Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2019-07-11
ECLI:NL:RBAMS:2019:5000
Internationaal publiekrecht, Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,032 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751151-19
RK nummer: 19/1438
Datum uitspraak: 9 juli 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1 maart 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 augustus 2017 door de Staatsanwaltschaft Osnabrück (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit anderen hoofde gedetineerd in het [penitentiaire inrichting] te [plaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
Zitting 18 april 2019
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 april 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Arabische (Marokkaanse) taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst tot 17 mei 2019 om nadere informatie in te winnen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Zitting 17 mei 2019
Op 17 mei 2019 heeft de rechtbank, met toestemming van partijen, het onderzoek in gewijzigde samenstelling voortgezet.Gehoord zijn de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw. De opgeëiste persoon is wederom bijgestaan door een tolk in de Arabische (Marokkaanse) taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij ook die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Wat betreft de overleveringsdetentie en hetgeen daarover is bepaald in artikel 22, vierde lid, OLW heeft de rechtbank de beslissing gevolgd van het Gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:729) en de detentie niet geschorst na ommekomst van de in artikel 22 OLW genoemde termijnen, gelet op het vluchtgevaar dat naar het oordeel van de rechtbank dermate groot is dat het niet door het stellen van voorwaarden kan worden ingeperkt.
Arrest 27 mei 2019
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) heeft bij arrest van 27 mei 2019 in de zaken C-508/18 (zaak OG) en C-82/19 PPU (zaak PI) de vragen beantwoord van de Ierse Supreme Court en de Ierse High Court, of het openbaar ministerie in Lübeck en het openbaar ministerie in Zwickau in Duitsland rechterlijke autoriteiten zijn als bedoeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten.
Naar aanleiding van dit arrest heeft de rechtbank ambtshalve bij beslissing van 28 mei 2019 de overleveringsdetentie opgeheven.
31 mei 2019 tussenuitspraak
Op 31 mei 2019 heeft de rechtbank bij tussenuitspraak het op 17 mei 2019 gesloten onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de raadsvrouw en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om zich over voornoemd arrest uit te laten in de onderhavige zaak.
Zitting 9 juli 2019
Op 9 juli 2019 heeft de rechtbank, met toestemming van partijen, het onderzoek in gewijzigde samenstelling voortgezet. Gehoord zijn de officier van justitie mr. R. Vorrink, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw. De opgeëiste persoon is ook deze keer bijgestaan door een tolk in de Arabische (Marokkaanse) taal. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon opnieuw onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een
aanhoudingsbevel ten tenuitvoerlegging, uitgevaardigd door de Staatsanwaltschaft Osnabrück, gedateerd 11 augustus 2017, zaaksnummer 212 Js 17547/16 VRsen van een
vonnis, op 3 november 2016 gewezen door het Amtsgericht Osnabrück, referentie: 252 Ls (212 Js 17547/16) 348/16, waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van 188 dagen voorlopige hechtenis.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Het vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4Bevoegdheid tot uitvaardiging van het EAB
Het EAB is uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie Osnabrück.
Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 27 mei 2019 in de zaken C-508/18 (zaak OG) en C-82/19 PPU (zaak PI) – en in het bijzonder de rechtsoverwegingen 88 tot en met 90 – waarbij het HvJ EU de vragen van de Ierse rechters heeft beantwoord, of het Openbaar Ministerie in Lübeck en het Openbaar Ministerie in Zwickau, beide in Duitsland, rechterlijke autoriteiten zijn als bedoeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, staat nu vast dat:
het onderhavige EAB niet is uitgevaardigd door een ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en dus niet door een ‘justitiële autoriteit’ in de zin van artikel 1, aanhef en onder i, OLW en artikel 5 OLW;
het onderhavige EAB niet een ‘rechterlijke beslissing’ in de zin van artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ is en dus niet een beslissing van een justitiële autoriteit in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, OLW.
Onder verwijzing naar haar uitspraak van 1 december 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:9311) overweegt de rechtbank dat dit ertoe leidt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van dit EAB. Die vordering heeft immers geen betrekking op een door een rechterlijke/justitiële autoriteit uitgevaardigde rechterlijke/justitiële beslissing.
Dictum
VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van dit EAB.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en N.M. van Waterschoot, rechters,
in tegenwoordigheid van L.C Werkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 9 juli 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.