Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-26
ECLI:NL:PHR:2026:528
Strafrecht
6,102 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:528 text/xml public 2026-05-28T12:45:47 2026-05-24 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-26 24/01769 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:528 text/html public 2026-05-28T12:40:57 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:528 Parket bij de Hoge Raad , 26-05-2026 / 24/01769 Conclusie AG. Niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep. Slagend middel over het oordeel van het hof dat het hoger beroep tardief is ingesteld. Ambtshalve opmerking over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01769 Zitting 26 mei 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998, hierna: de verdachte. Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 1 mei 2024 (parketnummer 21-004334-23) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 29 april 2022. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R. van Maaren, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel 3. Het middel is in de kern gericht tegen het oordeel dat het hoger beroep te laat is ingesteld. De processuele gang van zaken 4. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich, voor zover van belang voor de bespreking van het middel: a) Een aan de verdachte geadresseerde akte van uitreiking van 21 maart 2022, die inhoudt dat de dagvaarding voor de zitting in eerste aanleg van 29 april 2022, in de zaak met parketnummer 96-305026-20, is uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie. b) Een aantekening mondeling vonnis van de rechtbank Gelderland van 29 april 2022, in de zaak met parketnummer 96-305026-20, met de strekking dat de verdachte wegens “ als bestuurder van een motorrijtuig daarmee op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden ” bij verstek is veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. c) Een akte van uitreiking met invuldatum “ 02-01” en vermelding van parketnummer 96-305026-20, waarop met de hand onder meer zijn genoteerd verdachtes personalia en handtekening. d) Een aan de hiervoor bedoelde akte van uitreiking gehecht mutatierapport van 2 januari 2023 met vermelding van parketnummers 96-305026-20 en 96-310944-20. In het rapport is onder meer opgenomen: “ aan betrokkene 2x gerechtelijke stukken betekend ” en “ beide stukken zijn uitgereikt, echter per abuis 1 stuk laten tekenen. Later teruggegaan om 2de stuk te laten tekenen, maar toen bleek betrokkene niet meer thuis. Vader zou 2de stuk aan betrokkene overhandigen.” Achter parketnummer 96-310944-20 is met de hand geschreven “ uitreiking NIP ”. e) Een appelakte waaruit blijkt dat op 21 september 2023 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank met parketnummer 96-305026-20. f) Een aantekening mondeling arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 mei 2024, op het hoger beroep dat is gewezen tegen het vonnis met parketnummer 96-305026-20. Deze aantekening vermeldt dat de verdachte niet-ontvankelijk is verklaard in het hoger beroep, omdat het hoger beroep na het verstrijken van de appeltermijn is ingesteld. 5. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 mei 2024 is over de tijdigheid van het ingestelde hoger beroep, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen: “Ontvankelijkheid van het hoger beroep Standpunt van het Openhaar Ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het hoger beroep niet binnen de wettelijke termijn is ingesteld. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep tijdig is ingesteld. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de betekening van het vonnis niet rechtsgeldig is geschied. Oordeel van het hof Het hof is – anders dan de raadsman – van oordeel dat het hoger beroep te laat is ingesteld. Vast staat dat de verdachte op 21 september 2023 hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis van 29 april 2022 van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland. Het parketnummer van deze zaak in eerste aanleg was 96-305026-20. Het hof is van oordeel dat dit vonnis conform de wettelijke vereisten op 2 januari 2023 is uitgereikt aan de verdachte in persoon. Dit blijkt uit het mutatierapport van de politie van laatstgenoemde datum waarin twee parketnummers staan vermeld, waaronder het parketnummer van onderhavige zaak. In het mutatierapport staat vermeld dat beide gerechtelijke stukken zijn uitgereikt en dat daarvoor is getekend. Bij het andere parketnummer staat vermeldt 'uitreiking NIP’. Uit het mutatierapport leidt het hof af dat het stuk met het andere parketnummer is uitgereikt aan de vader van verdachte en dat het stuk dat betrekking heeft op de onderhavige zaak (dus) is uitgereikt aan verdachte in persoon. De onderhavige zaak betreft een kantonovertreding wat naar haar aard een overzichtelijk dossier is. Het hof ziet niet in welk ander gerechtelijk stuk met onderhavig parketnummer op 2 januari 2023 aan de verdachte betekend kan zijn. Het enige andere stuk dat als ‘gerechtelijk stuk' kan worden geclassificeerd in een zaak als de onderhavige is de rijontzegging, maar deze is immers op 21 september 2023 aan de verdachte uitgereikt. Het voorgaande maakt dat het vonnis van de kantonrechter op 2 januari 2023 conform de wettelijke vereisten aan in persoon aan verdachte is betekend. Het hoger beroep is pas 21 september 2023 ingesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 408. eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering dient het hoger beroep binnen veertien dagen na betekening in persoon te worden ingesteld. Nu niet gebleken is van een verschoonbare termijnoverschrijding zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep .” Het beoordelingskader 6. Artikel 408 Sv luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “ 1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien: a. De dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend; b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen; c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was; (…) 2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is .” 7. Van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, zoals bedoeld in artikel 408 lid 2 Sv, is sprake als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep. Gegevens die volgens de Hoge Raad van belang zijn voor die besluitvorming zijn bijvoorbeeld de aard of de zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en). Een stuk met de enkele vermelding van het parketnummer van de zaak waarin uitspraak is gedaan levert geen omstandigheid in de zin van artikel 408 lid 2 Sv op. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan verder worden afgeleid dat het niet volstaat dat aannemelijk is dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is; een dergelijke omstandigheid moet vaststaan. De bespreking van het middel 8.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:528 text/xml public 2026-05-28T12:45:47 2026-05-24 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-26 24/01769 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:528 text/html public 2026-05-28T12:40:57 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:528 Parket bij de Hoge Raad , 26-05-2026 / 24/01769 Conclusie AG. Niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep. Slagend middel over het oordeel van het hof dat het hoger beroep tardief is ingesteld. Ambtshalve opmerking over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01769 Zitting 26 mei 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998, hierna: de verdachte. Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 1 mei 2024 (parketnummer 21-004334-23) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 29 april 2022. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R. van Maaren, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel 3. Het middel is in de kern gericht tegen het oordeel dat het hoger beroep te laat is ingesteld. De processuele gang van zaken 4. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich, voor zover van belang voor de bespreking van het middel: a) Een aan de verdachte geadresseerde akte van uitreiking van 21 maart 2022, die inhoudt dat de dagvaarding voor de zitting in eerste aanleg van 29 april 2022, in de zaak met parketnummer 96-305026-20, is uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie. b) Een aantekening mondeling vonnis van de rechtbank Gelderland van 29 april 2022, in de zaak met parketnummer 96-305026-20, met de strekking dat de verdachte wegens “ als bestuurder van een motorrijtuig daarmee op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden ” bij verstek is veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. c) Een akte van uitreiking met invuldatum “ 02-01” en vermelding van parketnummer 96-305026-20, waarop met de hand onder meer zijn genoteerd verdachtes personalia en handtekening. d) Een aan de hiervoor bedoelde akte van uitreiking gehecht mutatierapport van 2 januari 2023 met vermelding van parketnummers 96-305026-20 en 96-310944-20. In het rapport is onder meer opgenomen: “ aan betrokkene 2x gerechtelijke stukken betekend ” en “ beide stukken zijn uitgereikt, echter per abuis 1 stuk laten tekenen. Later teruggegaan om 2de stuk te laten tekenen, maar toen bleek betrokkene niet meer thuis. Vader zou 2de stuk aan betrokkene overhandigen.” Achter parketnummer 96-310944-20 is met de hand geschreven “ uitreiking NIP ”. e) Een appelakte waaruit blijkt dat op 21 september 2023 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank met parketnummer 96-305026-20. f) Een aantekening mondeling arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 mei 2024, op het hoger beroep dat is gewezen tegen het vonnis met parketnummer 96-305026-20. Deze aantekening vermeldt dat de verdachte niet-ontvankelijk is verklaard in het hoger beroep, omdat het hoger beroep na het verstrijken van de appeltermijn is ingesteld. 5. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 mei 2024 is over de tijdigheid van het ingestelde hoger beroep, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen: “Ontvankelijkheid van het hoger beroep Standpunt van het Openhaar Ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het hoger beroep niet binnen de wettelijke termijn is ingesteld. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep tijdig is ingesteld. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de betekening van het vonnis niet rechtsgeldig is geschied. Oordeel van het hof Het hof is – anders dan de raadsman – van oordeel dat het hoger beroep te laat is ingesteld. Vast staat dat de verdachte op 21 september 2023 hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis van 29 april 2022 van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland. Het parketnummer van deze zaak in eerste aanleg was 96-305026-20. Het hof is van oordeel dat dit vonnis conform de wettelijke vereisten op 2 januari 2023 is uitgereikt aan de verdachte in persoon. Dit blijkt uit het mutatierapport van de politie van laatstgenoemde datum waarin twee parketnummers staan vermeld, waaronder het parketnummer van onderhavige zaak. In het mutatierapport staat vermeld dat beide gerechtelijke stukken zijn uitgereikt en dat daarvoor is getekend. Bij het andere parketnummer staat vermeldt 'uitreiking NIP’. Uit het mutatierapport leidt het hof af dat het stuk met het andere parketnummer is uitgereikt aan de vader van verdachte en dat het stuk dat betrekking heeft op de onderhavige zaak (dus) is uitgereikt aan verdachte in persoon. De onderhavige zaak betreft een kantonovertreding wat naar haar aard een overzichtelijk dossier is. Het hof ziet niet in welk ander gerechtelijk stuk met onderhavig parketnummer op 2 januari 2023 aan de verdachte betekend kan zijn. Het enige andere stuk dat als ‘gerechtelijk stuk' kan worden geclassificeerd in een zaak als de onderhavige is de rijontzegging, maar deze is immers op 21 september 2023 aan de verdachte uitgereikt. Het voorgaande maakt dat het vonnis van de kantonrechter op 2 januari 2023 conform de wettelijke vereisten aan in persoon aan verdachte is betekend. Het hoger beroep is pas 21 september 2023 ingesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 408. eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering dient het hoger beroep binnen veertien dagen na betekening in persoon te worden ingesteld. Nu niet gebleken is van een verschoonbare termijnoverschrijding zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep .” Het beoordelingskader 6. Artikel 408 Sv luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “ 1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien: a. De dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend; b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen; c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was; (…) 2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is .” 7. Van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, zoals bedoeld in artikel 408 lid 2 Sv, is sprake als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep. Gegevens die volgens de Hoge Raad van belang zijn voor die besluitvorming zijn bijvoorbeeld de aard of de zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en). Een stuk met de enkele vermelding van het parketnummer van de zaak waarin uitspraak is gedaan levert geen omstandigheid in de zin van artikel 408 lid 2 Sv op. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan verder worden afgeleid dat het niet volstaat dat aannemelijk is dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is; een dergelijke omstandigheid moet vaststaan. De bespreking van het middel 8.
Volledig
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep, omdat het hoger beroep te laat, te weten op 21 september 2023, is ingesteld en niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding. Zowel de aantekening mondeling arrest als het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep houden als het oordeel van het hof in dat het hoger beroep had moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan de verdachte in persoon op 2 januari 2023, terwijl het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep daarbij “ artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering” vermeldt. Dat het vonnis op 2 januari 2023 aan de verdachte in persoon is betekend, heeft het hof ontleend aan de akte van uitreiking en het daaraan gehechte mutatierapport. In het bijzonder heeft het daarbij betrokken dat in het mutatierapport het parketnummer van de onderhavige zaak en een ander parketnummer zijn opgenomen, dat erin staat dat beide gerechtelijke stukken zijn uitgereikt en dat achter het andere parketnummer ‘uitreiking NIP’ is geschreven. Ook heeft het hof overwogen dat de onderhavige zaak een kantonovertreding betreft met een naar haar aard overzichtelijk dossier en dat het niet inziet welk ander gerechtelijk stuk in de zaak dan het vonnis aan de verdachte betekend kan zijn. 9. Uit de stukken van het geding volgt dat de dagvaarding voor de zitting in eerste aanleg niet in persoon is betekend, dat de verdachte niet op die zitting is verschenen en dat zich anderszins geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van die zitting de verdachte tevoren bekend was. Mitsdien doet zich geen van de in artikel 408 lid 1 Sv omschreven situaties voor. Het uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep blijkende oordeel dat het hoger beroep “ gelet op het bepaalde in artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering” te laat is ingesteld, getuigt aldus van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof heeft bedoeld dat zich blijkens de akte van uitreiking en het daaraan gehechte mutatierapport een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is in de zin van artikel 408 lid 2 Sv, is dat oordeel gelet op hetgeen onder randnummers 6 en 7 is vooropgesteld onbegrijpelijk. Met het oog op de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep houden de akte van uitreiking en het mutatierapport namelijk niets meer in dan het parketnummer van de zaak. Evenmin is aan die stukken een mededeling van de uitspraak gehecht, waardoor niet kan worden vastgesteld – zoals het hof heeft gedaan – dat het vonnis aan de verdachte is uitgereikt. Slotsom 10. Het middel slaagt. 11. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, waarmee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM wordt overschreden. In het geval van terugwijzing van de zaak kan het met de berechting gemoeide tijdsverloop bij het hof aan de orde worden gesteld. 12. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen. 13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, zodat de zaak op basis van het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. HR 3 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9722; HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940, en HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2011. Vgl. HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:746, en HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1225 (art. 81 lid 1 RO). Vgl. HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1619, en de daaraan voorafgegane conclusie van AG Keulen van 30 augustus 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1062, waarin hij spreekt van “ wezenlijke eisen” die aan de vaststelling van een omstandigheid in de zin van art. 408 lid 2 Sv moeten worden gesteld vanwege de gevolgen die daaraan worden verbonden, en (opnieuw) HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1225 (art. 81 lid 1 RO).
Volledig
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep, omdat het hoger beroep te laat, te weten op 21 september 2023, is ingesteld en niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding. Zowel de aantekening mondeling arrest als het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep houden als het oordeel van het hof in dat het hoger beroep had moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan de verdachte in persoon op 2 januari 2023, terwijl het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep daarbij “ artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering” vermeldt. Dat het vonnis op 2 januari 2023 aan de verdachte in persoon is betekend, heeft het hof ontleend aan de akte van uitreiking en het daaraan gehechte mutatierapport. In het bijzonder heeft het daarbij betrokken dat in het mutatierapport het parketnummer van de onderhavige zaak en een ander parketnummer zijn opgenomen, dat erin staat dat beide gerechtelijke stukken zijn uitgereikt en dat achter het andere parketnummer ‘uitreiking NIP’ is geschreven. Ook heeft het hof overwogen dat de onderhavige zaak een kantonovertreding betreft met een naar haar aard overzichtelijk dossier en dat het niet inziet welk ander gerechtelijk stuk in de zaak dan het vonnis aan de verdachte betekend kan zijn. 9. Uit de stukken van het geding volgt dat de dagvaarding voor de zitting in eerste aanleg niet in persoon is betekend, dat de verdachte niet op die zitting is verschenen en dat zich anderszins geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van die zitting de verdachte tevoren bekend was. Mitsdien doet zich geen van de in artikel 408 lid 1 Sv omschreven situaties voor. Het uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep blijkende oordeel dat het hoger beroep “ gelet op het bepaalde in artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering” te laat is ingesteld, getuigt aldus van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof heeft bedoeld dat zich blijkens de akte van uitreiking en het daaraan gehechte mutatierapport een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is in de zin van artikel 408 lid 2 Sv, is dat oordeel gelet op hetgeen onder randnummers 6 en 7 is vooropgesteld onbegrijpelijk. Met het oog op de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep houden de akte van uitreiking en het mutatierapport namelijk niets meer in dan het parketnummer van de zaak. Evenmin is aan die stukken een mededeling van de uitspraak gehecht, waardoor niet kan worden vastgesteld – zoals het hof heeft gedaan – dat het vonnis aan de verdachte is uitgereikt. Slotsom 10. Het middel slaagt. 11. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, waarmee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM wordt overschreden. In het geval van terugwijzing van de zaak kan het met de berechting gemoeide tijdsverloop bij het hof aan de orde worden gesteld. 12. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen. 13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, zodat de zaak op basis van het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. HR 3 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9722; HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940, en HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2011. Vgl. HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:746, en HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1225 (art. 81 lid 1 RO). Vgl. HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1619, en de daaraan voorafgegane conclusie van AG Keulen van 30 augustus 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1062, waarin hij spreekt van “ wezenlijke eisen” die aan de vaststelling van een omstandigheid in de zin van art. 408 lid 2 Sv moeten worden gesteld vanwege de gevolgen die daaraan worden verbonden, en (opnieuw) HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1225 (art. 81 lid 1 RO).