Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2017-07-18
ECLI:NL:RBAMS:2017:5218
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,198 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.736.007-13 (WOTS)
RK nummer: 13/6831
Datum uitspraak: 18 juli 2017
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van
10 oktober 2013 en strekt onder meer tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van een rechterlijke beslissing van het Hof van Beroep te Antwerpen (België) van 28 februari 2011. Deze rechterlijke beslissing houdt onder meer in de veroordeling tot de vrijheidsbenemende straf van drie jaren van:
[veroordeelde]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943,
wonende op het adres [GBA-adres],
verder te noemen: veroordeelde.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 oktober 2014. Daarbij zijn de veroordeelde, zijn raadsman, mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, gehoord.
Bij tussenuitspraak van 21 oktober 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:7447) heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend. teneinde in het kader van het verbod van verscherping van de strafrechtelijke bejegening van de veroordeelde vragen te stellen aan de autoriteiten van België over de mogelijkheid van elektronische detentie.
Bij e-mailbericht van 4 december 2014 hebben de autoriteiten van België deze vraag beantwoord.
Bij e-mailbericht van 3 augustus 2015 heeft de rechtbank aan de raadsman en de officier van justitie meegedeeld dat zij voornemens is aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) een vraag voor te leggen over het overgangsrecht van Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PbEU 2008, L 327) (hierna: Kaderbesluit 2008/909/JBZ).
Bij e-mailbericht van 4 september 2015 is het concept van de prejudiciële vraag aan partijen voorgelegd en zijn zij in de gelegenheid gesteld daarop per e-mail te reageren.
Op de openbare zitting van 29 september 2015 zijn de raadsman van de veroordeelde en de officier van justitie in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen over de noodzaak van het stellen van een prejudiciële vraag en over de formulering daarvan.
Bij tussenuitspraak van 30 oktober 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:7474) heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie.
Het Hof van Justitie heeft deze prejudiciële vraag beantwoord bij arrest van 25 januari 2017 (C-582/16, ECLI:EU:C:2017:37).
Op de openbare zitting van 28 maart 2017 heeft de rechtbank op verzoek van de wegens ziekte verhinderde raadsman het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde hem in de gelegenheid te stellen op een nadere zitting een standpunt in te nemen.
Op de openbare zitting van 18 juli 2017 heeft de rechtbank de vordering behandeld in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, veroordeelde en zijn raadsman. De rechtbank heeft het onderzoek opnieuw aangevangen. De raadsman zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2Identiteit veroordeelde
Veroordeelde heeft op de zitting van 18 juli 2017 verklaard dat de bovengenoemde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Bevoegdheid van de rechtbank
Relevante omstandigheden
Begin januari 2010 is veroordeelde (destijds: de opgeëiste persoon) overgeleverd aan België onder de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie.
In maart 2010 is veroordeelde hangende de Belgische strafprocedure vrijgelaten en is hij eigener beweging naar Nederland teruggekeerd.
Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft veroordeelde op 28 februari 2011 tot een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren veroordeeld.
Op 6 december 2011 heeft het Hof van Cassatie van België het cassatieberoep tegen dit arrest verworpen. Het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen is met ingang van die datum onherroepelijk.
De Belgische wetgeving ter implementatie van Kaderbesluit 2008/909/JBZ is op 18 juni 2012 in werking getreden.
Op 1 november 2012 is de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (hierna: WETS) in werking getreden. Deze wet strekt tot implementatie van – onder meer – Kaderbesluit 2008/909/JBZ.
De Belgische autoriteiten hebben op 23 juli 2013 Nederland verzocht de tenuitvoerlegging van de bij het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen opgelegde vrijheidsstraf over te nemen. Het verzoek is gebaseerd op het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen.
Onder verwijzing naar artikel 18 WOTS heeft de officier van justitie op 10 oktober 2013 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank verlof tot tenuitvoerlegging van de door het Hof van Beroep te Antwerpen opgelegde vrijheidsstraf verleent.
Juridisch kader
Artikel 28 van Kaderbesluit 2008/909/JBZ luidt als volgt:
Overgangsbepaling
1. Het vóór 5 december 2011 ontvangen verzoek wordt verder volgens de bestaande rechtsinstrumenten betreffende de overbrenging van gevonniste personen behandeld. Het na die datum ontvangen verzoek wordt behandeld volgens de voorschriften die de lidstaten op grond van dit kaderbesluit aannemen.
2. Elke lidstaat kan evenwel op het tijdstip van aanneming van dit kaderbesluit verklaren dat hij, als beslissingsstaat en als tenuitvoerleggingsstaat, in gevallen waarin het onherroepelijke vonnis vóór de door hem bepaalde datum is gegeven, de bestaande, vóór 5 december 2011 toepasselijke, rechtsinstrumenten inzake de overbrenging van gevonniste personen zal blijven toepassen. Indien een dergelijke verklaring is afgelegd, zijn deze instrumenten in die gevallen van toepassing ten aanzien van alle overige lidstaten, ongeacht of zij dezelfde verklaring hebben afgelegd of niet. De bedoelde datum mag niet later vallen dan 5 december 2011. De verklaring wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij kan te allen tijde worden ingetrokken.
Nederland heeft een verklaring als bedoeld in artikel 28, tweede lid, afgelegd. Deze verklaring luidt als volgt:
Overeenkomstig artikel 28, lid 2, verklaart Nederland dat in gevallen waarin het onherroepelijke vonnis eerder dan drie jaar na de datum van inwerkingtreding van het kaderbesluit is gegeven, Nederland als beslissingsstaat en als tenuitvoerleggingsstaat de rechtsinstrumenten inzake de overbrenging van gevonniste personen welke vóór dit kaderbesluit van toepassing waren, zal blijven toepassen.
Artikel 5:2 WETS luidt als volgt:
Artikel 5:2
1. Deze wet treedt in de relatie met de lidstaten van de Europese Unie in de plaats van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen.
2.
Dictum
VERKLAART zich ONBEVOEGD tot kennisneming van de vordering van de officier van justitie.
Aldus gedaan door
mr. A.J. Dondorp, voorzitter,
mrs. C. Klomp en R.A.J. Hübel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 18 juli 2017.
Council document 6069/1/15 REV 1, 18 March 2015, p. 2.
PbEU 2009, L 265/41.
Kaderbesluit 2008/909/JBZ is op 5 december 2008 in werking getreden.
ECLI:NL:PHR:2012:BY4289.
ECLI:NL:RBAMS:2013:9907 en ECLI:NL:RBAMS:2014:7447.
Zie de conclusie van A-G Bot, ECLI:EU:C:2016:766, punten 20-28.