Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-26
ECLI:NL:PHR:2026:531
Strafrecht
12,146 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:531 text/xml public 2026-05-28T11:51:41 2026-05-25 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-26 24/01399 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:531 text/html public 2026-05-28T11:51:07 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:531 Parket bij de Hoge Raad , 26-05-2026 / 24/01399 Conclusie AG. Mishandeling en overtreding Wegenverkeerswet 1994. Beroep op noodweer. Proportionaliteitsvereiste. Middel slaagt nu het hof bij de proportionaliteitstoets relevante omstandigheden onbesproken heeft gelaten en ten onrechte de aanleiding van het conflict meegewogen. Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie. Volgt vernietiging en terugwijzing. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer24/01399 Zitting 26 mei 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte. Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 3 april 2024 (parketnr. 21-004823-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens " mishandeling " en “ overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 ” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren (indien niet naar behoren verricht te vervangen door zestig dagen hechtenis). Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van de [benadeelde] , een en ander als nader in het arrest bepaald. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.H.H. Meulemeesters, advocaat in Zeist, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel 3. Het middel bevat klachten over de verwerping van het beroep op noodweer. Het oordeel van het hof 4. Ten laste van de verdachte is – voor zover relevant voor de beoordeling van het middel – onder 1 bewezen verklaard dat de verdachte: “ op 17 september 2022 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door hem een kopstoot en vuistslagen op het jukbeen en/of voorhoofd, althans gezicht, van die [benadeelde] te hebben gegeven ”. 5. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals deze zijn opgenomen in het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met bijlagen van de politie Midden-Nederland, district Stad-Utrecht, genummerd PL0900-2022276572, opgemaakt door [verbalisant] , hoofdagent van politie, gesloten op 20 september 2022. Dit proces-verbaal bevat o.a. de aangifte, een medische verklaring, een proces-verbaal van verhoor van de aangever en van de [getuige 1] en een proces-verbaal van verhoor van de verdachte. Omwille van de leesbaarheid van deze conclusie, volsta ik hier met de verwijzing naar dit proces-verbaal in het dossier. 6. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 maart 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd, onder meer inhoudende: “ Met betrekking tot feit 1 lijken de getuigen bij de politie niet vakkundig te zijn gehoord. Eén getuige heeft verklaard bij de RHC. Cliënt heeft erkend fout te zijn geweest. Ik kan mij voorstellen dat aangever achter cliënt aangaat. Maar is het dan ook normaal dat mijn cliënt agressief bejegend wordt? Aangever pakte cliënt bij zijn kraag en hief zijn vuist. Het is wel duidelijk dat cliënt aangevallen werd. Cliënt is fysiek ondergeschikt, hij wordt beetgepakt en hij probeert uit die greep te komen. Hij heeft geen kopstoot gegeven, in ieder geval geen opzettelijke kopstoot gegeven. Het letsel is er. Er was een bepaalde dynamiek tussen cliënt en aangever. [getuige 1] heeft het duidelijk beschreven. Cliënt werd vastgepakt en hij probeerde zich daaraan te onttrekken. Misschien is hij omhoog gekomen waardoor letsel is ontstaan. Doordat de opzet ontbreekt dient cliënt te worden vrijgesproken van feit 1. Subsidiair bepleit ik dat sprake is geweest van noodweer. Cliënt werd aangevallen en vastgepakt en hij kon zich niet eraan onttrekken. In die handelingen om uit de greep te komen van aangever is er letsel ontstaan. Dan is er sprake van noodweer en dat beroep komt hem toe. Ik vraag u cliënt van dit feit vrij te spreken dan wel te ontslaan van rechtsvervolging. (…) Een noodweerverweer moet aannemelijk worden gemaakt en dat heb ik gedaan. Die aannemelijkheid zit in de verklaring van [getuige 1] . Cliënt wordt vastgepakt en dan geslagen. Het noodweerverweer is niet gevoerd in eerste aanleg. Nu voer ik het aan vanwege de verklaring van [getuige 1] bij de RHC. Maar ik wijs op de verklaring van cliënt op blz. 36 van het politie proces-verbaal waarin hij verklaard over een kopstoot. Dus hij heeft het wel direct aangevoerd. De advocaat-generaal heeft een soort culpa in causa redenering. Maar er is sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van cliënt door aangever en de reactie van cliënt blijft binnen de grenzen van proportionaliteit .” 7. Het hof heeft het beroep op noodweer als volgt verworpen: “ Noodweer De raadsman heeft met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat sprake is geweest van een noodweersituatie. In die situatie mocht verdachte zich verdedigen tegen de wederrechtelijke aanranding door aangever en dient vrijspraak van dit feit te volgen. Het hof overweegt het volgende. Een beroep op noodweer slaagt indien verdachte een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Die verdediging moet daarbij wel in verhouding staan tot de aanval. Voor de beoordeling van het beroep op noodweer zal het hof de feitelijke grondslag van het beroep onderzoeken. Aangever [benadeelde] heeft verklaard dat hij op 17 september 2022 met zijn auto over de [a-straat] reed richting de [b-straat] . Deze straten bevinden zich in de gemeente [plaats] . Toen hij rechtsaf wilde slaan zag hij dat er een voertuig tegen zijn auto aanreed. Na de aanrijding is hij uitgestapt. De man die hem had aangereden reed echter weg toen hij zag dat aangever de politie ging bellen. Aangever is er achteraan gereden en heeft de man gevonden. De man stapte agressief uit en riep waarom aangever hem achtervolgde. De man pakte toen het shirt van aangever vast en gaf hem een kopstoot op aangevers mond. Aangever voelde pijn en voelde dat zijn voortand eruit lag. Vervolgens voelde en zag hij dat hij nog een klap op zijn hoofd kreeg. Aangever zag en voelde dat verdachte met zijn vuist op aangevers jukbeen sloeg en nog een keer op zijn voorhoofd sloeg. De politie is ter plaatse gekomen waarbij zij met aangever hebben gesproken en hebben geconstateerd dat aangever bloed rond zijn mond had, een dikke lip en dat aangever een voortand miste. Vervolgens werd verdachte aangesproken die verklaarde dat hij een verkeersconflict met aangever had en dat hij door hem ook geslagen was. Daarop werd verdachte aangehouden ter zake van mishandeling. Verdachte heeft verklaard dat hij betrokken was hij een verkeersongeval. Hij is weggereden zonder zijn gegevens aan de ander kenbaar te maken, omdat hij naar huis wilde rijden om zijn papieren op te halen. Toen verdachte wegreed werd hij door de man achtervolgd. Hij is gestopt. De man pakte toen de autosleutels uit het contact van zijn auto waarop een conflict is ontstaan. [getuige 1] heeft vanuit zijn woning de schermutseling van bovenaf gezien. Hij heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij geschreeuw hoorde op straat en zag dat er twee auto’s stil stonden. Uit beide auto’s stapte iemand uit en deze twee personen begonnen tegen elkaar te schreeuwen of te schelden. De grote vent (het hof begrijpt: aangever) greep de ander bij zijn kraag en probeerde hem te slaan met een vuist. Het was geen harde klap. De kleine man (het hof begrijpt: verdachte) werd toen boos en reageerde daarop: hij probeerde omhoog te springen en een kopstoot te geven. Hij raakte de grote man met zijn hoofd tegen diens neus en daardoor kreeg de grote man een bloedneus. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij en aangever aan elkaar hebben getrokken en dat hij bewegingen heeft gemaakt om los te komen en dat aangever daar letsel aan heeft overgehouden. Hij ontkent dat hij (opzettelijk) een kopstoot heeft gegeven.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:531 text/xml public 2026-05-28T11:51:41 2026-05-25 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-26 24/01399 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:531 text/html public 2026-05-28T11:51:07 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:531 Parket bij de Hoge Raad , 26-05-2026 / 24/01399 Conclusie AG. Mishandeling en overtreding Wegenverkeerswet 1994. Beroep op noodweer. Proportionaliteitsvereiste. Middel slaagt nu het hof bij de proportionaliteitstoets relevante omstandigheden onbesproken heeft gelaten en ten onrechte de aanleiding van het conflict meegewogen. Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie. Volgt vernietiging en terugwijzing. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer24/01399 Zitting 26 mei 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte. Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 3 april 2024 (parketnr. 21-004823-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens " mishandeling " en “ overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 ” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren (indien niet naar behoren verricht te vervangen door zestig dagen hechtenis). Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van de [benadeelde] , een en ander als nader in het arrest bepaald. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.H.H. Meulemeesters, advocaat in Zeist, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel 3. Het middel bevat klachten over de verwerping van het beroep op noodweer. Het oordeel van het hof 4. Ten laste van de verdachte is – voor zover relevant voor de beoordeling van het middel – onder 1 bewezen verklaard dat de verdachte: “ op 17 september 2022 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door hem een kopstoot en vuistslagen op het jukbeen en/of voorhoofd, althans gezicht, van die [benadeelde] te hebben gegeven ”. 5. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals deze zijn opgenomen in het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met bijlagen van de politie Midden-Nederland, district Stad-Utrecht, genummerd PL0900-2022276572, opgemaakt door [verbalisant] , hoofdagent van politie, gesloten op 20 september 2022. Dit proces-verbaal bevat o.a. de aangifte, een medische verklaring, een proces-verbaal van verhoor van de aangever en van de [getuige 1] en een proces-verbaal van verhoor van de verdachte. Omwille van de leesbaarheid van deze conclusie, volsta ik hier met de verwijzing naar dit proces-verbaal in het dossier. 6. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 maart 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd, onder meer inhoudende: “ Met betrekking tot feit 1 lijken de getuigen bij de politie niet vakkundig te zijn gehoord. Eén getuige heeft verklaard bij de RHC. Cliënt heeft erkend fout te zijn geweest. Ik kan mij voorstellen dat aangever achter cliënt aangaat. Maar is het dan ook normaal dat mijn cliënt agressief bejegend wordt? Aangever pakte cliënt bij zijn kraag en hief zijn vuist. Het is wel duidelijk dat cliënt aangevallen werd. Cliënt is fysiek ondergeschikt, hij wordt beetgepakt en hij probeert uit die greep te komen. Hij heeft geen kopstoot gegeven, in ieder geval geen opzettelijke kopstoot gegeven. Het letsel is er. Er was een bepaalde dynamiek tussen cliënt en aangever. [getuige 1] heeft het duidelijk beschreven. Cliënt werd vastgepakt en hij probeerde zich daaraan te onttrekken. Misschien is hij omhoog gekomen waardoor letsel is ontstaan. Doordat de opzet ontbreekt dient cliënt te worden vrijgesproken van feit 1. Subsidiair bepleit ik dat sprake is geweest van noodweer. Cliënt werd aangevallen en vastgepakt en hij kon zich niet eraan onttrekken. In die handelingen om uit de greep te komen van aangever is er letsel ontstaan. Dan is er sprake van noodweer en dat beroep komt hem toe. Ik vraag u cliënt van dit feit vrij te spreken dan wel te ontslaan van rechtsvervolging. (…) Een noodweerverweer moet aannemelijk worden gemaakt en dat heb ik gedaan. Die aannemelijkheid zit in de verklaring van [getuige 1] . Cliënt wordt vastgepakt en dan geslagen. Het noodweerverweer is niet gevoerd in eerste aanleg. Nu voer ik het aan vanwege de verklaring van [getuige 1] bij de RHC. Maar ik wijs op de verklaring van cliënt op blz. 36 van het politie proces-verbaal waarin hij verklaard over een kopstoot. Dus hij heeft het wel direct aangevoerd. De advocaat-generaal heeft een soort culpa in causa redenering. Maar er is sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van cliënt door aangever en de reactie van cliënt blijft binnen de grenzen van proportionaliteit .” 7. Het hof heeft het beroep op noodweer als volgt verworpen: “ Noodweer De raadsman heeft met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat sprake is geweest van een noodweersituatie. In die situatie mocht verdachte zich verdedigen tegen de wederrechtelijke aanranding door aangever en dient vrijspraak van dit feit te volgen. Het hof overweegt het volgende. Een beroep op noodweer slaagt indien verdachte een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Die verdediging moet daarbij wel in verhouding staan tot de aanval. Voor de beoordeling van het beroep op noodweer zal het hof de feitelijke grondslag van het beroep onderzoeken. Aangever [benadeelde] heeft verklaard dat hij op 17 september 2022 met zijn auto over de [a-straat] reed richting de [b-straat] . Deze straten bevinden zich in de gemeente [plaats] . Toen hij rechtsaf wilde slaan zag hij dat er een voertuig tegen zijn auto aanreed. Na de aanrijding is hij uitgestapt. De man die hem had aangereden reed echter weg toen hij zag dat aangever de politie ging bellen. Aangever is er achteraan gereden en heeft de man gevonden. De man stapte agressief uit en riep waarom aangever hem achtervolgde. De man pakte toen het shirt van aangever vast en gaf hem een kopstoot op aangevers mond. Aangever voelde pijn en voelde dat zijn voortand eruit lag. Vervolgens voelde en zag hij dat hij nog een klap op zijn hoofd kreeg. Aangever zag en voelde dat verdachte met zijn vuist op aangevers jukbeen sloeg en nog een keer op zijn voorhoofd sloeg. De politie is ter plaatse gekomen waarbij zij met aangever hebben gesproken en hebben geconstateerd dat aangever bloed rond zijn mond had, een dikke lip en dat aangever een voortand miste. Vervolgens werd verdachte aangesproken die verklaarde dat hij een verkeersconflict met aangever had en dat hij door hem ook geslagen was. Daarop werd verdachte aangehouden ter zake van mishandeling. Verdachte heeft verklaard dat hij betrokken was hij een verkeersongeval. Hij is weggereden zonder zijn gegevens aan de ander kenbaar te maken, omdat hij naar huis wilde rijden om zijn papieren op te halen. Toen verdachte wegreed werd hij door de man achtervolgd. Hij is gestopt. De man pakte toen de autosleutels uit het contact van zijn auto waarop een conflict is ontstaan. [getuige 1] heeft vanuit zijn woning de schermutseling van bovenaf gezien. Hij heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij geschreeuw hoorde op straat en zag dat er twee auto’s stil stonden. Uit beide auto’s stapte iemand uit en deze twee personen begonnen tegen elkaar te schreeuwen of te schelden. De grote vent (het hof begrijpt: aangever) greep de ander bij zijn kraag en probeerde hem te slaan met een vuist. Het was geen harde klap. De kleine man (het hof begrijpt: verdachte) werd toen boos en reageerde daarop: hij probeerde omhoog te springen en een kopstoot te geven. Hij raakte de grote man met zijn hoofd tegen diens neus en daardoor kreeg de grote man een bloedneus. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij en aangever aan elkaar hebben getrokken en dat hij bewegingen heeft gemaakt om los te komen en dat aangever daar letsel aan heeft overgehouden. Hij ontkent dat hij (opzettelijk) een kopstoot heeft gegeven.
Volledig
Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen acht het hof aannemelijk dat er voor verdachte een noodweersituatie is ontstaan. De gedragingen van aangever, te weten het vastpakken van de kraag van verdachte en het slaan met de vuist, zoals waargenomen door [getuige 1] , zijn aan te merken als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Het hof overweegt daarbij dat verdachte, omdat hij bij zijn kraag werd vastgepakt en vastgehouden, niet is staat is geweest weg te lopen. Het hof volgt [getuige 1] ook in de verklaring dat verdachte aangever van onderen probeerde een kopstoot te gegeven. De kopstoot is hard aangekomen tegen de mond van aangever. Die kopstoot staat niet in verhouding tot het vastgrijpen van verdachte door aangever. Het hof zal het beroep van verdachte op noodweer daarom verwerpen omdat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis. Verdachte heeft buiten de grenzen van de noodzakelijke verdediging gehandeld door aangever opzettelijk een kopstoot te geven, welke gedraging in zijn aard - onverhoeds en met kracht in het gezicht - naar het oordeel van het hof niet in redelijke verhouding stond tot het vastgrijpen van verdachte door aangever. Het hof betrekt hierbij de omstandigheid dat verdachte is weggereden nadat hij de auto van aangever had aangereden - en zich daarmee schuldig maakte aan een misdrijf - en aangever verdachte daarop terecht aansprak op zijn gedrag. Het verweer wordt verworpen. ” De toelichting op het middel 8. Ik begrijp het middel aldus dat daarmee wordt opgekomen tegen de verwerping van het beroep op noodweer. Het hof heeft volgens de steller van het middel onvoldoende rekening gehouden met het geweld van de aangever, waaronder zowel het vastpakken bij de kraag als het slaan met de vuist, evenals met het fysieke overwicht van de aangever. Bovendien zou het hof irrelevante omstandigheden, zoals het eerdere wegrijden van de verdachte na het aanrijden van de auto van de aangever, hebben betrokken bij de beoordeling van proportionaliteit. Volgens de steller van het middel is de motivering van verwerping hierdoor onvolledig en onbegrijpelijk. Het beoordelingskader: noodweer en proportionaliteit 9. In zijn overzichtsarrest van 22 maart 2016, heeft de Hoge Raad het juridisch kader geschetst dat bij de beoordeling van een beroep op noodweer(exces) handvatten biedt. Dit kader veronderstel ik bekend. Wel merk ik ten aanzien van het proportionaliteitsvereiste (waartegen het middel zich in het bijzonder richt) het volgende op. Proportionaliteit: verdediging moet geboden zijn 10. Een beroep op noodweer komt niet toe aan de verdachte die met zijn gedraging verder gaat dan door de noodzakelijke verdediging ‘geboden’ is. Dat is het geval indien de gedraging als verdedigingsmiddel in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Bij beoordeling van de vraag of aan deze – tot terughoudendheid nopende – ‘proportionaliteitsmaatstaf’ is voldaan, staan de keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt centraal. 11. Daarbij laat rechtspraak van de Hoge Raad zien dat bij het beoordelen van de (on)redelijkheid van de verhouding tussen het verdedigingsmiddel en de ernst van de aanranding, betekenis toekomt aan de concrete omstandigheden van het geval. Zo kan uit deze rechtspraak worden afgeleid dat het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond in beginsel niet in verhouding staat tot een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist, maar dat het bestaan van bijzondere omstandigheden tot een ander oordeel kan dwingen. Denk bijvoorbeeld aan het geval waarin de verdachte wordt geconfronteerd met een overtalsituatie en ernstig geweld, de aanranding – naast slaan met blote handen of vuisten – ook bestaat uit het langdurig dichtknijpen van de keel of de verdachte wordt aangevallen door een persoon die veel groter is dan hij. 12. Ik wijs in dit verband ook op de conclusie van a-g Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnummers 3.11-3.21 en 3.25), waarin hij een aantal van de (hiervoor reeds in de voetnoten aangehaalde) arresten van de Hoge Raad – waarin een discrepantie bestond tussen het aanrandingsmiddel en het verdedigingsmiddel – heeft geanalyseerd, en naar aanleiding daarvan concludeert: “Uit verschillende van die zaken blijkt dat zelfs wanneer het verdedigingsmiddel als zodanig wezenlijk zwaarder is dan het aanrandingsmiddel, dat op zichzelf nog niet hoeft te betekenen dat het proportionaliteitsvereiste een succesvol beroep op noodweer in de weg staat .” Bij de toepassing van het proportionaliteitsvereiste gaat het, aldus Van Kempen, dan ook niet “ om een pure evenredigheidsbeoordeling, maar om een redelijkheidsoordeel waarvoor de bredere context van de gebeurtenis van belang kan zijn en waarbij geldt dat de precieze manier van verdedigen zeker niet optimaal hoeft te zijn ”. De beoordeling van het middel 13. Voor een beoordeling van de klachten is van belang om na te gaan welke kwesties de steller van het middel precies wel en niet aan de Hoge Raad voorlegt. Allereerst heeft het hof geoordeeld dat zich een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever heeft voorgedaan, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Daarbij werd de verdachte vastgepakt en geslagen, “ zoals waargenomen door [getuige 1] ” , aldus het hof. Deze getuige heeft volgens het hof verklaard dat “ de grote vent (het hof begrijpt: aangever) de ander bij zijn kraag greep en hem met een vuist probeerde te slaan. Het was geen harde klap. ” Dit oordeel en de motivering ervan worden in cassatie niet weersproken, zodat hiervan thans moet worden uitgegaan. 14. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat de verdachte direct hierna – omhoog springend c.q. van onderen – de aangever een kopstoot tegen de mond heeft gegeven. De kopstoot kwam hard aan en had voor de aangever tot gevolg: een dikke lip, bloed rond de mond en een afgebroken voortand. Ook deze vaststellingen worden in cassatie niet bestreden, zodat hiervan thans moet worden uitgegaan. 15. Het middel is gericht tegen het volgende. Het hof heeft geoordeeld dat deze kopstoot “ niet in verhouding staat tot het vastgrijpen van verdachte door aangever ” en heeft het beroep op noodweer verworpen op de grond dat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis. Daaraan voegt het hof toe (ik herhaal en ben volledig): “ Verdachte heeft buiten de grenzen van de noodzakelijke verdediging gehandeld door aangever opzettelijk een kopstoot te geven, welke gedraging in zijn aard - onverhoeds en met kracht in het gezicht - naar het oordeel van het hof niet in redelijke verhouding stond tot het vastgrijpen van verdachte door aangever. Het hof betrekt hierbij de omstandigheid dat verdachte is weggereden nadat hij de auto van aangever had aangereden - en zich daarmee schuldig maakte aan een misdrijf - en aangever verdachte daarop terecht aansprak op zijn gedrag .” 16. Ik meen dat het middel terecht en op goede gronden is voorgesteld. Bij zijn oordeel over de vraag of aan de – “ tot terughoudendheid nopende ” – ‘proportionaliteitsmaatstaf’ is voldaan, heeft het hof uitsluitend betrokken dat de aangever de verdachte bij zijn kraag had vastgegrepen en vastgehouden (zodat de verdachte niet in staat is geweest weg te lopen). Het hof heeft bij de beoordeling van de proportionaliteit echter niet uitdrukkelijk in aanmerking genomen (i) dat de aangever de verdachte direct voorafgaande aan de kopstoot met zijn vuist sloeg en (ii) dat de aangever kennelijk (aanzienlijk) groter is dan de verdachte. Bij de beoordeling van de proportionaliteit van de kopstoot als middel van verdediging had het hof deze omstandigheden niet onbesproken mogen laten. 17. Daarbij komt dat het hof bij de beoordeling van de proportionaliteit van de kopstoot heeft betrokken dat de verdachte zich bij het verkeersongeval dat aan het handgemeen voorafging, schuldig had gemaakt aan het misdrijf van ‘doorrijden na aanrijding’ en dat de aangever de verdachte mocht aanspreken op zijn gedrag.
Volledig
Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen acht het hof aannemelijk dat er voor verdachte een noodweersituatie is ontstaan. De gedragingen van aangever, te weten het vastpakken van de kraag van verdachte en het slaan met de vuist, zoals waargenomen door [getuige 1] , zijn aan te merken als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Het hof overweegt daarbij dat verdachte, omdat hij bij zijn kraag werd vastgepakt en vastgehouden, niet is staat is geweest weg te lopen. Het hof volgt [getuige 1] ook in de verklaring dat verdachte aangever van onderen probeerde een kopstoot te gegeven. De kopstoot is hard aangekomen tegen de mond van aangever. Die kopstoot staat niet in verhouding tot het vastgrijpen van verdachte door aangever. Het hof zal het beroep van verdachte op noodweer daarom verwerpen omdat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis. Verdachte heeft buiten de grenzen van de noodzakelijke verdediging gehandeld door aangever opzettelijk een kopstoot te geven, welke gedraging in zijn aard - onverhoeds en met kracht in het gezicht - naar het oordeel van het hof niet in redelijke verhouding stond tot het vastgrijpen van verdachte door aangever. Het hof betrekt hierbij de omstandigheid dat verdachte is weggereden nadat hij de auto van aangever had aangereden - en zich daarmee schuldig maakte aan een misdrijf - en aangever verdachte daarop terecht aansprak op zijn gedrag. Het verweer wordt verworpen. ” De toelichting op het middel 8. Ik begrijp het middel aldus dat daarmee wordt opgekomen tegen de verwerping van het beroep op noodweer. Het hof heeft volgens de steller van het middel onvoldoende rekening gehouden met het geweld van de aangever, waaronder zowel het vastpakken bij de kraag als het slaan met de vuist, evenals met het fysieke overwicht van de aangever. Bovendien zou het hof irrelevante omstandigheden, zoals het eerdere wegrijden van de verdachte na het aanrijden van de auto van de aangever, hebben betrokken bij de beoordeling van proportionaliteit. Volgens de steller van het middel is de motivering van verwerping hierdoor onvolledig en onbegrijpelijk. Het beoordelingskader: noodweer en proportionaliteit 9. In zijn overzichtsarrest van 22 maart 2016, heeft de Hoge Raad het juridisch kader geschetst dat bij de beoordeling van een beroep op noodweer(exces) handvatten biedt. Dit kader veronderstel ik bekend. Wel merk ik ten aanzien van het proportionaliteitsvereiste (waartegen het middel zich in het bijzonder richt) het volgende op. Proportionaliteit: verdediging moet geboden zijn 10. Een beroep op noodweer komt niet toe aan de verdachte die met zijn gedraging verder gaat dan door de noodzakelijke verdediging ‘geboden’ is. Dat is het geval indien de gedraging als verdedigingsmiddel in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Bij beoordeling van de vraag of aan deze – tot terughoudendheid nopende – ‘proportionaliteitsmaatstaf’ is voldaan, staan de keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt centraal. 11. Daarbij laat rechtspraak van de Hoge Raad zien dat bij het beoordelen van de (on)redelijkheid van de verhouding tussen het verdedigingsmiddel en de ernst van de aanranding, betekenis toekomt aan de concrete omstandigheden van het geval. Zo kan uit deze rechtspraak worden afgeleid dat het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond in beginsel niet in verhouding staat tot een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist, maar dat het bestaan van bijzondere omstandigheden tot een ander oordeel kan dwingen. Denk bijvoorbeeld aan het geval waarin de verdachte wordt geconfronteerd met een overtalsituatie en ernstig geweld, de aanranding – naast slaan met blote handen of vuisten – ook bestaat uit het langdurig dichtknijpen van de keel of de verdachte wordt aangevallen door een persoon die veel groter is dan hij. 12. Ik wijs in dit verband ook op de conclusie van a-g Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnummers 3.11-3.21 en 3.25), waarin hij een aantal van de (hiervoor reeds in de voetnoten aangehaalde) arresten van de Hoge Raad – waarin een discrepantie bestond tussen het aanrandingsmiddel en het verdedigingsmiddel – heeft geanalyseerd, en naar aanleiding daarvan concludeert: “Uit verschillende van die zaken blijkt dat zelfs wanneer het verdedigingsmiddel als zodanig wezenlijk zwaarder is dan het aanrandingsmiddel, dat op zichzelf nog niet hoeft te betekenen dat het proportionaliteitsvereiste een succesvol beroep op noodweer in de weg staat .” Bij de toepassing van het proportionaliteitsvereiste gaat het, aldus Van Kempen, dan ook niet “ om een pure evenredigheidsbeoordeling, maar om een redelijkheidsoordeel waarvoor de bredere context van de gebeurtenis van belang kan zijn en waarbij geldt dat de precieze manier van verdedigen zeker niet optimaal hoeft te zijn ”. De beoordeling van het middel 13. Voor een beoordeling van de klachten is van belang om na te gaan welke kwesties de steller van het middel precies wel en niet aan de Hoge Raad voorlegt. Allereerst heeft het hof geoordeeld dat zich een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever heeft voorgedaan, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Daarbij werd de verdachte vastgepakt en geslagen, “ zoals waargenomen door [getuige 1] ” , aldus het hof. Deze getuige heeft volgens het hof verklaard dat “ de grote vent (het hof begrijpt: aangever) de ander bij zijn kraag greep en hem met een vuist probeerde te slaan. Het was geen harde klap. ” Dit oordeel en de motivering ervan worden in cassatie niet weersproken, zodat hiervan thans moet worden uitgegaan. 14. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat de verdachte direct hierna – omhoog springend c.q. van onderen – de aangever een kopstoot tegen de mond heeft gegeven. De kopstoot kwam hard aan en had voor de aangever tot gevolg: een dikke lip, bloed rond de mond en een afgebroken voortand. Ook deze vaststellingen worden in cassatie niet bestreden, zodat hiervan thans moet worden uitgegaan. 15. Het middel is gericht tegen het volgende. Het hof heeft geoordeeld dat deze kopstoot “ niet in verhouding staat tot het vastgrijpen van verdachte door aangever ” en heeft het beroep op noodweer verworpen op de grond dat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis. Daaraan voegt het hof toe (ik herhaal en ben volledig): “ Verdachte heeft buiten de grenzen van de noodzakelijke verdediging gehandeld door aangever opzettelijk een kopstoot te geven, welke gedraging in zijn aard - onverhoeds en met kracht in het gezicht - naar het oordeel van het hof niet in redelijke verhouding stond tot het vastgrijpen van verdachte door aangever. Het hof betrekt hierbij de omstandigheid dat verdachte is weggereden nadat hij de auto van aangever had aangereden - en zich daarmee schuldig maakte aan een misdrijf - en aangever verdachte daarop terecht aansprak op zijn gedrag .” 16. Ik meen dat het middel terecht en op goede gronden is voorgesteld. Bij zijn oordeel over de vraag of aan de – “ tot terughoudendheid nopende ” – ‘proportionaliteitsmaatstaf’ is voldaan, heeft het hof uitsluitend betrokken dat de aangever de verdachte bij zijn kraag had vastgegrepen en vastgehouden (zodat de verdachte niet in staat is geweest weg te lopen). Het hof heeft bij de beoordeling van de proportionaliteit echter niet uitdrukkelijk in aanmerking genomen (i) dat de aangever de verdachte direct voorafgaande aan de kopstoot met zijn vuist sloeg en (ii) dat de aangever kennelijk (aanzienlijk) groter is dan de verdachte. Bij de beoordeling van de proportionaliteit van de kopstoot als middel van verdediging had het hof deze omstandigheden niet onbesproken mogen laten. 17. Daarbij komt dat het hof bij de beoordeling van de proportionaliteit van de kopstoot heeft betrokken dat de verdachte zich bij het verkeersongeval dat aan het handgemeen voorafging, schuldig had gemaakt aan het misdrijf van ‘doorrijden na aanrijding’ en dat de aangever de verdachte mocht aanspreken op zijn gedrag.
Volledig
Dat moge zo zijn, maar het hof heeft tevens geoordeeld dat de aangever verder ging dan ‘het aanspreken van de verdachte op zijn gedrag’, namelijk door een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte, waartegen deze zich – volgens het hof – mocht verdedigen. Niet valt in te zien waarom de aanleiding voor het handgemeen van invloed is op de beoordeling van de proportionaliteit van de door het hof noodzakelijk geachte verdediging. Slotsom 18. Het middel slaagt. 19. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. 20. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen. 21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat deze op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond (overzichtsarrest noodweer/noodweerexces), rov. 3.1.1-3.5.3. Zie ook HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417, NJ 2022/178 m.nt. Machielse. Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9177, NJ 2006/650, en HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3895, NJ 2010/391 m.nt. Buruma, rov. 2.5.1-2.5.2. Zie ook J.M. ten Voorde, Tekst & Commentaar Strafrecht , art. 41 Sr, aant. 4g (actueel t/m 15 april 2025). Vgl. HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4459, NJ 2006/371, en HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773. In de aanduiding “geboden door de noodzakelijke verdediging” komen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit beide tot uitdrukking. Aangenomen wordt dat in deze – met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden – eisen de proportionaliteitsgedachte met name ligt besloten in de eis van het ‘geboden’ zijn van de verdediging, terwijl de subsidiariteit haar neerslag vindt in de eis van het ‘noodzakelijk’ zijn van de verdediging. Vgl. HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, NJ 2017/250, rov. 4.4; HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1162, NJ 2018/131, m.nt. Wolswijk, rov. 2.3; HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:434, rov. 2.3; HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1813, rov. 2.3; HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:512, NJ 2020/176, rov. 2.3; HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2013, NJ 2021/247 m.nt. Jörg, rov. 2.3, en HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1245, rov. 2.3. Vgl. HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982, NJ 2008/233, rov. 5.1-5.3. In de zaak die aan dit arrest ten grondslag lag, had de verdachte zich tegen de aanval verdedigd door met kracht een diepe steekwond in de rug van het slachtoffer toe te brengen. Het beroep op noodweer werd door het hof verworpen. “Het hof is (…) gelet op de aard van de aanval, te weten het slaan met de blote hand dan wel vuist, van oordeel dat het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel en de wijze waarop hij dit heeft aangewend in die situatie disproportioneel was. Door het mes te hanteren zoals bewezenverklaard heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte niet minder vergaande middelen ter beschikking stonden dan gebruikmaking van het mes. Zo had verdachte bijvoorbeeld het mes uit zijn handen kunnen laten vallen en zich aldus met de blote hand tegen de aanval kunnen verdedigen.” Dit oordeel hield in cassatie stand. De Hoge Raad overwoog: “Het oordeel van het Hof dat het beroep op noodweer moet worden verworpen omdat de verdachte door het gekozen verdedigingsmiddel en de wijze waarop hij dat heeft aangewend de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat (…) de verdachte zich tegen de aanval heeft verdedigd door met kracht een diepe steekwond in de rug van het slachtoffer toe te brengen als gevolg waarvan het slachtoffer verwondingen heeft opgelopen die fataal zouden zijn geweest als het slachtoffer niet tijdig medisch was behandeld, terwijl de aanval op de verdachte bestond uit het slaan met de blote hand dan wel vuist.” Zie ook HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond (overzichtsarrest noodweer/noodweerexces), rov. 3.5.3. Vgl. HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:434, rov. 2.4. Zie ook de conclusie van Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnr. 3.13). In de zaak die ten grondslag lag aan HR 26 maart 2019 werd het beroep op noodweer door het hof verworpen omdat het met een mes steken door de verdachte in de borststreek van het slachtoffer niet in redelijke verhouding stond tot een aanval die bestond uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist en omdat de verdachte niet eerst had gepoogd een minder verstrekkend verdedigingsmiddel toe te passen. Dat oordeel achtte de Hoge Raad echter niet zonder meer begrijpelijk, nu het hof óók had vastgesteld dat “(i) de verdachte meermalen werd geconfronteerd met het slachtoffer en een voor hem onbekende man; (ii) de laatste confrontatie uiteindelijk uitliep op een gevecht tussen de verdachte en de twee anderen, waarbij de verdachte meermalen op het hoofd, waaronder met vuisten, is geslagen en letsel heeft opgelopen; en (iii) de verdachte op het moment van de aanranding door het slachtoffer niet weg kon komen”. Vgl. HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1813, rov. 2.4. In cassatie achtte de Hoge Raad het oordeel waarin het hof het beroep op noodweer verwierp – omdat het met een mes steken door de verdachte in het bovenlichaam van het slachtoffer niet in redelijke verhouding stond tot de aanranding die bestond uit het slaan met blote handen of vuisten – niet zonder meer begrijpelijk. De Hoge Raad overwoog: “Het Hof is bij de beoordeling van het door de verdediging gedane beroep op noodweer immers uitgegaan van de verklaring van de verdachte over de feitelijke gang van zaken die op onderdelen wordt ondersteund door de verklaring van (slachtoffer). Die verklaringen houden echter blijkens het hiervoor weergegeven verweer alsmede bewijsmiddel 2 onder meer in dat (slachtoffer) de verdachte ook bij zijn keel heeft vastgepakt en tijdens de vechtpartij is blijven vasthouden, wat het Hof niet kenbaar bij zijn beoordeling van het beroep op noodweer heeft betrokken.” Zie ook de conclusie van Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnummer 3.14). Vgl. in dat verband ook HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1245, rov. 2.4, waarin het hof overwoog dat weliswaar sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever, maar het beroep op noodweer desondanks verwierp omdat de door de verdachte gegeven “keiharde vuistslag” tegen het hoofd van de aangever in onredelijke verhouding stond tot de ernst van die aanranding. De Hoge Raad casseerde en nam daarbij in aanmerking dat het hof had vastgesteld dat de aangever de verdachte meermalen had geduwd en vervolgens had geslagen – zonder dat het hof nadere vaststellingen had gedaan over de aard en ernst van deze geweldsuitoefening door de aangever op de verdachte – waarna de verdachte één vuistslag tegen het hoofd van de aangever had gegeven. Vgl. HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:512, NJ 2020/176, rov. 2.4. Ook in deze zaak hield de verwerping van het noodweerverweer in cassatie geen stand. De Hoge Raad overwoog: “ Het hof heeft onder meer vastgesteld dat de verdachte eerst door de aangever is geslagen en dat de verdachte vervolgens de aangever met een keukenmes in diens arm heeft gestoken. Het hof heeft geoordeeld dat weliswaar op het moment van het slaan door de aangever sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever waartegen de verdachte zich mocht verdedigen, maar dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt omdat niet voldaan is aan de proportionaliteitseis.
Volledig
Dat moge zo zijn, maar het hof heeft tevens geoordeeld dat de aangever verder ging dan ‘het aanspreken van de verdachte op zijn gedrag’, namelijk door een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte, waartegen deze zich – volgens het hof – mocht verdedigen. Niet valt in te zien waarom de aanleiding voor het handgemeen van invloed is op de beoordeling van de proportionaliteit van de door het hof noodzakelijk geachte verdediging. Slotsom 18. Het middel slaagt. 19. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. 20. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen. 21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat deze op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond (overzichtsarrest noodweer/noodweerexces), rov. 3.1.1-3.5.3. Zie ook HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417, NJ 2022/178 m.nt. Machielse. Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9177, NJ 2006/650, en HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3895, NJ 2010/391 m.nt. Buruma, rov. 2.5.1-2.5.2. Zie ook J.M. ten Voorde, Tekst & Commentaar Strafrecht , art. 41 Sr, aant. 4g (actueel t/m 15 april 2025). Vgl. HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4459, NJ 2006/371, en HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773. In de aanduiding “geboden door de noodzakelijke verdediging” komen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit beide tot uitdrukking. Aangenomen wordt dat in deze – met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden – eisen de proportionaliteitsgedachte met name ligt besloten in de eis van het ‘geboden’ zijn van de verdediging, terwijl de subsidiariteit haar neerslag vindt in de eis van het ‘noodzakelijk’ zijn van de verdediging. Vgl. HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, NJ 2017/250, rov. 4.4; HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1162, NJ 2018/131, m.nt. Wolswijk, rov. 2.3; HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:434, rov. 2.3; HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1813, rov. 2.3; HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:512, NJ 2020/176, rov. 2.3; HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2013, NJ 2021/247 m.nt. Jörg, rov. 2.3, en HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1245, rov. 2.3. Vgl. HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982, NJ 2008/233, rov. 5.1-5.3. In de zaak die aan dit arrest ten grondslag lag, had de verdachte zich tegen de aanval verdedigd door met kracht een diepe steekwond in de rug van het slachtoffer toe te brengen. Het beroep op noodweer werd door het hof verworpen. “Het hof is (…) gelet op de aard van de aanval, te weten het slaan met de blote hand dan wel vuist, van oordeel dat het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel en de wijze waarop hij dit heeft aangewend in die situatie disproportioneel was. Door het mes te hanteren zoals bewezenverklaard heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte niet minder vergaande middelen ter beschikking stonden dan gebruikmaking van het mes. Zo had verdachte bijvoorbeeld het mes uit zijn handen kunnen laten vallen en zich aldus met de blote hand tegen de aanval kunnen verdedigen.” Dit oordeel hield in cassatie stand. De Hoge Raad overwoog: “Het oordeel van het Hof dat het beroep op noodweer moet worden verworpen omdat de verdachte door het gekozen verdedigingsmiddel en de wijze waarop hij dat heeft aangewend de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat (…) de verdachte zich tegen de aanval heeft verdedigd door met kracht een diepe steekwond in de rug van het slachtoffer toe te brengen als gevolg waarvan het slachtoffer verwondingen heeft opgelopen die fataal zouden zijn geweest als het slachtoffer niet tijdig medisch was behandeld, terwijl de aanval op de verdachte bestond uit het slaan met de blote hand dan wel vuist.” Zie ook HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond (overzichtsarrest noodweer/noodweerexces), rov. 3.5.3. Vgl. HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:434, rov. 2.4. Zie ook de conclusie van Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnr. 3.13). In de zaak die ten grondslag lag aan HR 26 maart 2019 werd het beroep op noodweer door het hof verworpen omdat het met een mes steken door de verdachte in de borststreek van het slachtoffer niet in redelijke verhouding stond tot een aanval die bestond uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist en omdat de verdachte niet eerst had gepoogd een minder verstrekkend verdedigingsmiddel toe te passen. Dat oordeel achtte de Hoge Raad echter niet zonder meer begrijpelijk, nu het hof óók had vastgesteld dat “(i) de verdachte meermalen werd geconfronteerd met het slachtoffer en een voor hem onbekende man; (ii) de laatste confrontatie uiteindelijk uitliep op een gevecht tussen de verdachte en de twee anderen, waarbij de verdachte meermalen op het hoofd, waaronder met vuisten, is geslagen en letsel heeft opgelopen; en (iii) de verdachte op het moment van de aanranding door het slachtoffer niet weg kon komen”. Vgl. HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1813, rov. 2.4. In cassatie achtte de Hoge Raad het oordeel waarin het hof het beroep op noodweer verwierp – omdat het met een mes steken door de verdachte in het bovenlichaam van het slachtoffer niet in redelijke verhouding stond tot de aanranding die bestond uit het slaan met blote handen of vuisten – niet zonder meer begrijpelijk. De Hoge Raad overwoog: “Het Hof is bij de beoordeling van het door de verdediging gedane beroep op noodweer immers uitgegaan van de verklaring van de verdachte over de feitelijke gang van zaken die op onderdelen wordt ondersteund door de verklaring van (slachtoffer). Die verklaringen houden echter blijkens het hiervoor weergegeven verweer alsmede bewijsmiddel 2 onder meer in dat (slachtoffer) de verdachte ook bij zijn keel heeft vastgepakt en tijdens de vechtpartij is blijven vasthouden, wat het Hof niet kenbaar bij zijn beoordeling van het beroep op noodweer heeft betrokken.” Zie ook de conclusie van Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnummer 3.14). Vgl. in dat verband ook HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1245, rov. 2.4, waarin het hof overwoog dat weliswaar sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever, maar het beroep op noodweer desondanks verwierp omdat de door de verdachte gegeven “keiharde vuistslag” tegen het hoofd van de aangever in onredelijke verhouding stond tot de ernst van die aanranding. De Hoge Raad casseerde en nam daarbij in aanmerking dat het hof had vastgesteld dat de aangever de verdachte meermalen had geduwd en vervolgens had geslagen – zonder dat het hof nadere vaststellingen had gedaan over de aard en ernst van deze geweldsuitoefening door de aangever op de verdachte – waarna de verdachte één vuistslag tegen het hoofd van de aangever had gegeven. Vgl. HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:512, NJ 2020/176, rov. 2.4. Ook in deze zaak hield de verwerping van het noodweerverweer in cassatie geen stand. De Hoge Raad overwoog: “ Het hof heeft onder meer vastgesteld dat de verdachte eerst door de aangever is geslagen en dat de verdachte vervolgens de aangever met een keukenmes in diens arm heeft gestoken. Het hof heeft geoordeeld dat weliswaar op het moment van het slaan door de aangever sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever waartegen de verdachte zich mocht verdedigen, maar dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt omdat niet voldaan is aan de proportionaliteitseis.