Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2020-06-09
ECLI:NL:RBAMS:2020:2875
Strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,206 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751062-20
RK nummer: 20/877
Datum uitspraak: 29 mei 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 februari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 januari 2020 door de Sofia District Prosecutor’s Office (Bulgarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Algerije) op [geboortedatum] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 mei 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Arabische (Algerijnse) taal. De opgeëiste persoon is via telehoren gehoord vanuit [detentieplaats] .
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. De rechtbank verwijst naar de beslissing van het Gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:729) waarin is geoordeeld dat het mogelijk is om iemand langer dan de 90 dagentermijn gedetineerd te houden.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een enforceable judgment van 15 oktober 2018 betreffende een sentence as per General Nature Criminal Case No. 4608/2016 of the Sofia District Court (referentienummer: II 1406/2018).
Uit het EAB en de aanvullende brief van 18 mei 2020 blijkt het volgende.
De opgeëiste persoon is op 27 september 2013 door the Sofia District Court veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaren (16779/2013).
De opgeëiste persoon is op 11 juli 2017 door the Sofia District Court veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden (4608/2016). Hierbij is tevens de hiervoor genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaar omgezet in een onvoorwaardelijke. Dit vonnis is gehandhaafd door the Sofia City Court op 15 oktober 2018 (3819/2018).
De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaren en 3 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2 jaren, 1 maand en 28 dagen, bij brief van 28 februari 2020 gecorrigeerd tot een straf van 2 jaren, 1 maand en 12 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
4.1
Inhoud van de stukken
Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt het volgende.
De opgeëiste persoon was in persoon aanwezig bij de terechtzitting die heeft geleid tot het vonnis uit 2013.
De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de terechtzittingen die in 2017 tot het vonnis in eerste aanleg en in 2018 tot de uitspraak in hoger beroep hebben geleid. De opgeëiste persoon werd in eerste aanleg en in hoger beroep vertegenwoordigd door een van overheidswege toegewezen advocaat. Uit de aan de rechtbank ter beschikking gestelde informatie blijkt niet of deze advocaat door de opgeëiste persoon gemachtigd was.
4.2
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat de Bulgaarse autoriteiten driemaal is verzocht om het door de officier van justitie verstuurde formulier met betrekking tot artikel 12 OLW in te vullen maar dat dit telkens is nagelaten. De overlevering is daarom niet toelaatbaar.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht de zaak aan te houden om de Bulgaarse autoriteiten nogmaals de kans te geven de formulieren in te vullen.
4.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het vonnis uit 2013 niet hoeft te worden getoetst aan artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon is aanwezig geweest bij de zitting in 2013. De omzetting van die straf hoeft niet te worden getoetst aan artikel 12 OLW. Het is niet duidelijk wat de reden is geweest om de straf om te zetten. Er is geen weigeringsgrond van toepassing voor het vonnis uit 2013.
De opgeëiste persoon is niet aanwezig geweest bij de zittingen die hebben geleid tot de uitspraken in 2017 en 2018. Uit het EAB volgt niet dat de toegevoegde advocaat gemachtigd was. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon een onvoorwaardelijke verzetgarantie heeft op grond van artikel 423 van de Bulgaarse Criminal Procedure Code. Weliswaar staat in artikel 423 juncto artikel 254 van de Bulgaarse Criminal Procedure Code dat verzet niet mogelijk is indien de verdachte na aanvang van het proces niet verschijnt, maar dat is in deze casus niet aan de orde, omdat de opgeëiste persoon is gevlucht vóórdat de dagvaarding in hoger beroep was uitgebracht. De verzetgarantie is in het geval van de opgeëiste persoon dan ook te lezen als onvoorwaardelijk. Ook hier is de weigeringsgrond uit artikel 12 OLW niet van toepassing. Beide vonnissen doorstaan de toets van artikel 12 OLW. De overlevering kan worden toegestaan.
Indien de rechtbank een belemmering ziet in het vonnis uit 2018 kunnen de zaken worden gesplitst en kan de beslissing uit 2013 worden toegestaan.
4.4
Oordeel van de rechtbank
Zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), is de beslissing inzake de tenuitvoerlegging van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf, waarbij die beslissing niet de aard of maat van die straf wijzigt, niet onderworpen aan artikel 4 bis lid 1 Kaderbesluit 2002/584 (r.o. 77) maar houdt die uitlegging echter geenszins in dat de lidstaten zouden zijn ontslagen van hun verplichting om de grondrechten en fundamentele rechtsbeginselen als neergelegd in artikel 6 Verdrag betreffende de Europese Unie te eerbiedigen, daaronder begrepen de rechten van de verdediging van de personen tegen wie een strafprocedure loopt of van de verplichting om die rechten in beginsel te doen eerbiedigen door hun rechterlijke autoriteiten (r.o. 89 e,v,).
Uit de brief van de Bulgaarse autoriteiten van 16 maart 2020 blijkt dat de opgeëiste persoon de voorwaarden verbonden aan de in 2013 voorwaardelijk opgelegde straf heeft overtreden door het plegen van een nieuw strafbaar feit.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Sofia District Prosecutor’s Office (Bulgarije).
HEFT de overleveringsdetentie op.
Aldus gedaan door
mr. H.J. Fehmers, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en M.T.C. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 29 mei 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.