Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-02-10
ECLI:NL:PHR:2026:161
Strafrecht
2,006 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:PHR:2026:161 text/xml public 2026-03-31T12:45:36 2026-02-09 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-02-10 25/01759 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:498 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:161 text/html public 2026-03-31T11:38:59 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:161 Parket bij de Hoge Raad , 10-02-2026 / 25/01759 . PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/01759 B Zitting 10 februari 2026 CONCLUSIE P.M. Frielink In de zaak [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, hierna: de klager 1 Het cassatieberoep 1.1 De klager is bij beschikking van 22 april 2025 (RK-nummer 25-008865) door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, niet-ontvankelijk verklaard in zijn op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van een onder zijn zoon in beslag genomen personenauto, te weten een Volkswagen Golf met het [kenteken] . 1.2 Het cassatieberoep is op 29 april 2025 ingesteld namens de verdachte. C.W.J. Faber, advocaat in Eindhoven, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beklag. 1.3 Deze conclusie strekt ertoe dat de klager niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep. 2 De ontvankelijkheid van het cassatieberoep Het verloop van de zaak 2.1 Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen. 2.2 Op 13 maart 2024 is onder de zoon van de klager in verband met een verdenking van (meermalen) overtreding van art. 5 en 5a WVW 1994 op grond van art. 94 Sv de in randnr. 1.1 genoemde auto in beslag genomen. 2.3 Op 21 maart 2024 is namens de klager een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend. Het klaagschrift strekte tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de bovengenoemde auto. 2.4 Op 5 juli 2024 heeft de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het klaagschrift van de klager behandeld en ongegrond verklaard. In dat verband heeft de rechtbank overwogen dat er twijfel bestaat of de auto van de klager of van zijn zoon is, dat de klager zijn stelling dat hij de auto nodig heeft voor zijn werk onvoldoende met stukken heeft onderbouwd, dat de zoon van de klager wordt verdacht van overtreding van art. 5a WVW 1994 en dat het, gelet op de door de politie beschreven handelingen van die zoon, niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de auto verbeurd zal verklaren. 2.5 Op 31 maart 2025 is namens de klager wederom een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de auto. In het klaagschrift wordt aangevoerd dat de klager de eigenaar van de auto is, dat het beslag, gelet op het tijdsverloop, niet langer in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en dat bij voortduring van het beslag de klager onevenredig in zijn vermogen wordt getroffen, zodat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de auto zal bevelen. Het klaagschrift houdt daarnaast het volgende in: “Vanwege het korte tijdsbestek tot de inhoudelijke behandeling verzoekt klager dit klaagschrift – uit praktische overwegingen – gelijktijdig te behandelen met de strafzaak van de zoon.” 2.6 De rechtbank heeft de behandeling van het hernieuwde klaagschrift aansluitend gepland op de behandeling van de strafzaak tegen de zoon van de klager met het parketnummer 01-278429-24. In die strafzaak is gevraagd om een beslissing over de in beslag genomen auto. 2.7 Op 22 april 2025 heeft de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, mondeling uitspraak gedaan in de strafzaak tegen de zoon van de klager. De politierechter heeft daarbij onder meer de verbeurdverklaring bevolen van de onder de zoon van de klager in beslag genomen auto. 2.8 Aansluitend op de behandeling van de strafzaak tegen de zoon van de klager heeft de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank het klaagschrift van de klager behandeld. De rechter die als politierechter fungeerde in de strafzaak tegen de zoon van de klager, heeft als beklagrechter het klaagschrift van de klager behandeld en de klager niet-ontvankelijk verklaard in het klaagschrift. Daarover is in de beschikking het volgende te lezen: “ Beoordeling (…) De rechtbank stelt vast dat de politierechter in de strafzaak tegen [betrokkene 1] (parketnummer 01-278429-24) bij vonnis van 22 april 2025 inmiddels heeft beslist over het in beslag genomen goed. De politierechter heeft de personenauto verbeurd verklaard nu er met de in beslag genomen personenauto door [betrokkene 1] meerdere strafbare feiten zijn gepleegd en de [betrokkene 1] kan worden aangemerkt als de rechthebbende. De rechtbank zal derhalve het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaren. Beslissing De rechtbank verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beklag.” 2.9 Tegen het vonnis van de politierechter is door/namens de zoon van de klager hoger beroep ingesteld. Dat hoger beroep is op 24 oktober 2025 namens de zoon van de klager ingetrokken. Daarmee is de uitspraak van de politierechter, waarbij de auto verbeurd is verklaard, onherroepelijk geworden. Het juridisch kader 2.10 De omstandigheid dat in een strafzaak een beslissing is genomen over een in beslag genomen voorwerp brengt met zich dat een klager geen belang meer heeft bij zijn op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift strekkende tot teruggave aan de klager van dat in beslag genomen voorwerp. De beschikking op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv is immers naar zijn aard een voorlopige beslissing in afwachting van het oordeel van de strafrechter over het beslag. Door de beslissing over het beslag in de strafzaak kan op het bestaande klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen. Dat is ook zo als de in de strafzaak genomen beslissing over het beslag (nog) niet onherroepelijk is. Indien echter in de strafzaak het in beslag genomen voorwerp verbeurd is verklaard en die beslissing uitvoerbaar is geworden, kan daartegen door de belanghebbende, niet zijnde de verdachte of de veroordeelde, op grond van art. 552b Sv worden geklaagd. De bespreking van de zaak 2.11 Uit de hiervoor geschetste procesgang blijkt dat de auto waarvan de klager de teruggave verzoekt ten tijde van de behandeling van het hernieuwde klaagschrift (nog) niet onherroepelijk verbeurd is verklaard. In cassatie kan er dus van worden uitgegaan dat namens de klager een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv is ingediend en dat de rechtbank het klaagschrift niet had hoeven op te vatten als een klaagschrift als bedoeld in art. 552b Sv. 2.12 Gelet op hetgeen onder randnr. 2.10 is vooropgesteld en in aanmerking genomen dat de auto waarvan de klager de teruggave verzoekt in de strafzaak tegen de zoon van de klager ten tijde van de behandeling van het hernieuwde klaagschrift (nog) niet onherroepelijk verbeurd is verklaard, heeft de rechtbank de klager terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift. Anders dan in de schriftuur wordt aangevoerd, doet hieraan niet af dat in het hernieuwde klaagschrift nieuwe feiten en omstandigheden worden aangevoerd waaruit zou blijken dat de klager de rechthebbende van de auto zou zijn. 2.13 In de toelichting op het middel wordt over de procedurele gang van zaken bij de rechtbank nog aangevoerd dat het plannen van de behandeling van het klaagschrift van de klager direct na de behandeling van de strafzaak tegen de zoon van de klager verbazing wekt en onbegrijpelijk is. Volgens de steller van het middel had het klaagschrift niet behandeld mogen worden onmiddellijk na de behandeling van de strafzaak, maar had het klaagschrift vóór of gelijktijdig met die strafzaak moeten worden behandeld.