Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2021-04-12
ECLI:NL:RBAMS:2021:1611
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,369 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 8922823 CV EXPL 20-22328
vonnis van: 12 april 2021
fno.: 393
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
de besloten vennootschap Kedin Consumenten Financieringen B.V.
gevestigd te Rotterdam
eiseres
gemachtigde: Legalsteps
t e g e n
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde
niet verschenen
Procesverloop
Bij exploot van dagvaarding van 19 oktober 2020 heeft eiseres gevorderd dat gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 118,80 met nevenvordering(en), één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven.
Gedaagde heeft niet (tijdig) geantwoord en evenmin uitstel gevraagd, zodat tegen deze verstek is verleend.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
Vordering
4. Eiseres stelt bij dagvaarding – kort samengevat voor zover van belang – het volgende:
5. Partijen hebben buiten verkoopruimte een kredietovereenkomst gesloten voor een bedrag van € 118,80. Op grond van de overeenkomst dient gedaagde gedurende 24 maanden een bedrag van € 4,95 af te lossen aan eiseres. Op de kredietovereenkomst zijn kredietvoorwaarden van toepassing.
6. Het betreft een krediet zonder rente en zonder kosten, zodat op grond van artikel 7:58 lid 2 onder e BW titel 7:2A BW niet van toepassing is en titel 7:2 BW grotendeels niet van toepassing is, aldus eiseres.
7. Voor totstandkoming van de overeenkomst wordt de kredietwaardigheid van de aanvrager beoordeeld. Gedaagde heeft de financiële gegevens aan eiseres verstrekt. Gedaagde heeft het Europees standaardinformatie formulier inzake consumenten-krediet (hierna: ESIC) ontvangen.
8. Gedaagde heeft een achterstand in betaling van de termijnbedragen laten ontstaan. Ondanks aanmaningen en ingebrekestelling is gedaagde niet overgegaan tot betaling. Eiseres heeft op 19 juli 2017 op grond van de algemene voorwaarden het openstaande saldo van het krediet opgeëist.
9. Op grond van artikel 7 sub 1 van de kredietvoorwaarden maakt eiseres aanspraak op de wettelijke rente.
10. Eiseres legt – voor zover van belang – de volgende producties over:
- a. de krediet overeenkomst d.d. 4 april 2017:
- b. de algemene voorwaarden, waarin in artikel 7. Tekortkoming lid 1 is bedongen:in geval van niet of niet-tijdige betaling is Kredietnemer de wettelijke rente (...) verschuldigd over deze vervallen en niet betaalde termijn, vanaf het tijdstip dat Kredietnemer de maandelijkse termijn oorspronkelijk had dienen te betalen (…)Na de datum van algehele opeising is Kredietnemer de wettelijke rente (...) niet alleen verschuldigd over vervallen en niet betaalde maandelijkse termijnen, maar over het gehele uitstaande saldo.
- c. het ESIC, waarin in artikel 3. Kosten van het krediet is opgenomen: Kosten in geval van betalingsachterstand: voor wanbetaling wordt u 0,00 aangerekend.
- d. een aanmaning zonder datum of adres, waarin onder meer staat: Helaas hebben wij uw betaling tot op heden niet (volledig) ontvangen.(…) Inmiddels is eventueel verschuldigde vertragingsrente ook bij u in rekening gebracht, zoals aangegeven in onze vorige brief.
- e. een kopie van een mail of brief zonder datum of adres waarin het gehele kredietsaldo vervroegd wordt opgeëist.
Gronden van de beslissing
11. Eiseres vordert betaling van € 118,80 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten.
11. Gedaagde is een consument, althans wordt vermoed consument te zijn.
11. Eiseres stelt dat partijen een kredietovereenkomst zonder rente of kosten overeen zijn gekomen.
krediet
14. Op grond van artikel 7:58 lid 2 onder e BW zijn de bepalingen van titel 7:2A BW niet van toepassing indien er geen rente of kosten of slechts onbetekenende kosten in rekening worden gebracht.
kosten van het krediet
15. Op grond van artikel 7:57:lid 1 onder g BW wordt onder “totale kosten van het krediet” voor de consument verstaan: alle kosten die de consument moet maken voor een consumptief krediet, bijvoorbeeld de rente, commissielonen, administratiekosten, vergoedingen voor bemiddelaars en de kosten voor nevendiensten die een consument verplicht in combinatie met het krediet moet afnemen, waaronder verzekerings-premies, bijbehorende assurantiebelasting en de kosten voor betaalmiddelen waarmee kredietopnemingen kunnen worden verricht.
15. De naam die aan de kosten wordt gegeven is daarbij naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant, het gaat er om of de kosten samenhangen met het krediet en de verschuldigdheid van deze kosten onderdeel uit maakten van het kredietaanbod.Uit rechtspraak van het Europese Hof van Justitie volgt dat de Uniewetgever, om een uitgebreide bescherming van de consumenten te waarborgen, in artikel 3, onder g), van de richtlijn consumentenkrediet het begrip „totale kosten van het krediet voor de consument” bijzonder ruim omschrijft, zie in die zin arresten van SIA Sohogroup, 16 juli 2020,C-686/19, Mikrokasa, C-779/18, 26 maart 2020, Matei, 26 februari 2015 C-143/13, EU:C:2015:127, punt 48; Verein für Konsumenteninformation, 8 december 2016, C-127/15, EU:C:2016:934, punt 35, en Lexitor,11 september 2019 C-383/18,U:C:2019:702, punt 23. Hieruit blijkt dat het begrip totale kosten van het krediet ziet op: vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn. Het omvat zowel de kosten in verband met de kredietverkrijging als die in verband met het gebruik ervan in de tijd. Alleen notariskosten vallen expliciet buiten de definitie van totale kosten.
15. Dit begrip is, rekening houdend met de doelstellingen van de richtlijn, zo ruim dat het ook de invorderingskosten omvat die een kredietnemer moet betalen wanneer hij niet aan zijn verplichtingen krachtens de kredietovereenkomst voldoet.Dit houdt in dat de door eiseres bedongen en bij gedaagde in rekening gebrachte niet-nakomingskosten, namelijk de bedongen rente, tot de kosten van het krediet moeten worden gerekend.
18. Dit betekent dat het door eiseres aangeboden krediet niet kosteloos is. De bedongen rente die in rekening is gebracht is naar het oordeel van de kantonrechter zowel in absolute als in relatieve zin ook niet als onbetekenende kosten aan te merken. Dat deze bij aanmaning in rekening gebrachte kosten vervolgens bij dagvaarding niet worden gevorderd, maakt dat niet anders.
18. Voorts blijkt uit de voorwaarden dat eiseres een pandrecht op alle vorderingen tot vergoeding van deze telefoon heeft bedongen, maar eiseres licht dat niet toe.
consumentenkrediet
20. Nu het onderhavige krediet niet valt onder de in artikel 7:58 lid 2 sub e BW genoemde uitzondering, zijn de bepalingen van titel 7:2A BW op deze overeenkomst van toepassing. Tevens zijn de bepalingen van titel 7:2B BW van toepassing.
(Pre)contractuele informatieverplichtingen
21. De door eiseres toegelichte wijze van contracteren voldoet naar het oordeel van de kantonrechter niet volledig aan de wettelijke vereisten van een kredietovereenkomst.
21. Dat gedaagde geruime tijd voordat hij aan de overeenkomst werd gebonden op duidelijke en begrijpelijk wijze is geïnformeerd over de in artikel 7:60 BW opgenomen informatieverplichtingen is niet gesteld en blijkt ook niet uit de overgelegde producties.
21. Bovendien heeft eiseres gedaagde voordat hij gebonden was aan de onderhavige overeenkomst onjuist geïnformeerd. Uit het hierboven onder 10.c genoemde artikel van het ESIC-formulier staat immers dat voor wanbetaling geen kosten worden aangerekend. Maar uit de algemene voorwaarden genaamd: aflopend consumenten-krediet zonder rente en kosten, blijkt dat eiseres in artikel 7 kosten bij niet tijdige betaling heeft bedongen, namelijk rente over de vervallen en niet betaalde termijnen. Het verstrekken van onjuiste informatie met betrekking tot de kosten van het krediet is op grond van artikel 6:193j lid 3 BW een oneerlijke handelspraktijk.
21. Eiseres stelt weliswaar dat zij de kredietwaardigheid van gedaagde voor de totstandkoming van de kredietovereenkomst heeft getoetst en dat gedaagde financiële gegevens heeft verstrekt, maar zij licht dat niet toe.
21.
Dictum
De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rolzitting van 10 mei 2021 voor het indienen door eisende partij van een akte als boven overwogen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door mr. C.W. Inden, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier
De kantonrechter
HvJ EU 8 december 2016, C-127/15 en conclusie Advocaat-Generaal ECLI:EU:C:2016:584 punt 41.