering op het bepaalde in artikel 6:162 BW. Zij stelt dat gedaagden onrechtmatig hebben geprofiteerd van de wanprestatie van [bedrijven] , te weten het onbetaald laten van de vordering van Collin. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het profiteren van een wanprestatie op zichzelf tegenover de derde niet onrechtmatig. Van onrechtmatigheid is pas sprake als (in dit geval) gedaagden wisten of behoorden te weten dat [bedrijven] wanprestatie pleegt tegenover Collin, en bovendien sprake is van bijkomende omstandigheden. Het profiteren van de wanprestatie bestaat er volgens Collin uit dat gedaagden actief geld buiten bereik van de schuldeisers van [naam 1] houden.
2.6.
Bij de bespreking van de verschillende verwijten van Collin aan gedaagden gaat de rechtbank ervan uit dat gedaagden wetenschap hadden van de vordering van Collin op [bedrijven] Dat wordt namelijk onder randnummer 5 onder a van de conclusie van antwoord erkend, met de toelichting dat dit ook logisch is, omdat [gedaagde 1] en [naam 1] nou eenmaal getrouwd zijn. De rechtbank rekent die wetenschap ook toe aan [gedaagde 2] , omdat [gedaagde 1] enig bestuurder van die vennootschap is. Daarmee neemt de rechtbank ook aan dat gedaagden wetenschap hadden van de wanprestatie van [bedrijven] Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] nog de echtheid van enkele handtekeningen betwist en aangevoerd dat zij voor medio 2021 geen kennis had van de vordering van Collin op [bedrijven] [gedaagde 1] wordt daarin gezien de erkenning en de toelichting in de conclusie van antwoord niet gevolgd.
2.7.
Omdat uit het vonnis van 30 juni 2020 tussen Collin en [bedrijven] blijkt dat [bedrijven] op 16 maart 2020 in gebreke zijn gesteld en er vervolgens geen betaling aan Collin heeft plaatsgevonden, neemt de rechtbank aan dat vanaf 23 maart 2020 daadwerkelijk sprake was van de wanprestatie van [bedrijven] [gedaagde 1] was vanaf dit moment ook op de hoogte hiervan en [gedaagde 2] vanaf de datum van haar oprichting op 30 oktober 2020. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een eerdere datum, omdat Collin niet heeft gespecificeerd welke facturen wanneer opeisbaar waren. Dit betekent dat pas vanaf 23 maart 2020, dan wel 30 oktober 2020 sprake heeft kunnen zijn van enig profiteren de wanprestatie van [bedrijven]
Geen sprake van profiteren van de wanprestatie door [gedaagde 1] m.b.t. salaris uit Jezz, aanschaf luxegoederen en onverklaarbare uitgaven
2.8.
In haar akte van 11 april 2023 licht Collin onder andere toe dat uit het rapport van de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ‘ILT’) blijkt dat [gedaagde 1] in de periode januari 2019 tot en met februari 2020 ten onrechte een salaris uit Jezz heeft genoten. Hierdoor heeft zij voor een bedrag van € 24.956,81 geprofiteerd van de wanprestatie van [bedrijven] aldus Collin. Daarnaast heeft Collin veelvuldig verwezen naar andere constateringen uit het ILT-rapport, waaronder onverklaarbare contante uitgaven en het aantreffen van waardevolle goederen in de woning van [naam 1] en [gedaagde 1] . De salarisbetalingen en de overige omstandigheden kunnen echter niet leiden tot de conclusie dat [gedaagde 1] heet geprofiteerd van de wanprestatie. De aangehaalde constateringen uit het ILT-rapport zien namelijk op de periode voorafgaand aan 23 maart 2020. Voorafgaand aan die datum was er nog geen sprake van wanprestatie van [bedrijven]
Geen sprake van profiteren van de wanprestatie door [gedaagde 1] m.b.t. Audi en Jaguar
2.9.
In de dagvaarding stelt Collin daarnaast dat het niet rijmt dat [naam 1] ondanks zijn wanprestatie ‘zichtbaar een leuk leven heeft’, wat zij onderbouwt met een foto van dure auto’s op de parkeerplaats bij [gedaagde 2] . Aangezien deze niet in eigendom zijn van [bedrijven] stelt Collin dat deze aan een van de gedaagden moeten toebehoren.
2.10.
Collin wordt in zijn stellingen niet gevolgd voor zover deze zien op de Audi Q8 en de Jaguar op de foto. Gedaagden betwisten dat deze auto’s van hen zijn. De Audi is volgens gedaagden van de buurman op het bedrijventerrein. Dit wordt door Collin betwist, maar het is volgens de algemene regel van artikel 150 Rv aan Collin om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de Audi eigendom is gedaagden. Dit heeft zij nagelaten. Het enkele feit dat de auto op het openbare parkeerterrein bij het bedrijfspand van [gedaagde 2] staat, wil nog niet zeggen dat die auto eigendom is van een van de gedaagden en zodoende aan de schuldeisers van [naam 1] wordt onttrokken. Collin heeft daarom onvoldoende gesteld dat de Audi aan gedaagden toebehoort.
2.11.
Gedaagden hebben daarnaast hun betwisting van eigendom van de Jaguar onderbouwd met verwijzing naar een leaseovereenkomst van Jezz met LFH Lease en een bijbehorende factuur. De leaseovereenkomst wordt wederom door Collin betwist, maar opnieuw is het aan haar om voldoende te stellen en zo nodig te bewijzen dat de Jaguar van gedaagden is. Gezien de onderbouwde betwisting van gedaagden, heeft Collin dat wederom onvoldoende gedaan.
Profiteren van wanprestatie wel het geval m.b.t. de eerste Porsche en de Panamera
2.12.
Dat is anders als het gaat om de Porsches. [gedaagde 1] heeft namelijk erkend dat de Porsche Panamera met kenteken [kenteken] (hierna te noemen: ‘Panamera’) haar eigendom was en een kentekenbewijs overgelegd waaruit blijkt dat de Panamera sinds januari 2021 op haar naam staat. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam 1] daarnaast verklaard dat hij een eerder aangekochte Porsche als huwelijksgift aan [gedaagde 1] heeft geschonken. Het om niet verkrijgen van de eerste Porsche bij het huwelijk in 2019 door [gedaagde 1] geldt echter nog niet als profiteren van de wanprestatie, omdat er op dat moment nog geen sprake was van een wanprestatie van [bedrijven]
2.13.
[naam 1] heeft verder toegelicht dat die eerste Porsche bij de inval door de ILT in beslag was genomen door het Openbaar Ministerie.
Dictum
De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 21 juni 2023 voor het nemen van een akte door gedaagden voor het overleggen van de aankoopfactuur van de Panamera uit januari 2021 en voor het overleggen van de eerste tien facturen (met opvolgende nummering) van [gedaagde 2] en [bedrijf 1] van elk van de jaren 2020 tot en met 2023,
3.2.
bepaalt dat Collin vervolgens op de rol van 4 weken daarna bij akte haar standpunt dat [naam 1] [gedaagde 2] en [bedrijf 1] feitelijk bestuurt, nader kan onderbouwen, waarop gedaagden op een termijn van 4 weken kunnen reageren,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg, rechter, bijgestaan door mr. K.L. Klokke, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2023.
Vonnis van 30 juni 2020 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RBLIM:2020:4725 en herstelvonnis van 29 juli 2020, niet gepubliceerd.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 17 mei 1985, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:1985:AG5024.
Beoordeling
Uit het dossier blijkt dat die inval op 20 augustus 2019 was. [naam 1] heeft verder verklaard dat hij, althans Jezz, acht à negen maanden later de auto voor [gedaagde 1] heeft teruggekocht voor € 35.000,00. Dit terugkopen heeft dus plaatsgevonden na 23 maart 2020. Er is dus na de wanprestatie een aanzienlijk bedrag van [naam 1] , dan wel Jezz, ten goede gekomen aan [gedaagde 1] . Zij heeft hierdoor geprofiteerd van de wanprestatie van [bedrijven]
2.14.
[naam 1] heeft op de mondelinge behandeling verder verklaard dat hij de eerste Porsche in 2021 voor [gedaagde 1] heeft ingeruild voor de Panamera, met bijbetaling van € 12.000,00 uit het vermogen van Jezz. Jezz, dan wel [naam 1] , heeft dus na de wanprestatie nog een aanzienlijk bedrag voldaan om de Panamera voor [gedaagde 1] te kopen. Ook in die situatie heeft [gedaagde 1] dus geprofiteerd van de wanprestatie van [bedrijven] tegenover Collin.
2.15.
Deze uitgaven van [bedrijven] ten behoeve van [gedaagde 1] hebben ertoe geleid dat er aanzienlijk vermogen van [bedrijven] is onttrokken, dat daarmee buiten het bereik van diens schuldeisers is gekomen. Bovendien heeft [gedaagde 1] geen tegensprestatie geleverd voor de Porsche en de Panamera, maar deze om niet verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee ook sprake van bijkomende omstandigheden om het vastgestelde profiteren van de wanprestatie onrechtmatig tegenover Collin te maken. Dat betekent dat [gedaagde 1] daarom de schade die Collin door dat handelen lijdt dient te vergoeden.
2.16.
Collin stelt dat haar schade € 90.000,00 bedraagt, aangezien de Panamera een cataloguswaarde van € 164.065,00 heeft. [naam 1] moet dan in januari 2021 minimaal € 90.000,00 voor de Panamera hebben betaald, aldus Collin.
2.17.
Voor het overige begrijpt de rechtbank de stellingen van Collin zo dat de eerste Porsche kennelijk zo’n € 35.000,00 waard was, gelet op de aankoopprijs van € 52.000,00 in 2019 en het bedrag waarvoor [naam 1] , althans Jezz, deze van het OM heeft teruggekocht. Dat zou dan volgens Collin betekenen dat [naam 1] , althans Jezz bovenop de inruil van de eerste Porsche minimaal een bedrag van € 55.000,00 voor de Panamera moet hebben betaald. Dit wordt aan de zijde van [gedaagde 1] betwist, aangezien [naam 1] aanvoert dat in 2021 na inruil van de eerste Porsche slechts € 12.000,00 is bijbetaald. De rechtbank kan hierover nog geen beslissing nemen. Omdat dit debat pas tijdens de mondelinge behandeling voldoende is gevoerd, en omdat gedaagden de door Collin gestelde cataloguswaarde niet hebben betwist, worden gedaagden met toepassing van artikel 22 Rv opgedragen om hun betwisting te onderbouwen. De rechtbank draagt gedaagden op om de aankoopfactuur van de Panamera uit 2021 in het geding te brengen. Als gedaagden nalaten deze factuur in te brengen, zal de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.
De rechtbank kan nog niet concluderen dat sprake is van een schijnconstructie
2.18.
De belangrijkste verwijten van Collin hebben verder betrekking op de verschillende vennootschappen waarbij [gedaagde 1] betrokken is, in het bijzonder als bestuurder van [gedaagde 2] en indirect bestuurder van [bedrijf 1] . Volgens Collin is er sprake van een schijnconstructie, omdat [naam 1] feitelijk de zaakvoerder is van deze vennootschappen. Gedaagden profiteren via deze weg van de wanprestatie van [bedrijven] Samengevat onderbouwt Collin dat als volgt:
[naam 1] heeft al meerdere vennootschappen gehad die hij heeft laten failleren en zo berokkent hij schade toe aan zijn schuldeisers;
[naam 1] tracht zijn persoonlijke aansprakelijkheid voor ontstane schulden te ontlopen;
[gedaagde 1] heeft in augustus 2019 verklaard dat ze sinds ze is gaan samenwonen met [naam 1] nooit meer heeft gewerkt;
[gedaagde 2] is enkel opgericht om de schuldeisers van [bedrijven] buiten de deur te houden. Het startkapitaal voor [gedaagde 2] kan ook alleen maar afkomstig zijn van geld van [naam 1] ;
Tijdens het bedrijfsbezoek van Collin op 4 maart 2021 bij [gedaagde 2] voerde alleen [naam 1] namens deze vennootschap het woord;
[naam 1] handelde op hetzelfde moment als [gedaagde 2] met zijn eigen vennootschap in mondkapjes;
Op de Facebook-pagina van [bedrijf 1] staat het mobiele nummer van [naam 1] /Jezz vermeld en [naam 1] is functionaris gegevensbescherming bij [bedrijf 1] .
Collin heeft op de mondelinge behandeling verzocht om nog een incident te mogen opwerpen om op grond van artikel 843a Rv inzage te krijgen in facturen van beide vennootschappen. Met die facturen zou zij vervolgens de contractanten kunnen benaderen om te verifiëren of [gedaagde 1] daadwerkelijk de bedrijven voert of dat [naam 1] dat doet.
2.19.
Op basis van de stellingen van Collin kan de rechtbank nog niet concluderen dat [naam 1] feitelijk [gedaagde 2] en [bedrijf 1] bestuurt en dat daarom sprake is van een schijnconstructie. Dat [naam 1] eerder vennootschappen heeft gehad die failliet zijn verklaard, betekent namelijk nog niet dat hij ook eerder schijnconstructies heeft gebruikt, noch dat daarvan in deze situatie sprake is. Daarnaast baseert Collin zich voor de stelling dat [naam 1] zijn persoonlijke aansprakelijkheid voor schulden probeert te ontlopen enkel op vermoedens uit het ILT-rapport. Dat rapport bevat echter geen concrete informatie over schijnconstructies of over [gedaagde 2] en [bedrijf 1] . Ook dit rapport is dus onvoldoende om te oordelen dat [naam 1] feitelijk genoemde bedrijven bestuurt.
2.20.
Ook de verklaringen van [gedaagde 1] in augustus 2019 en maart 2020 kunnen deze conclusie niet dragen. Haar verklaring in 2019 dat ze nooit meer heeft gewerkt sinds haar samenwoning met [naam 1] zegt namelijk niets over haar rol in de vennootschappen die ze eind 2020 en eind 2021 heeft opgericht. Datzelfde geldt voor haar verklaring in maart 2020 dat ze ‘alleen ondersteunende werkzaamheden’ verrichtte in vennootschappen van [naam 1] .
2.21.
Verder heeft Collin haar stellingen over de oprichting van [gedaagde 2] niet onderbouwd, zodat de rechtbank niet kan vaststellen dat [gedaagde 2] is opgericht met het enige doel om de verhaalsmogelijkheden van de schuldeisers van [bedrijven] te frustreren en daarnaast is opgericht met het vermogen van [bedrijven] Ook de stellingen over het bedrijfsbezoek van Collin zijn onvoldoende om de schijnconstructie aan te nemen. Gedaagden hebben namelijk betwist dat [naam 1] tijdens dat gesprek namens [gedaagde 2] optrad. Volgens gedaagden wilde Collin juist specifiek [naam 1] spreken, omdat hij en zijn vennootschappen een schuld hebben aan Collin en niet gedaagden. Omdat [bedrijf 2] , een nieuwe onderneming van [naam 1] , op hetzelfde adres gevestigd is als [gedaagde 2] , was het logisch dat [naam 1] op datzelfde bedrijfsadres aanwezig was, aldus gedaagden. Collin heeft haar stellingen tegenover deze gemotiveerde betwisting onvoldoende toegelicht, zodat de rechtbank niet kan aannemen dat [naam 1] tijdens deze bespreking namens [gedaagde 2] optrad.
2.22.
Collin heeft daarbij nog wel vraagtekens gezet achter de noodzaak van de oprichting van [gedaagde 2] naast [bedrijf 2] . Beide vennootschappen handelden immers in mondkapjes. Omdat beide vennootschappen in dezelfde markt actief waren, concludeert Collin dat [naam 1] hierbij (ook) actief was voor [gedaagde 2] . Dat wordt door gedaagden betwist. Voor de rechtbank is van belang dat [bedrijf 2] al in oktober 2019 was opgericht maar in elk geval in april 2021 nog actief was naast [gedaagde 2] . Dat blijkt uit een factuur die gedaagden hebben overgelegd.