Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-10
ECLI:NL:PHR:2026:227
Strafrecht
7,961 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:227 text/xml public 2026-03-13T13:04:27 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-10 25/01050 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:227 text/html public 2026-03-13T13:01:53 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:227 Parket bij de Hoge Raad , 10-03-2026 / 25/01050 Conclusie AG. Tardief appel. Hof heeft de door de raadsman van verdachte overgelegde Whatsapp-berichten van de verdachte aangemerkt als “een omstandigheid […] waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is” als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv. Volgens de AG is dat oordeel gelet op de inhoud van die berichten niet zonder meer begrijpelijk. AG geeft daarbij overzicht van relevante rechtspraak over art. 408 lid 2 Sv en het vereiste van bekendheid met de strafoplegging. Deze conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/01050 Zitting 10 maart 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [plaats] op [geboortedatum] 1994, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 21 maart 2025 (parketnr. 21-002894-24) de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat in Nijmegen, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 De verdachte is door het hof niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, omdat het hoger beroep volgens het hof niet tijdig is ingesteld. Het hof heeft door de raadsman van de verdachte overgelegde Whatsapp-berichten van de verdachte aangemerkt als “een omstandigheid […] waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is” als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv. Tegen de begrijpelijkheid van dat oordeel wordt in cassatie opgekomen. 2.2 Deze conclusie strekt tot vernietiging. 3 Het middel 3.1 Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep onbegrijpelijk is, omdat de inhoud van de door de raadsman van de verdachte aan het hof overgelegde Whatsappberichten van de verdachte niet een omstandigheid oplevert als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv. 3.2 De verdachte is bij het bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 19 augustus 2022 (parketnr. 05-176171-20) veroordeeld wegens 1. “feitelijke aanranding van de eerbaarheid” en 2. “schennis van de eerbaarheid, op een andere dan de in artikel 239 onder 1 bedoelde openbare plaats, toegankelijk voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar”. Het hof heeft daarvoor een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. 3.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in: “Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat te Nijmegen, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. Alle hierna aangehaalde en weergegeven verklaringen zijn zakelijk weergegeven. De raadsman deelt desgevraagd mede: De verdachte is ziek. De voorzitter deelt mede: Het hof heeft gisteravond een e-mailbericht van de raadsman ontvangen met als bijlagen een aantal WhatsApp-berichten die de verdachte aan de raadsman zou hebben verstuurd. De raadsman deelt mede: Dat klopt. Die berichten heb ik bijgevoegd ter onderbouwing van de te bepleiten (terug)verwijzing naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling in eerste aanleg wegens nietigheid van de in verband met rechtszitting in eerste aanleg op 5 augustus 2022 uitgebrachte dagvaarding. De voorzitter deelt mede: Naar aanleiding van de door verdachte verzonden WhatsApp-berichten wenst het hof eerst de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde te stellen. In de WhatsApp-berichten is met zoveel woorden tot twee keer toe vermeld dat aan de verdachte in 2023 door de politie in Nijmegen een brief is overhandigd van de rechtbank in Arnhem waarin stond vermeld dat als de verdachte zich de komende twee jaar schuldig zou maken aan een strafbaar feit, hij voor twee maanden naar de gevangenis zou moeten. De verdachte stelt toen zijn juiste adres te hebben opgegeven en vervolgens heeft hij afgewacht tot dat hij in 2024 op Schiphol uit de rij is gehaald en is vastgezet. Het lijkt er dus op dat de verdachte in 2023 al op de hoogte was van de uitspraak, terwijl hij pas in 2024 hoger beroep heeft ingesteld. De raadsman deelt mede: Het is wat het is. Ik heb hier geen reactie op. De advocaat-generaal deelt mede: Het dossier bevat geen betekeningsstukken van de uitspraak in 2023, maar de WhatsApp-berichten laten weinig andere conclusie toe dan dat de verdachte al ruim voordat het appel is ingesteld op de hoogte was van de inhoud van het vonnis. Ik stel mij dan ook op het standpunt dat het hoger beroep te laat is ingesteld en dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. De raadsman deelt mede geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid op het standpunt van de advocaat-generaal te reageren.” 3.4 Het bestreden arrest houdt het volgende in: “ Ontvankelijkheid van het hoger beroep De dagvaarding voor de zitting van de rechtbank van 5 augustus 2022 is niet aan de verdachte in persoon betekend. De verdachte is niet ter zitting van de rechtbank verschenen. De rechtbank heeft op 5 augustus 2022 verstek verleend aan de verdachte en vervolgens op 19 augustus 2022 vonnis gewezen, waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Op 8 juli 2024 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. Bij e-mailbericht van 20 maart 2025 heeft de raadsman het hof een drietal WhatsApp-berichten doen toekomen van de verdachte gericht aan de raadsman, waarin de verdachte onder meer reageert op de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg. In die WhatsApp-berichten is met zoveel woorden twee keer vermeld dat aan de verdachte in 2023 door de politie in Nijmegen een brief is overhandigd van de rechtbank in Arnhem waarin stond vermeld dat als de verdachte zich de komende twee jaar schuldig zou maken aan een strafbaar feit, hij voor twee maanden naar de gevangenis zou moeten. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 13 februari 2025 blijkt dat aan de verdachte geen andere voorwaardelijke gevangenisstraffen zijn opgelegd dan in de onderhavige zaak. Naar het oordeel van het hof dienen deze berichten van de verdachte derhalve worden aangemerkt als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de verdachte reeds in 2023 met de einduitspraak van de rechtbank bekend is geraakt, als bedoeld in het bepaalde van artikel 408 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Dit betekent dat de verdachte binnen veertien dagen na die datum hoger beroep had moeten instellen. Nu de verdachte pas op 8 juli 2024, ruim na het verstrijken van die termijn, hoger beroep heeft ingesteld, is dat buiten de termijn van veertien dagen gedaan. Niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan deze termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht. De verdachte dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.” 3.5 Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich genoemd e-mailbericht van 20 maart 2025.
Volledig
Dit bericht houdt het volgende in: 3.6 De bijlagen bij genoemd e-mailbericht van 20 maart 2025 zijn de volgende: 3.7 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de onder 3.6 weergegeven Whatsapp-berichten van de verdachte niet blijkt dat de verdachte op de hoogte is gesteld van hetgeen voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van een rechtsmiddel, nu in de brief van de rechtbank Arnhem waarover de verdachte in die berichten spreekt niet stond dat hem naast de voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden was opgelegd. In 2023 zou de verdachte slechts hebben geweten dat hij twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd had gekregen. Dat heeft hem er destijds toe doen besluiten om geen hoger beroep in te stellen tegen het vonnis. 3.8 Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang: - Artikel 14a lid 1 Sv: “In geval van veroordeling tot gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, tot taakstraf of tot geldboete, kan de rechter bepalen dat de straf of een gedeelte daarvan niet zal worden tenuitvoergelegd.” - Artikel 366 Sv: “1. De officier van justitie doet de mededeling van het vonnis dat de beslissing van de rechtbank op grond van artikel 349, 351 of 352, tweede lid, bevat en dat buiten de aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken, zo spoedig mogelijk aan hem betekenen. […] 3. De mededeling vermeldt de rechter die het vonnis heeft gewezen, de dagtekening van het vonnis, de benaming van het strafbaar feit met vermelding van de plaats en het tijdstip waarop het zou zijn begaan, en voor zoveel in het vonnis vermeld, naam en voornamen, geboortedatum en -plaats, en de woon- of verblijfplaats van de verdachte. 4. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem tevens een schriftelijke vertaling van de mededeling in een voor hem begrijpelijke taal verstrekt.” - Artikel 366a lid 1 en 3 Sv: “1. In geval artikel 14a, 38v, 38z of 77x van het Wetboek van Strafrecht is toegepast, kan vanwege het openbaar ministerie aan de verdachte aanstonds na de uitspraak op de terechtzitting een mededeling in persoon worden uitgereikt. De mededeling houdt in de straf of maatregel waartoe de verdachte is veroordeeld en alle beslissingen die betrekking hebben op de in artikel 14c, 38v, 38z of 77z van het Wetboek van Strafrecht bedoelde algemene en bijzondere voorwaarden of vrijheidsbeperkende maatregel. De mededeling houdt daarnaast de datum van ingang van de proeftijd dan wel de maatregel in, indien de verdachte afziet van een rechtsmiddel of indien de rechter beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. […] 3. In alle overige gevallen wordt de mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan de verdachte in persoon betekend. Deze mededeling bevat tevens de in artikel 366, eerste en derde lid, genoemde gegevens.” - Artikel 408 lid 2 Sv: “In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.” Jurisprudentie bekendheid met de strafoplegging 3.9 Allereerst zijn er diverse zaken waarin het hof terecht tot toepassing kwam van art. 408 lid 2 Sv. 3.10 In het arrest van de Hoge Raad van 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3055, NJ 2008/22 had het hof, voor zover hier van belang, de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, omdat de verdachte op 15 april 2005 op de hoogte was van het vonnis en eerst op 3 mei 2005 hoger beroep was ingesteld. Dat de verdachte op 15 april 2005 op de hoogte was van het vonnis had het hof afgeleid uit een brief van de raadsman van de verdachte van die datum, waarin stond vermeld dat de verdachte een dag eerder was aangehouden en dat het vonnis van de rechtbank – onder vermelding door de raadsman van het parketnummer van de zaak alsmede de opgelegde straf – de raadsman en de verdachte bekend was. De Hoge Raad overwoog dat ’s hofs oordeel dat de verdachte op 15 april 2005 over voldoende gegevens beschikte omtrent hetgeen voor hem van belang was voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting over het bepaalde in art. 408 lid 2 Sv, terwijl het oordeel evenmin onbegrijpelijk was. 3.11 In HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7028, NJ 2009/429 had het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het eerst op 30 mei 2006 ingestelde hoger beroep tegen het bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 8 april 2002. Volgens het hof beschikte de verdachte op enig moment in het jaar 2002, na kennisneming van een krantenknipsel betreffende zijn veroordeling en de aan hem opgelegde gevangenisstraf en na het daarop volgende contact met zijn raadsman over de consequenties van die veroordeling, over voldoende gegevens omtrent hetgeen voor hem van belang was voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep. Volgens de Hoge Raad gaf dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting over het bepaalde in art. 408 lid 2 Sv en was dat oordeel evenmin onbegrijpelijk. 3.12 De uitspraak van het hof bleef ook in stand in HR 2 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1821, NJ 2018/404. In die zaak oordeelde het hof dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak van de politierechter de verdachte in of rond juli 2014 bekend was en dat de verdachte niet-ontvankelijk is in haar op 6 april 2016 ingestelde hoger beroep. Volgens de Hoge Raad gaf het oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was het niet onbegrijpelijk. In deze zaak had het hof – in reactie op het betoog van de raadsman dat de verdachte, kort gezegd, alleen wist van een openstaande werkstraf van 30 uren en niet van de bij het vonnis van de politierechter opgelegde werkstraf van 240 uren – op basis van een reclasseringsrapport vastgesteld dat de verdachte in of rond juli 2014 telefonisch contact heeft gehad met een reclasseringsmedewerker over de uitvoering van de in de onderhavige strafzaak aan de verdachte opgelegde werkstraf van 240 uren. Daarbij had het hof mede in aanmerking genomen dat het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte inhield dat de werkstraf van 30 uren waarop de verdediging kennelijk het oog had bijna twaalf jaar daarvoor was opgelegd en daarvan ook niet bleek uit de genoemde reclasseringsrapportage. 3.13 In HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1933 deed zich het geval voor waarin de verdachte door de kantonrechter op 11 februari 2020 bij verstek was veroordeeld en de verdachte op 26 maart 2020 tegen het vonnis hoger beroep had ingesteld. Het hof had op basis van een ‘proces-verbaal van mededeling van een niet onherroepelijk vonnis of arrest’ van 10 maart 2020 – welk proces-verbaal door het hof was aangemerkt als “bonnenbriefje” – vastgesteld dat het vonnis op 10 maart 2020 aan de verdachte in persoon was betekend. Dit “bonnenbriefje” hield onder meer in dat de uitreikende verbalisant aan de verdachte had medegedeeld tot welke straf(fen) hij volgens het arrestatiebevel was veroordeeld en dat binnen veertien dagen een rechtsmiddel kon worden aangewend. De zich eveneens bij de stukken bevindende ‘mededeling uitspraak’ hield onder meer in dat de verdachte tot een hechtenis voor de duur van twee weken was veroordeeld. De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof dat de verdachte – mede in het licht van het verhandelde ter terechtzitting – op 10 maart 2020 over voldoende gegevens beschikte over wat voor hem van belang was voor het instellen van hoger beroep, zodat de verdachte binnen veertien dagen na 10 maart 2020 hoger beroep kon instellen, niet onbegrijpelijk was. 3.14 Anders lag het in de volgende gevallen.
Volledig
3.15 In de zaak die leidde tot HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940, NJ 2013/131 hielden de gedingstukken in dat de verdachte bij vonnis van 19 augustus 2009 bij verstek was veroordeeld, dat de “mededeling uitspraak” van het vonnis op 9 november 2009 aan de verdachte in persoon is uitgereikt en dat op 13 november 2009 door de verdachte hoger beroep tegen het vonnis was ingesteld. Het hof had de verdachte desondanks niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat blijkens de dossierstukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep kon worden vastgesteld dat de verdachte uiterlijk op 1 oktober 2009 op de hoogte was van de uitspraak van de politierechter, zodat het eerst op 13 november 2009 ingestelde hoger beroep tardief was. De Hoge Raad overwoog dat het kennelijke oordeel van het hof dat uit de omstandigheid dat de verdachte denkt de dagvaarding in de maand september 2009 in handen te hebben gekregen en te hebben gelezen, zodat hij toen van de tenlastelegging op de hoogte is geraakt en kort nadien van de rechtbank te horen heeft gekregen dat het vonnis al was uitgesproken en dat het “in zijn nadeel” was, kan worden afgeleid dat de verdachte uiterlijk op 1 oktober 2009 over voldoende informatie beschikte over datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, niet zonder meer begrijpelijk was. Volgens de Hoge Raad had het hof niet voldoende concreet vastgesteld dat de gegevens waarvan de verdachte uiterlijk op 1 oktober 2009 op de hoogte was gegevens betroffen die voor hem van belang waren voor zijn besluitvorming, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en). 3.16 Ook in HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3353, NJ 2016/11 hield het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte uiterlijk op 26 september 2012 over voldoende informatie als bedoeld in vorenbedoelde zin beschikte, zodat het eerst op 18 december 2012 ingestelde hoger beroep tardief was, in cassatie geen stand. Volgens de Hoge Raad kon uit de in de brief van de verdachte vermelde gegevens – datum vonnis en parketnummer – niet volgen dat de verdachte toen reeds op de hoogte was van datgene wat voor hem van belang was voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en). 3.17 Tot cassatie leidde ook de niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep in HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:746, NJ 2018/264. Het hof had vastgesteld dat het vonnis waarvan beroep op 9 juli 2015 aan de verdachte in persoon was betekend (door de Hoge Raad gelezen als: mondeling medegedeeld). Daarbij had het hof opgemerkt dat abusievelijk de datum van betekening was vermeld als datum waarop het vonnis is gewezen. Volgens het hof mocht van de verdachte worden verwacht “dat, gelet op het parketnummer dat op de mededeling uitspraak wordt genoemd, zijnde het parketnummer van het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht, en de mededeling daarop dat de griffie van het gerecht nadere inlichtingen kan verschaffen over de inhoud van de uitspraak en over het eventueel in te stellen rechtsmiddel, hij in contact treedt met de griffie van genoemd gerecht”. Nu de verdachte dit op zijn beloop had gelaten en het hoger beroep eerst na het verstrijken van de veertien dagen termijn was ingesteld verklaarde het hof de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Onjuist was volgens de Hoge Raad het kennelijke oordeel door het hof dat de enkele vermelding van het parketnummer op de mededeling uitspraak voldoende is voor de aanwezigheid van een omstandigheid als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv, mede omdat “van de verdachte mag worden verwacht dat, gelet op het parketnummer dat op de mededeling uitspraak wordt genoemd, zijnde het parketnummer van het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht, en de mededeling daarop dat de griffie van het gerecht nadere inlichtingen kan verschaffen over de inhoud van de uitspraak en over het eventueel in te stellen rechtsmiddel, hij in contact treedt met de griffie van genoemd gerecht". 3.18 Onbegrijpelijk was ook het oordeel van het hof dat zich een omstandigheid als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv heeft voorgedaan in HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2011. Het hof had vastgesteld dat op 13 april 2015 zowel de “mededeling uitspraak” van de ontnemingsbeslissing, als ook de tekst van de ontnemingsbeslissing van 27 februari 2015 aan de verdachte is uitgereikt. Die tekst hield in “De politierechter heeft [naam] in de onderliggende strafzaak met opgemeld parketnummer bij vonnis van 14 maart 2014 veroordeeld ter zake verduistering, meermalen gepleegd.”. Volgens de Hoge Raad kon aan die omstandigheid niet de conclusie worden verbonden dat de verdachte met die uitreiking op de hoogte is geraakt van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en). 3.19 Tot slot noem ik nog HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1225, NJ 2025/251, waarin de verdachte op 13 maart 2013 in eerste aanleg wegens diefstal werd veroordeeld en namens hem op 23 juni 2021 hoger beroep werd ingesteld. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep wegens overschrijding van de rechtsmiddeltermijn van 14 dagen (art. 408 lid 1 Sv). Het hof overwoog dat het “aannemelijk” is dat op 7 april 2021 aan de verdachte een vonnismededeling in de zin van art. 366 Sv is uitgereikt. Het hof betrok daarbij dat geen sprake was van een voorwaardelijk straf “waarbij het nog zou kunnen gaan om het uitreiken van voorwaarden” en dat, gelet op de vermelding van het juiste parketnummer op de akte in combinatie met de justitiële documentatie – waarop stond dat de zaak op 22 april 2021 onherroepelijk was geworden (precies veertien dagen na uitreiking van de akte) – het niet anders kon zijn dan dat deze akte van uitreiking in persoon “betrekking heeft gehad op de mededeling van het vonnis”. In mijn conclusie voor deze zaak merk ik op dat “aannemelijkheid” in dezen niet toereikend is nu moet vaststaan dat “zich een omstandigheid heeft voorgedaan” waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. Niet zeker was ook dat de verdachte informatie had ontvangen die mede de aard van de einduitspraak en de opgelegde straf omvatte. Onder verwijzing naar de conclusie vernietigde de Hoge Raad de uitspraak van het hof. 3.20 Uit deze jurisprudentie volgt dat van een omstandigheid als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv sprake is “als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en)”. Vermelding van de in art. 366 lid 1 Sv genoemde “beslissing van de rechtbank op grond van artikel 351 Sv” (strafoplegging) is (zodoende) essentieel. Verder geldt dat het geacht (kunnen) worden bekend te zijn met de uitspraak onvoldoende is voor het in art. 408 lid 2 Sv verwoorde bekend zijn met de einduitspraak. Dat “zich een omstandigheid heeft voorgedaan” waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is moet vaststaan. Terug naar de onderhavige zaak 3.21 Het hof heeft vastgesteld dat de dagvaarding voor de zitting van de rechtbank van 5 augustus 2022 niet aan de verdachte in persoon is betekend en dat de verdachte niet ter zitting van de rechtbank is verschenen. Ook heeft het hof vastgesteld dat de rechtbank op 5 augustus 2022 verstek heeft verleend aan de verdachte en dat vervolgens op 19 augustus 2022 vonnis is gewezen, waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Verder staat vast dat op 8 juli 2024 namens de verdachte tegen dit vonnis hoger beroep is ingesteld. 3.22 Het hof heeft geoordeeld dat zich in de onderhavige zaak een situatie voordoet als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv.
Volledig
Volgens het hof kan uit twee zinnen in de onder 3.6 weergegeven screenshots van de door de verdachte aan zijn raadsman verstuurde Whatsapp berichten worden afgeleid dat sprake is van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de verdachte reeds in 2023 met de einduitspraak van de rechtbank bekend is geraakt. Daarbij heeft het hof blijkens zijn overwegingen het oog op de zin “and handed me a letter inside the Nijmegen police station from the judge in Arnhem in which the letter was saying that if I commit any criminal offense in Holland in the next 2 years I will go to jail for 2 months” en de zin “The crime in [...] sauna is from 2020 and they decided upon it 2022 and in 2023 I got the letter from the judge in Arnhem only saying that if I commit any crime in the next two years so 2023-2025 I sit in prison fur 58 [ ] days” . Ook heeft het hof in aanmerking genomen dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende de verdachte van 13 februari 2025 blijkt dat aan de verdachte geen andere voorwaardelijke gevangenisstraffen zijn opgelegd dan de deels voorwaardelijke gevangenisstraf die in de onderhavige zaak is opgelegd. Naar het oordeel van het hof had de verdachte daarom binnen veertien dagen na die datum (ik begrijp “enig moment in 2023”, PHvK ) hoger beroep moeten instellen en is het eerst op 8 juli 2024 ingestelde hoger beroep tardief, zodat de verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep dient te worden verklaard. 3.23 In cassatie staat enkel ter discussie of de door de politie aan de verdachte uitgereikte en door hem naderhand meegenomen brief inhield dat de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren (en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr). Niet ter discussie is dus gesteld dat aan de verdachte door de politie een brief is uitgereikt die betrekking heeft op deze zaak. Overigens kan dit in voldoende mate worden afgeleid uit de onder 3.21 weergegeven tweede zin uit het Whatsapp bericht van de verdachte, nu de onder 3.2 genoemde feiten waarvoor de verdachte in het vonnis van 19 augustus 2022 door de rechtbank zitting houdende in Arnhem is veroordeeld twee feiten betreffen die zich in 2020 hebben afgespeeld in de sauna [...] in [plaats] . Ook de inhoud van het door het hof aangehaalde Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende de verdachte van 13 februari 2025 waarin slechts melding wordt gemaakt van één (deels) voorwaardelijk opgelegde straf geeft daaraan steun. 3.24 Zoals ook door de advocaat-generaal bij het hof ter terechtzitting is medegedeeld (weergegeven onder 3.3) bevat het dossier geen betekeningsstukken van de ergens in 2023 aan de verdachte in de onderhavige zaak door de politie uitgereikte “letter from a judge” en blijkt uit informatie in het dossier ook dat een dergelijk stuk er niet is. Wel bevat het dossier een drietal losse exemplaren “Mededeling uitspraak” van 23 augustus 2022, 20 oktober 2022 en 19 april 2023 en een los exemplaar “Mededeling Voorwaardelijke Veroordeling” van 17 juli 2023. Deze mededelingen houden elk een juiste vermelding in van de in de onderhavige zaak aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren (met aftrek van voorarrest). Een schriftelijke vertaling van deze mededelingen in een voor de verdachte begrijpelijke taal bevindt zich – anders dan bij de dagvaarding in hoger beroep (Arabische vertaling) – niet in het dossier. 3.25 Het hof heeft niet zonder meer begrijpelijk geoordeeld dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte reeds in 2023 met de einduitspraak van de rechtbank bekend is geraakt als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv. De toepassing van deze bepaling wordt mijns inziens onvoldoende gedragen door de vermelding in de bij e-mailbericht van 20 maart 2025 door de raadsman van de verdachte overgelegde Whatsapp-berichten “dat aan de verdachte in 2023 door de politie in Nijmegen een brief is overhandigd van de rechtbank in Arnhem waarin stond vermeld dat als de verdachte zich de komende twee jaar schuldig zou maken aan een strafbaar feit, hij voor twee maanden naar de gevangenis zou moeten” en door de omstandigheid dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 13 februari 2025 niet blijkt van de oplegging van andere voorwaardelijke gevangenisstraffen. Uit de onder 3.21 weergegeven zinnen en de overige inhoud van de onder 3.6 weergegeven Whatsapp berichten blijkt immers niet dat aan de verdachte is medegedeeld dat aan hem een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest is opgelegd. De berichten houden juist expliciet in dat niet aan de verdachte zou zijn medegedeeld dat hij naast twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf tot twee maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld (“THE LETTER DID NOT SAY AT ALL THAT I AM ALREADY CONVICTED OF 2 MONTHS PRISON.”) respectievelijk dat in de brief “only” over een voorwaardelijk strafdeel van twee jaren werd gesproken. Op grond van de berichten van de verdachte kan enkel worden vastgesteld dat aan hem een op de onderhavige zaak betrekking hebbende brief is uitgereikt met daarin de vermelding van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. 3.26 Ook als zou moeten worden aangenomen dat het hof het door de verdachte aangevoerde niet “aannemelijk” heeft geacht – bijvoorbeeld omdat de mededelingen uitspraak c.q. voorwaardelijke veroordeling die zich in het dossier bevinden een juiste weergave bevatten van de opgelegde straf en de verdachte de inhoud van de mededeling over de opgelegde gevangenisstraf verkeerd moet hebben begrepen – kan door het ontbreken van een akte van uitreiking niet met zekerheid worden vastgesteld dat aan de verdachte een dergelijke mededeling – met een Arabische vertaling – is uitgereikt met daarin een juiste vermelding van de opgelegde straf. Daarbij merk ik op dat gelet op de gevolgen die aan de bekendheid met de einduitspraak worden verbonden en op de ratio van de vonnismededeling dat de verdachte in kennis wordt gesteld van het tegen hem gewezen vonnis met het oog op de mogelijkheid hoger beroep in te stellen, aan de vaststelling van een omstandigheid als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv wezenlijke eisen moeten worden gesteld. 3.27 Overigens ligt het mijns inziens niet voor de hand dat daar waar het hof spreekt over “een brief [is overhandigd] van de rechtbank in Arnhem” het hof het oog heeft gehad op een systeemuitdraai van het afschrift van het extract vonnis. De officier van justitie is immers de bevoegde autoriteit bij de betekening van voornoemde mededelingen, terwijl “a letter (from the judge)” ook meer in de richting van een mededeling dan van een afschrift wijst. 4 Afronding 4.1 Het middel slaagt. 4.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 4.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Onder verwijzing naar HR 3 mei 1994, NJ 1994/578 m.nt. Van Veen (r.o. 4.6). Vgl. ook HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3278 (niet gepubliceerd). Het door de verdachte na de dag van de terechtzitting in eerste aanleg kennis nemen van de inleidende dagvaarding (zie HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7689, NJ 2010/247, r.o. 2.4 en HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ010, NJ 2011/326, r.o. 2.4) levert geen omstandigheid als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv op. De in het arrest van 20 april 2010 gehuldigde opvatting van het hof dat de verdachte “had moeten informeren naar de einduitspraak” vindt volgens de Hoge Raad geen steun in het recht. Zie over de bekendheid met een gewezen vonnis de conclusie van Bleichrodt (randnr. 10) voorafgaand aan HR 15 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3574, NJ 2016/142 m.nt. Schalken. Vgl.