Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2020-05-08
ECLI:NL:RBAMS:2020:2535
Strafrecht
Beschikking
2,342 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
RK: 19/6297
Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager]
geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats],
wonende op het adres [adres 1],
woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,
mr. M.P.M. Balemans,
[adres 2],
klager, niet zijnde de beslagene.
1Procesgang
Het klaagschrift is op 8 november 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
In verband met de coronacrisis heeft de geplande zitting op 25 maart 2020 niet plaatsgevonden. Zowel de officier van justitie als de raadsman van klager hebben per e-mail aangegeven dat een behandeling van het bezwaarschrift zonder zitting kan plaatsvinden en dat volstaan kan worden met een uitwisseling van schriftelijke standpunten.
De rechtbank heeft op 25 maart en 2 april 2020 per e-mail de standpunten van de officier van justitie en de raadsman van klager ontvangen. Op 9, 16 en 24 april 2020 heeft de rechtbank een nadere toelichting op de standpunten van de officier van justitie en de raadsman van klager ontvangen
2Inhoud van het klaagschrift
Het klaagschrift strekt tot teruggave van het bij [persoon] (hierna: [persoon]) in beslag genomen horloge van het merk Rolex (goednummer: 5810974).
De raadsman heeft per e-mail van 2 april 2020 ter aanvulling van het klaagschrift het volgende aangevoerd. Klager stelt dat hij eigenaar is van het horloge en dat [persoon] het horloge van hem had geleend.
Klager heeft het horloge eind augustus 2019 in Marbella gekocht voor een fictief bedrag van € 29.000,-. Het betrof een gedeeltelijke ruil waarbij klager zijn toenmalige Rolex horloge met bijbetaling van € 11.000,- heeft geruild voor het horloge in kwestie. De persoon bij wie klager het horloge heeft gekocht is geen juwelier en er is geen aankoopbon. Klager beschikt wel over het certificaat, waarvan een kopie als bijlage aan de toelichting is gevoegd. Klager heeft als gevolg van een ernstig ongeluk schadevergoeding ontvangen van € 223.750,-. Het horloge is bekostigd vanuit dit bedrag. Klager heeft verklaard wat zijn maandelijkse inkomsten zijn en dat hij geld achter de hand heeft. Verder heeft klager al in een vroeg stadium kenbaar gemaakt dat hij eigenaar is van het horloge en [persoon] heeft op 17 december 2019 verklaard dat hij het horloge heeft geleend. Er is verder geen onderzoek gedaan naar de financiële positie van klager.
Op 7 november 2019 is namens klager het verzoekschrift ingediend. Tussentijds is [persoon] vervolgd voor witwassen van onder andere het horloge in kwestie. Hiervan is klager niet op de hoogte gesteld. Op 24 maart 2020 is [persoon] veroordeeld en is het horloge verbeurd verklaard. Deze gang van zaken is hoogst ongelukkig. Sterker nog het heeft geen pas, de officier van justitie was op de hoogte van deze zitting en had dat aan de raadsman van klager moeten mededelen.
De raadsman heeft primair namens klager de rechtbank verzocht om de zaak te behandelen alsof er nog geen uitspraak is geweest in de zaak [persoon] en tot gegrondverklaring van beklag te komen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de zaak door te sturen naar het gerechtshof met het advies dit per omgaande op dezelfde wijze als de rechtbank in behandeling te nemen. [persoon] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Het Hof zal naar klager aanneemt deze verbeurdverklaring vernietigen en de bewaring van het horloge van de rechthebbende gelasten.
Op 16 april 2020 heeft de raadsman van klager aangegeven dat klager persisteert bij het ingenomen standpunt.
3Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard dat klager primair niet-ontvankelijk in zijn klaagschrift moet worden verklaard, nu er aldus een nog niet onherroepelijk vonnis is waarin dit horloge verbeurd is verklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard, nu onder meer klager geen eigendomsbewijs heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij de eigenaar van het horloge is, nu uit het bij de politie bekende financiële positie van klager geen inkomsten- en/of vermogenspositie is gebleken die past bij de waarde van het horloge en er te veel vragen met betrekking tot het horloge onbeantwoord zijn gebleven. Zonder nadere informatie acht het Openbaar Ministerie het onaannemelijk dat klager eigenaar is van het in beslag genomen horloge en zal het beklag ongegrond moeten worden verklaard.
Op 24 april 2020 heeft de officier van justitie aangegeven dat het Openbaar Ministerie persisteert bij het eerder ingenomen standpunt.
Beoordeling
Uit de stukken is het volgende gebleken.
Op 18 september 2019 is op de voet van artikel 94 Sv voornoemd horloge in beslag genomen onder [persoon]. Tegen [persoon] werd een witwasonderzoek gestart.
Op 8 november 2019 heeft klager een klaagschrift ingediend.
Op 10 maart 2020 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank de strafzaak tegen [persoon] behandeld.
Op 24 maart 2020 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank [persoon] veroordeeld voor onder meer witwassen van onder andere het horloge in kwestie en heeft naast een strafoplegging de verbeurdverklaring van het horloge bevolen. Dit vonnis is niet onherroepelijk.
De behandeling van het klaagschrift van klager stond gepland op de rekestenzitting van 25 maart 2020.
Opmerking vooraf
Vooropgesteld wordt dat de gang van zaken met betrekking tot de planning van het klaagschrift minst genomen ongelukkig kan worden genoemd. Het had in de rede gelegen dit klaagschrift te behandelen voorafgaand aan de behandeling van de strafzaak op 10 maart 2020 tegen [persoon]. Zou dit om wat voor reden niet mogelijk zijn gebleken, had het klaagschrift op 10 maart 2020 tegelijkertijd met of aansluitend aan voornoemde strafzaak behandeld kunnen worden.
Als gevolg van de hiervoor geschetste gang van zaken ziet de rechtbank die nu moet oordelen over het door klager ingestelde beklag, zich geconfronteerd met de situatie dat reeds is beslist ten aanzien van het beslag, zij het dat het vonnis waarin dit is beslist (nog) niet onherroepelijk is.
Ontvankelijkheid
Het klaagschrift is ingediend op de voet van artikel 552a Sv. Dat reeds (niet onherroepelijk) op het beslag is beslist maakt niet dat klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag. Klager is dus ontvankelijk in zijn beklag.
Belang van strafvordering
Opheffing en teruggave van het beslag is slechts mogelijk indien het belang van strafvordering zich hiertegen niet verzet. Van een belang van strafvordering is sprake wanneer een van de gronden voor inbeslagname, zoals genoemd in artikel 94 Sv, zich voordoet. De mogelijke verbeurdverklaring van een voorwerp is een van die gronden. Deze grond doet zich in de onderhavige zaak voor, nu de rechtbank het horloge bij vonnis van 10 maart 2020 heeft verbeurdverklaard. Gelet op het voorgaande staat het belang van strafvordering aan teruggave in de weg en zal de rechtbank het klaagschrift ingesteld ex artikel 552a Sv ongegrond verklaren.
Klaagschrift ex artikel 552b Sv?
De rechtbank heeft zich ambtshalve de vraag gesteld of het op de voet van artikel 552a Sv ingediende klaagschrift moet worden opgevat als een klaagschrift ex artikel 552b Sv, op grond waarvan een belanghebbende, zijnde een ander dan verdachte of veroordeelde kan klagen over de verbeurdverklaring van hem toekomende voorwerpen.
Een klaagschrift op de voet van artikel 552b Sv kan echter eerst worden ingediend nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden. Het vonnis van de rechtbank waarbij de verbeurdverklaring van het horloge is uitgesproken is (nog) niet uitvoerbaar, nu daartegen hoger beroep is ingesteld. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het op de voet van artikel 552a Sv ingediende klaagschrift niet behoeft te worden opgevat als een klaagschrift als bedoeld in artikel 552b Sv (vgl. de conclusie van A-G Spronken bij HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1063).
Dictum
De rechtbank komt tot de volgende beslissing.
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 8 mei 2020 door
mr. L. Dolfing, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,
in te stellen bij de griffie van deze rechtbank,
binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.