Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-15
ECLI:NL:RBAMS:2025:3192
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,317 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/7174
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde eiser] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
( [gemachtigde verweerder] ).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de herziening van zijn toeslag per 1 juli 2024 op grond van de Toeslagenwet.
Met het primaire besluit van 23 augustus 2024 heeft verweerder de toeslag van eiser per 1 juli 2024 herzien naar € 3,90 per dag. Met het bestreden besluit van 7 november 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2025. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De totstandkoming van de besluiten
1. Eiser ontvangt met ingang van 21 oktober 2023 een Ziektewetuitkering van zijn (voormalig) werkgever ODIN WINKELS B.V. in hoedanigheid van eigenrisicodrager. Eiser ontvangt daarnaast een toeslag als aanvulling op het ziekengeld. Verder heeft eiser geen ander inkomen. Het recht op en de hoogte van de toeslag is dus enkel afhankelijk van het ziekengeld en sociaal minimum.
2. Met het primaire besluit heeft verweerder de toeslag van eiser per 1 juli 2024 herzien naar € 3,90 per dag. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Volgens verweerder wordt bij de berekening van de hoogte van de toeslag uitgegaan van het ziekengeld dat eiser ontvangt van zijn (voormalig) werkgever. Verweerder rekent daarbij niet met het brutosalaris, maar met het sociaal verzekeringsloon (het SV-loon). Uit de gegevens die verweerder van eiser zijn (voormalig) werkgever heeft ontvangen, volgt dat eisers SV-loon over de maand juli 2024 € 331,65 hoger was dan in de maand daarvoor.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of het besluit van verweerder tot herziening van de toeslag in rechte standhoudt aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Eiser voert aan dat hij niet begrijpt waarom zijn toeslag in een jaar tijd meermaals is gewijzigd. Verweerder heeft toegelicht dat de toeslag van eiser is vastgesteld aan de hand van de gegevens die zij krijgen van zijn (voormalig) werkgever. Deze gegevens worden vastgelegd in de polisadministratie. Verweerder heeft een overzicht overgelegd waaruit blijkt dat eiser in de maand juli 2024 meer ziekengeld van zijn (voormalig) werkgever heeft ontvangen dan in de maand juni 2024. Verweerder heeft daarom de toeslag van eiser voor de maand juli verlaagd. Aangezien de (voormalig) werkgever van eiser in de maand augustus weer minder ziekengeld heeft uitbetaald, heeft verweerder vervolgens de toeslag in augustus weer verhoogd. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat verweerder mag uitgaan van de gegevens zoals die zijn vastgelegd in de polisadministratie, tenzij eiser aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. Eiser heeft niet met bijvoorbeeld loonstroken of bankafschriften aangetoond dat de bedragen in de polisadministratie voor de maand juli 2024 onjuist zijn. Verweerder heeft dan ook niet aan de gegevens uit de polisadministratie hoeven te twijfelen.
6. Verweerder heeft verder toegelicht dat indien eiser vragen heeft over de hoogte van het ziekengeld en waarom dit periodiek fluctueert, hij zich dan kan richten tot zijn voormalig werkgever. Als hieruit blijkt dat verweerder onjuiste gegevens heeft gehanteerd kan hij vervolgens bij verweerder vragen om een herziening.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder op goede gronden de toeslag van eiser voor de maand juli 2024 heeft herzien. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2025.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2789, en van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1531.