Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-09-23
ECLI:NL:RBAMS:2022:6115
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,693 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/659125-17 (ontnemingsvordering)
Datum uitspraak: 23 september 2022 (aanstonds uitspraak)
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/659125-17, tegen:
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
ingeschreven in Basisregistratie Personen op het adres [adres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 23 september 2022.
De rechtbank heeft onder meer kennisgenomen van:
het vonnis in de strafzaak van 1 mei 2019;
de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van 14 april 2021;
het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van een kasopstelling (ex artikel 36e 2e lid (de rechtbank leest: 3e) Sr)” van 12 juni 2019 (inclusief bijlagen), opgemaakt door [naam brigadier], brigadier, Senior Tactische Opsporing, werkzaam bij de Eenheid Amsterdam, Dienst Regionale Recherche afdeling FINEC;
de Conclusie van Antwoord van 29 juli 2021;
de Conclusie van Repliek van 27 augustus 2021;
de e-mail van de raadsman van 24 september 2021.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van wat de officier van justitie mr. L. Bertels, en de raadsman van de betrokkene mr. V.A. van Biljouw naar voren heeft gebracht.
2De vordering
De vordering van het Openbaar Ministerie van 14 april 2021 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan de betrokkene opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 50.344,49.
3De grondslag van de vordering
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 mei 2019 ter zake van de volgende strafbare feiten veroordeeld:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod; en
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.
Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.
De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht.
4Het wederrechtelijk verkregen voordeel
4.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de betrokkene zich op het standpunt stelt dat hij geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en de vordering zou moeten worden afgewezen dan wel drastisch gematigd zou moeten worden. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Uit de verklaring van de betrokkene die hij heeft afgelegd op de terechtzitting van het hof Amsterdam van 7 september 2020 kan worden opgemaakt dat de betrokkene als katvanger heeft gefungeerd en dat hij stellig ontkent de cocaïne aanwezig te hebben gehad, laat staan dat hij deze cocaïne daadwerkelijk zou hebben aangekocht voor een exorbitant bedrag van € 3.535.000,-. Dat geldt ook voor het contant voldane aankoopbedrag van de Opel Vivaro van € 14.999,- en de huursom van € 4.100,-, aangezien de betrokkene namens een ander heeft betaald. De betrokkene verbleef niet in de woning en het voertuig was niet daadwerkelijk van hem. De contante stortingen op de bankrekening kunnen vervolgens ook bezwaarlijk als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt.
4.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft samengevat het volgende naar voren gebracht. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend op basis van een zogenaamde kasopstelling. Uit de kasopstelling blijkt dat de betrokkene € 50.344,49 meer heeft uitgegeven dan hij gezien zijn legale inkomsten zou kunnen doen. In haar conclusie van antwoord stelt de verdediging kort samengevat dat de betrokkene als katvanger gebruikt is. Het verweer van de betrokkene kan niet overtuigen, aangezien hij verzuimt een nadere verklaring te geven voor de – in het licht van de stellingname dat hij zich helemaal niet met de handel in cocaïne bezig heeft gehouden – dan dus onverklaarbare inkomsten, die uit de voornoemde kasopstelling naar voren komen.
4.3.
Beoordeling
Artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht houdt onder meer in dat op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten.
De rechtbank stelt het volgende voorop.
1. De rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet oordelen, is gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak. De rechter die op deze vordering moet oordelen, komt nochtans een zelfstandig oordeel toe ten aanzien van alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat.
2. Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan plaatsvinden op grond van artikel 36e, derde lid, Sr, als – kort samengevat – aannemelijk is dat het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Anders dan het tweede lid stelt het derde lid van artikel 36e Sr niet de eis dat die ‘andere strafbare feiten’ door de betrokkene zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de betrokkene uit die strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
3. De methode van kasopstelling is een toelaatbare grondslag voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij een kasopstelling wordt vastgesteld of de betrokkene in een bepaalde periode meer heeft uitgegeven dan kan worden verklaard met legale inkomsten. Daartoe wordt eerst het legale beginsaldo van de betrokkene vastgesteld, waarbij de legale ontvangsten worden opgeteld. Hiervan wordt vervolgens het eindsaldo over de in aanmerking te nemen periode afgetrokken. Het bedrag dat daaruit voortvloeit wordt geacht (legaal) beschikbaar te zijn geweest voor het doen van uitgaven. Wordt een hoger bedrag aan daadwerkelijk gedane uitgaven vastgesteld, dan kan het verschil als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt. Indien het verschil negatief is, is sprake van contante ontvangsten met een onbekende herkomst waarmee de contante uitgaven zijn gedaan. Een negatieve kas is immers niet mogelijk: men kan niet meer uitgeven dan men fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft, tenzij sprake is van een andere, onbekende (illegale) inkomstenbron. Als voorwaarden gelden dat het (a) moet gaan om een beredeneerde kasopstelling die is gebaseerd op wettige bewijsmiddelen (bijvoorbeeld een rapport dat door een daartoe gekwalificeerd persoon is opgemaakt in het kader van een ingesteld strafrechtelijk financieel onderzoek), alsmede dat (b) de betrokkene de gelegenheid is geboden om – zo nodig door bescheiden gestaafd – tegenover de rechter aannemelijk te doen worden dat en waarom de door middel van die methode vastgestelde onverklaarde ontvangsten niet of niet geheel hun oorsprong vinden in feiten als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht dan wel anderszins niet kunnen gelden als voordeel in de zin van die bepaling.
4. In ontnemingsprocedures geldt een ‘redelijke bewijslastverdeling’ en van de betrokkene mag worden gevergd dat hij concreet en gemotiveerd aanvoert dat en waarom de aannames en/of de berekeningsmethode van het Openbaar Ministerie onjuist zijn. Wanneer een veroordeelde de stellingen van het Openbaar Ministerie niet kan weerleggen omdat de administratie onvoldoende nauwkeurig is vastgelegd, is dat het risico van de betrokkene en kan dat het Openbaar Ministerie niet worden tegengeworpen. Uiteindelijk moet de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op basis van wettige bewijsmiddelen. Het gaat er daarbij om dat het voordeel aannemelijk is geworden.
De betrokkene is in de hoofdzaak onder meer veroordeeld wegens het op 31 januari 2017 opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod (vervoeren van ongeveer een kilo cocaïne). Dit betreft een misdrijf waarvoor krachtens artikel 10, vierde lid van de Opiumwet een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Dit feit kan dus als grondslag dienen voor het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel “indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen”. Dat dit feit op zichzelf geen voordeel heeft opgeleverd, doet hier niet aan af. Het voordeel kan ook uit andere strafbare feiten afkomstig zijn. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat aan die uitgaven een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.
In het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van een kasopstelling” van 12 juni 2019 (inclusief bijlagen), opgemaakt door [naam brigadier], brigadier, Senior Tactische Opsporing, werkzaam bij de Eenheid Amsterdam, Dienst Regionale Recherche afdeling FINEC staat zakelijk weergegeven onder meer het volgende:
In het strafrechtelijk onderzoek naar de betrokkene is geen zicht verkregen op alle individuele transacties / strafrechtelijke activiteiten en de daarmee samenhangende opbrengsten. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is er daarom voor gekozen om een eenvoudige kasopstelling te vervaardigen. De onderzoeksperiode betreft 1 januari 2016 tot en met 1 maart 2017. Uit de bankafschriften van de rekeningen van betrokkene bleek dat er in december 2015 contante geldbedragen zijn opgenomen vanaf deze bankrekeningen. Omdat ervan wordt uitgegaan dat iemand geld van zijn bankrekening opneemt als zijn portemonnee leeg is, is het beginsaldo (legale) contanten van de betrokkene daarom op € 0,- gesteld.
Beginsaldo contant geld € 0,00-
+/+ Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen € 8.055,50-
-/- Eindsaldo contant geld € 0,00-
Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 8.055,50-
-/- Werkelijk contante uitgaven inclusief bankstortingen € 58.399,99-
Verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel) € 50.344,49
Werkelijke contante uitgaven (€ 58.399,99)
Deze post is opgebouwd uit:
Contante stortingen bankrekeningen (€ 4.300)
Contante betaling aankoop Opel Vivaro [kenteken] (€ 14.999,99)
Contante betaling huur [straatnaam] (€ 4.100)
Contante betaling aankoop cocaïne (€ 35.000)
De rechtbank is op grond van het rapport, dat wat betreft de hoogte van de daarin genoemde bedragen door de betrokkene niet is weersproken, van oordeel dat aannemelijk is dat bepaalde strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen en dat daarom ook kan worden vermoed dat uitgaven die de betrokkene in een periode voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf heeft gedaan, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen. De rechtbank schat het wederrechtelijk op basis van het rapport op € 50.344,49.
5. De redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 50.344,49.
Legt op aan de betrokkene, [betrokkene], de verplichting tot betaling van € 45.344,49 (vijfenveertigduizend driehonderdvierenveertig euro en negenenveertig cent) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 906 (negenhonderdzes) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mr. R.A. Sipkens en mr. C. van Eck, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 september 2022.
De jongste rechter is buiten staat
dit vonnis te ondertekenen.
HR 1 juni 2021 ECLI:NL:HR:2021:789 met verwijzing naar HR 8 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1501.
HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414, NJ 2017/151.
HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3569.
Hoge Raad 15 juni 2022. ECLI:NL:HR:2002:AD8950, NJ 2003/97 met verwijzing naar Kamerstukken II (MvT) 1989/90, 21 504, nr. 3, blz. 14-15.
Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.