Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-04-15
ECLI:NL:RBAMS:2022:1954
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,613 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/4504
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , te Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. A.F. van de Ven),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: JG. Kramer).
Procesverloop
Met het besluit van 24 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het aan eiseres toegekende voorschot aan uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) definitief berekend op een bedrag van € 1.216,02 aan teveel ontvangen voorschot voor de periode 1 september 2020 tot en met 30 november 2020.
Met het besluit van 26 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2022.
Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1.1.
Eiseres was laatstelijk werkzaam als vakleerkracht voor gemiddeld 17,01 uur per week. Op 30 augustus 2018 meldde eiseres zich ziek voor dit werk. Met een formulier van 6 juni 2020 heeft eiseres bij verweerder een WIA-uitkering aangevraagd.
1.2.
Verweerder heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft op 11 september 2020 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vastgesteld, waarna de arbeidsdeskundige op basis hiervan functies heeft geduid. Uit zijn rapport van 22 september 2020 blijkt dat eiseres door de arbeidsdeskundige voor 44,91% arbeidsongeschikt wordt geacht.
1.3.
Met een besluit van 23 september 2020 heeft verweerder aan eiseres vanaf 1 september 2020 een voorschot van € 1.158,19 per maand aan WIA-uitkering toegekend.
1.4.
Met het primaire besluit heeft verweerder het aan eiseres toegekende voorschot aan WIA-uitkering definitief berekend en een bedrag van € 1.216,02 aan teveel ontvangen voorschot van eiseres teruggevorderd voor de periode 1 september 2020 tot en met 30 november 2020.
1.5.
Met een besluit van 6 april 2021 heeft verweerder het bedrag van € 1.216,02 aan teveel ontvangen voorschot van eiseres ingevorderd.
1.6.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Standpunt van eiseres
2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat er reden is voor een terugvordering in de omvang zoals door verweerder aangegeven. Volgens eiseres is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd, omdat er geen onderbouwing wordt gegeven waarom is afgeweken van de gegevens in Suwinet. Verder is de berekening van de terugvordering onvoldoende concreet. Een terugvordering moet correct en duidelijk zijn, waarbij geen sprake mag zijn van ‘in grote lijnen’.
Beoordeling
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder de berekening van de terugvordering heeft gebaseerd op enerzijds de loonstroken van eiseres’ werkgevers en anderzijds op de gegevens zoals deze blijken uit Suwinet. Specifiek is verweerder voor de maanden september, oktober en november 2020 uitgegaan van het SV-loon van eiseres zoals uit de loonstroken van eiseres’ werkgevers blijkt en heeft verweerder zich wat betreft de opbouw van de vakantietoeslag en het extra periodiek loon (eindejaarsuitkering) gebaseerd op de gegevens uit Suwinet. Verweerder heeft gemotiveerd dat tot deze manier van berekenen is overgegaan, omdat eiseres’ werkgevers een te laag (en soms zelfs negatief) SV-loon voor de maanden september, oktober en november 2020 hadden opgegeven, waardoor niet van de gegevens uit Suwinet kon worden uitgegaan. Dit kon volgens verweerder wel bij de opbouw van de vakantietoeslag en het extra periodiek loon (eindejaarsuitkering), omdat hier de opgave door eiseres’ werkgevers in Suwinet in grote lijnen aansluit bij wat vermeld wordt op de loonspecificaties.
4. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat verweerder mag uitgaan van de gegevens zoals die zijn vastgelegd in de polisadministratie (Suwinet), tenzij eiseres aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet heeft aangetoond dat de door verweerder gebruikte gegevens die zien op de opbouw van de vakantietoeslag en het extra periodiek loon (eindejaarsuitkering) onjuist zijn. Wat betreft het deel van de berekening van de terugvordering waarbij verweerder zich niet op de gegevens uit Suwinet heeft gebaseerd, maar op de gegevens zoals deze blijken uit de loonstroken van eiseres’ werkgevers, is de rechtbank van oordeel dat eiseres ook hier niet heeft aangetoond dat deze gegevens onjuist zijn. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom hij zich op deze gegevens heeft gebaseerd. De rechtbank ziet daarom, gelet op wat eiseres heeft aangevoerd, geen aanleiding om de berekening van de terugvordering onjuist te achten.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, rechter, in aanwezigheid van mr. L.H.J. van Haarlem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2022.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2789, en van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1531.