Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-11-18
ECLI:NL:PHR:2025:1240
Strafrecht
5,157 tokens
Conclusie
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. De verdachte is bij arrest van 23 oktober 2024 (parketnummer 10-732032-19) door het gerechtshof Den Haag wegens “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 63 dagen, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van honderdtachtig uur, subsidiair negentig dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de benadeelde partij in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. Het middel komt op tegen de verwerping van het beroep op noodweer.
De bewezenverklaring
3. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“zij op 05 mei 2018 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, in het bovenlichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
De bewijsvoering
4. Deze bewezenverklaring berust op zes bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij het bestreden arrest (p. 14-16), naar de inhoud waarvan ik verwijs.
Het noodweerverweer en de verwerping daarvan
5. Blijkens de overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 oktober 2024 het volgende aangevoerd (onderstrepingen van mijn hand):
“
Mocht u toch tot een bewezenverklaring komen dan wordt uit het verhaal van [verdachte] wel duidelijk dat zij uiteindelijk tijdens de ruzie met [slachtoffer] geen kant op kon.
Het verhaal wordt op belangrijke punten door de verklaring van de [getuige] d.d. 8 mei 2024 ondersteund. Zij hoorde buren ruzie maken in het Papiaments. Zij hadden vaker ruzie, maar nu was het heftiger.
Nadat, na aanbellen de deur werd geopend door het meisje ging het schelden door.
Het meisje gaf een klap. Toen werd het een gevecht. Ze sloegen elkaar over en weer. “Het meisje riep naar mij dat ik 112 moest bellen. De jongen gooide toen de deur dicht.”
Er lijkt dan als sprake te zijn van de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, er is in elk geval voor [verdachte] een noodsituatie, zij roept niet voor niets 112 bellen.
[slachtoffer] gooit daarna de deur dicht. De getuige hoort dat het gevecht doorging en belde de politie.
Het dichttrekken van de deur door [slachtoffer] voorkomt dat een uitweg voor [verdachte] . Zij vlucht naar de slaapkamer. [slachtoffer] volgt. Zij gaat naar de keuken en [slachtoffer] volgt.
Volgens de [getuige] , die net de politie heeft gebeld, hoorde zij eerst dat het niet heftiger werd. “Toen zij had neergelegd werd het opeens heftiger”.
[verdachte] kan feitelijk geen kant op en wordt in haar eigen woning die zij niet kan verlaten aangevallen door de sterkere [slachtoffer] . Zij kon zich niet onttrekken.
Staand tegen het keukenblok gebruikt pakt zij een mes uit dit blok om [slachtoffer] van zich af te houden. Zij had in deze situatie geen andere optie. Feitelijk vastgezet in haar eigen woning was er geen andere optie meer. Zij moest zich wel verdedigen.
Het afdreigen met het mes was in de gegeven situatie ook een proportionele reactie.
Uit niets blijkt dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan een aanvallende actie.
[slachtoffer] probeert het mes af te pakken en in de worsteling wordt hij in de borst geraakt.
En dit alles gebeurde in de heftige en zeer emotionele situatie, direct veroorzaakt door de zeer heftige situatie.
Subsidiair noodweer.”
6. Het hof heeft het beroep op noodweer als volgt samengevat en verworpen (onderstrepingen van mijn hand):
“Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt, het hof het volgende vast.
Tussen de verdachte en het slachtoffer heeft voorafgaand aan het steekincident een ruzie plaatsgevonden, waarbij over en weer werd geslagen. Uit de afgelegde verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof af dat het slachtoffer de voordeur van de woning op slot had gedraaid. De verdachte is vervolgens naar boven gegaan, waarna het slachtoffer haar achtervolgde.
De verdachte bleef roepen dat het slachtoffer haar met rust moest laten. Hij gaf hieraan geen gehoor. Integendeel, hij bleef haar achtervolgen en de ruzie en het gevecht tussen hen beide werd vervolgd in de keuken. Het slachtoffer heeft toen de keukendeur dicht gedaan en is tussen haar en de deur blijven staan, zodat de verdachte niet naar buiten kon
. Het slachtoffer kwam op haar af. Vervolgens heeft de verdachte een mes gepakt en heeft zij – zoals hiervoor vastgesteld – met het mes op aangever ingestoken.
Naar het oordeel van het hof kunnen deze gedragingen van het slachtoffer, temeer nu zich kort daarvoor een vechtpartij, tussen hem en de verdachte had voorgedaan, weliswaar ten minste worden gekwalificeerd als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging geboden was,
maar het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel voldoet niet aan het proportionaliteitsvereiste. Het met een mes steken in de hartstreek van het slachtoffer staat niet in redelijke verhouding tot de ernst van de (dreigende) aanranding en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond.
Het beroep op noodweer zal dan ook worden verworpen.”
Een nadere omschrijving het middel
7. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof geen nadere vaststellingen heeft gedaan over de omstandigheden waaronder “het steken” heeft plaatsgevonden. Het heeft daardoor niet de voor een verwerping van een noodweerverweer vereiste vergelijking gemaakt tussen – enerzijds – de omvang van de wederrechtelijke aanranding, en – anderzijds – het al dan niet disproportionele karakter van het door de verdachte gebruikte verdedigingsmiddel.
8. Het voorgaande klemt temeer, nu i.c. niet (zonder meer) kan worden gezegd dat het door de verdachte met een mes in de borststreek steken van de aangever disproportioneel was. De verdachte had immers geen andere uitweg, en zij kon als zwakkere partij niet met zekerheid weten of zij de aangever wel met haar blote vuisten kon afweren.
Het beoordelingskader
9. In zijn overzichtsarrest van 22 maart 2016, heeft de Hoge Raad het juridisch kader geschetst dat bij de beoordeling van een beroep op noodweer(exces) handvatten biedt. Dit kader veronderstel ik bekend. Wel merk ik ten aanzien van het proportionaliteitsvereiste (waartegen het middel zich in het bijzonder richt) het volgende op.
Proportionaliteit: verdediging moet geboden zijn
10. Een beroep op noodweer komt niet toe aan de verdachte die met zijn gedraging verder gaat dan door de noodzakelijke verdediging ‘geboden’ is. Dat is het geval indien de gedraging als verdedigingsmiddel in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.
Conclusie
17. Het middel slaagt.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
De bijlage met bewijsmiddelen is door de voorzitter ondertekend op 1 april 2025.
Zie de cassatieschriftuur, onder 1.13. Zoals door het hof ook in de bewijsmiddelen is vastgesteld, was – zo betogen de stellers van het middel – sprake van een reeds in de keuken ontstaan en zich vlak voor het steekincident afspelend gevecht waarin verdachte als kwetsbare vrouw in haar eigen woning klappen ontving van de sterkere mannelijke verdachte en de verdachte aangever eerst heeft gevraagd weg te gaan, terwijl deze oproep niet werd gehonoreerd, en aangever vervolgens ook de mogelijkheid tot onttrekking door de verdachte onmogelijk heeft gemaakt.
Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond (overzichtsarrest noodweer/noodweerexces), rov. 3.1.1.-3.5.3. Zie ook HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417, NJ 2022/178 m.nt. Machielse.
Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9177, NJ 2006/650, en HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3895, NJ 2010/391 m.nt. Buruma, rov. 2.5.1-2.5.2.
Zie ook J.M. ten Voorde, Tekst & Commentaar Strafrecht, art. 41 Sr, aant. 4g (actueel t/m 15 april 2025). Vgl. HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4459, NJ 2006/371, en HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773.
In de aanduiding “geboden door de noodzakelijke verdediging” komen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit beide tot uitdrukking. Aangenomen wordt dat in deze – met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden – eisen de proportionaliteitsgedachte met name ligt besloten in de eis van het ‘geboden’ zijn van de verdediging, terwijl de subsidiariteit haar neerslag vindt in de eis van het ‘noodzakelijk’ zijn van de verdediging.
Vgl. HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, NJ 2017/250, rov. 4.4; HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1162, NJ 2018/131, m.nt. Wolswijk, rov. 2.3; HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:434, rov. 2.3; HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1813, rov. 2.3; HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:512, NJ 2020/176, rov. 2.3; HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2013, NJ 2021/247 m.nt. Jörg, rov. 2.3, en HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1245, rov. 2.3.
Vgl. HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982, NJ 2008/233, rov. 5.1-5.3.
In de zaak die aan dit arrest ten grondslag lag, had de verdachte zich tegen de aanval verdedigd door met kracht een diepe steekwond in de rug van het slachtoffer toe te brengen. Het beroep op noodweer werd door het hof verworpen. “Het hof is (…) gelet op de aard van de aanval, te weten het slaan met de blote hand dan wel vuist, van oordeel dat het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel en de wijze waarop hij dit heeft aangewend in die situatie disproportioneel was. Door het mes te hanteren zoals bewezenverklaard heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte niet minder vergaande middelen ter beschikking stonden dan gebruikmaking van het mes. Zo had verdachte bijvoorbeeld het mes uit zijn handen kunnen laten vallen en zich aldus met de blote hand tegen de aanval kunnen verdedigen.”
Dit oordeel hield in cassatie stand. De Hoge Raad overwoog: “Het oordeel van het Hof dat het beroep op noodweer moet worden verworpen omdat de verdachte door het gekozen verdedigingsmiddel en de wijze waarop hij dat heeft aangewend de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat (…) de verdachte zich tegen de aanval heeft verdedigd door met kracht een diepe steekwond in de rug van het slachtoffer toe te brengen als gevolg waarvan het slachtoffer verwondingen heeft opgelopen die fataal zouden zijn geweest als het slachtoffer niet tijdig medisch was behandeld, terwijl de aanval op de verdachte bestond uit het slaan met de blote hand dan wel vuist.”
Zie ook HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond (overzichtsarrest noodweer/noodweerexces), rov. 3.5.3.
Vgl. HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:434, rov. 2.4. Zie ook de conclusie van Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnr. 3.13).
In de zaak die ten grondslag lag aan HR 26 maart 2019 werd het beroep op noodweer door het hof verworpen omdat het met een mes steken door de verdachte in de borststreek van het slachtoffer niet in redelijke verhouding stond tot een aanval die bestond uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist en omdat de verdachte niet eerst had gepoogd een minder verstrekkend verdedigingsmiddel toe te passen. Dat oordeel achtte de Hoge Raad echter niet zonder meer begrijpelijk, nu het hof óók had vastgesteld dat “(i) de verdachte meermalen werd geconfronteerd met het slachtoffer en een voor hem onbekende man; (ii) de laatste confrontatie uiteindelijk uitliep op een gevecht tussen de verdachte en de twee anderen, waarbij de verdachte meermalen op het hoofd, waaronder met vuisten, is geslagen en letsel heeft opgelopen; en (iii) de verdachte op het moment van de aanranding door het slachtoffer niet weg kon komen”.
Vgl. HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1813, rov. 2.4. In cassatie achtte de Hoge Raad het oordeel waarin het hof het beroep op noodweer verwierp – omdat het met een mes steken door de verdachte in het bovenlichaam van het slachtoffer niet in redelijke verhouding stond tot de aanranding die bestond uit het slaan met blote handen of vuisten – niet zonder meer begrijpelijk. De Hoge Raad overwoog: “Het Hof is bij de beoordeling van het door de verdediging gedane beroep op noodweer immers uitgegaan van de verklaring van de verdachte over de feitelijke gang van zaken die op onderdelen wordt ondersteund door de verklaring van (slachtoffer). Die verklaringen houden echter blijkens het hiervoor weergegeven verweer alsmede bewijsmiddel 2 onder meer in dat (slachtoffer) de verdachte ook bij zijn keel heeft vastgepakt en tijdens de vechtpartij is blijven vasthouden, wat het Hof niet kenbaar bij zijn beoordeling van het beroep op noodweer heeft betrokken.” Zie ook de conclusie van Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnummer 3.14).
Vgl. in dat verband ook HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1245, rov. 2.4, waarin het hof overwoog dat weliswaar sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever, maar het beroep op noodweer desondanks verwierp omdat de door de verdachte gegeven “keiharde vuistslag” tegen het hoofd van de aangever in onredelijke verhouding stond tot de ernst van die aanranding. De Hoge Raad casseerde en nam daarbij in aanmerking dat het hof had vastgesteld dat de aangever de verdachte meermalen had geduwd en vervolgens had geslagen – zonder dat het hof nadere vaststellingen had gedaan over de aard en ernst van deze geweldsuitoefening door de aangever op de verdachte – waarna de verdachte één vuistslag tegen het hoofd van de aangever had gegeven.
Vgl. HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:512, NJ 2020/176, rov. 2.4. Ook in deze zaak hield de verwerping van het noodweerverweer in cassatie geen stand. De Hoge Raad overwoog: “Het hof heeft onder meer vastgesteld dat de verdachte eerst door de aangever is geslagen en dat de verdachte vervolgens de aangever met een keukenmes in diens arm heeft gestoken. Het hof heeft geoordeeld dat weliswaar op het moment van het slaan door de aangever sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever waartegen de verdachte zich mocht verdedigen, maar dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt omdat niet voldaan is aan de proportionaliteitseis.
Conclusie
Bij beoordeling van de vraag of aan deze – tot terughoudendheid nopende – ‘proportionaliteitsmaatstaf’ is voldaan, staan de keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt centraal.
11. Daarbij laat rechtspraak van de Hoge Raad zien dat bij het beoordelen van de (on)redelijkheid van de verhouding tussen het verdedigingsmiddel en de ernst van de aanranding, betekenis toekomt aan de concrete omstandigheden van het geval. Zo kan uit deze rechtspraak worden afgeleid dat het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond in beginsel niet in verhouding staat met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist, maar dat het bestaan van bijzondere omstandigheden de feitenrechter tot een ander oordeel kan nopen. Denk bijvoorbeeld aan het geval waarin de verdachte wordt geconfronteerd met een overtalsituatie en niet kan wegkomen, de aanranding – naast blote handen of vuisten – ook bestaat uit het langdurig dichtknijpen van de keel, of de verdachte wordt aangevallen door een persoon die veel groter is dan hij.
12. Ik wijs in dit verband ook op de conclusie van a-g Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnummers 3.11-3.21, en 3.25), waarin hij een aantal van de (hiervoor reeds in de voetnoten aangehaalde) arresten van de Hoge Raad – waarin een discrepantie bestond tussen het aanrandingsmiddel en het verdedigingsmiddel – heeft geanalyseerd, en naar aanleiding daarvan concludeert: “Uit verschillende van die zaken blijkt dat zelfs wanneer het verdedigingsmiddel als zodanig wezenlijk zwaarder is dan het aanrandingsmiddel, dat op zichzelf nog niet hoeft te betekenen dat het proportionaliteitsvereiste een succesvol beroep op noodweer in de weg staat.”Bij de toepassing van het proportionaliteitsvereiste gaat het, aldus Van Kempen, dan ook niet “om een pure evenredigheidsbeoordeling, maar om een redelijkheidsoordeel waarvoor de bredere context van de gebeurtenis van belang kan zijn en waarbij geldt dat de precieze manier van verdedigen zeker niet optimaal hoeft te zijn”.
De bespreking van het middel
13. Het hof heeft het beroep op noodweer verworpen. Het heeft in dat verband – overeenkomstig de lezing van de verdediging – vastgesteld (i) dat in de woning van de verdachte en haar toenmalige vriend (het slachtoffer) een steekincident heeft plaatsgevonden, waarbij het slachtoffer een steekwond heeft opgelopen, ter hoogte van zijn borst rondom zijn hartstreek, (ii) dat zij voorafgaand aan het steekincident ruzie hadden, waarbij over en weer (met vuisten) werd geslagen, (iii) dat de verdachte meermaals heeft geroepen dat het slachtoffer haar met rust moest laten, maar dat hij hieraan geen gehoor heeft gegeven, en haar in de woning bleef achtervolgen, (iv) dat de confrontatie zich voortzette in de keuken, dat het slachtoffer daarbij de keukendeur heeft dichtgedaan, en tussen de verdachte en de deur is blijven staan zodat de verdachte niet naar buiten kon, (v) dat het slachtoffer vervolgens op de verdachte is afgekomen, (vi) en dat de verdachte toen een mes heeft gepakt en daarmee op het slachtoffer heeft ingestoken (zie onder randnummer 6).
14. Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van het slachtoffer “ten minste worden gekwalificeerd als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding” van verdachtes lijf, waartegen zij zich redelijkerwijs mocht verdedigen, maar is de wijze waarop de verdachte zich heeft verdedigd disproportioneel, nu het met een mes steken in de hartstreek van het slachtoffer niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de (dreigende) aanranding en “de omstandigheden waaronder deze plaatsvond”.
15. Gelet op wat de verdediging ten overstaan van het hof naar voren heeft gebracht (zie onder randnummer 5) en in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad (besproken onder randnummers 10-12), acht ik dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat het hof klaarblijkelijk is uitgegaan van de juistheid van de verklaring van de verdachte dat het slachtoffer haar niet met rust wilde laten, dat hij haar heeft achtervolgd naar de keuken, de keukendeur heeft dichtgedaan waardoor zij niet naar buiten kon, en toen op haar is afgekomen, maar dat het hof deze omstandigheden vervolgens niet kenbaar in zijn beoordeling van het noodweerverweer heeft betrokken.
16. Het middel klaagt daarover terecht.