Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-26
ECLI:NL:PHR:2026:527
Strafrecht
4,064 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:527 text/xml public 2026-05-27T16:37:29 2026-05-24 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-26 24/02645 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:527 text/html public 2026-05-27T16:35:38 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:527 Parket bij de Hoge Raad , 26-05-2026 / 24/02645 Conclusie AG. Diefstal, wederspannigheid, vernieling en Opiumwetdelicten. 1. Volstaan met opgave van bewijsmiddelen na bekennende verklaring. 2. Eén dag gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel voor minder dan € 25,-. Conclusie strekt tot verwerping. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02645 Zitting 26 mei 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, hierna: de verdachte Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 3 juli 2024 (parketnr. 20-002672-23) door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens - (03-110821-21 onder 1 en 03-136274-23) “ opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd ”; - (03-110821-21 onder 3) “ opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen ”; - (03-110821-21 onder 4)“ wederspannigheid ”; - (03-173579-23 onder 1) “ diefstal ” en - (03-173579-23 onder 2) “ diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels ” veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslist op vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Tot slot heeft het hof de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf bevolen. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel 3. Het middel houdt in dat het in de (gevoegde) zaak met parketnummer 03-136274-23 bewezen verklaarde ontoereikend is gemotiveerd. Dat komt doordat het hof heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen en daarbij heeft verwezen naar de (bekennende) verklaring van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2024, terwijl die verklaring niet inhoudt dat hij opzettelijk 2,5 gram heroïne en 0,6 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. De bespreking van het middel 4. Het hof heeft zes feiten bewezen verklaard. Het gaat (in de volgorde van de bewezenverklaring) om (i) het opzettelijk aanwezig hebben van 75,81 gram cocaïne en 877,5 gram heroïne, (ii) het vernielen van een enkelband, (iii) het zich met geweld verzetten tegen politieambtenaren die hem aanhielden, (iv) het opzettelijk aanwezig hebben van 10 gram methamfetamine, 2,5 gram heroïne en 0,6 gram cocaïne , (v) de diefstal van een pinpas en (vi) de diefstal van een grote hoeveelheid geld met gebruik van die pinpas. 5. In cassatie wordt geklaagd dat het hof de onder (iv) genoemde bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd voor wat betreft het opzettelijk aanwezig hebben van 2,5 gram heroïne en 0,6 gram cocaïne. Op zichzelf is deze klacht terecht voorgesteld. Op de terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2024 ging het blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal niet om de feiten. De bewezenverklaringen werden door de verdediging ook niet aangevochten. In zijn bekennende verklaring, kennelijk in reactie op wat de voorzitter hem voorhield, heeft de verdachte wel het opzettelijk aanwezig hebben van 10 gram methamfetamine op 2 juni 2023 bekend, maar is hij niet ingegaan op het hem ten laste gelegde, gelijktijdige opzettelijk aanwezig hebben van 2,5 gram heroïne en 0,6 gram cocaïne. Als gevolg daarvan is de bewezenverklaring onder (iv) in zoverre inderdaad ontoereikend gemotiveerd. 6. Wat hier ook van zij. De klacht kan niet tot cassatie leiden, omdat de aard en de ernst van dat wat in totaal bewezen is verklaard, niet zouden worden aangetast als dit deel uit het geheel zou wegvallen. De verdachte heeft daarom geen belang bij cassatie. 7. Het middel faalt. Het tweede middel 8. Het middel bevat de klacht dat het hof heeft bepaald dat gijzeling voor de duur van één dag kan worden toegepast, bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag onder de € 25 (namelijk € 10,96). De oplegging van de schadevergoedingsmaatregel 9. Het dictum van het arrest houdt in: “ Het hof: Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10,96 (tien euro en zesennegentig cent) als Vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 1 (één) dag kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. ” De bespreking van het middel 10. De steller van het middel heeft op zichzelf een punt. Hoewel de rechter vóór de invoering van de wet USB op 1 januari 2020 verplicht was de duur van de vervangende hechtenis op minimaal één dag te bepalen, is het naar de letter van de wet sindsdien uitgesloten dat voor een bedrag van minder dan € 25 een dag gijzeling wordt toegepast. Uit de wetsgeschiedenis valt wellicht op te maken dat toch van een andere uitleg moet worden uitgegaan, maar ik vind dat – nu het hier een kwestie van sanctierecht betreft – een te zwakke basis om af te wijken van de wetstekst. Nu de klacht terecht is voorgesteld, rijst de vraag of dit tot cassatie moet leiden. 11. In HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1558, werd geklaagd dat het hof bij de beslissing over de vordering van de benadeelde partij € 6 te veel had toegewezen. De Hoge Raad legde in het arrest uit dat een verdachte “ klaarblijkelijk onvoldoende belang ” in de zin van artikel 80a lid 1 RO kan hebben bij een “ te gering financieel belang ”, en liet de klacht op die grond falen. In HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:185, oordeelde de Hoge Raad (met verwijzing naar de uitspraak uit 2025) dat ook een bedrag rond de € 14 valt onder een “ te gering financieel belang ”. 12. De klacht in deze zaak houdt in dat het hof bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor € 10,96 heeft bepaald dat één dag gijzeling mag worden toegepast, terwijl volgens de steller van het middel helemaal geen gijzeling zou mogen worden toegepast. Op grond van artikel 6:4:20 lid 3 Sv mag het Openbaar Ministerie het dwangmiddel gijzeling niet inzetten als de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan zijn betalingsverplichting op grond van een hem opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Gijzeling kan, met andere woorden, slechts worden toegepast wanneer de veroordeelde – die bijna € 11 – niet wil betalen. Zo bezien gaat in wezen slechts een financieel belang schuil achter de klacht over de duur van de gijzeling. Dat financiële belang is te gering. Daarom faalt het middel. Slotsom 13. Het eerste middel faalt en het tweede middel ook. De Hoge Raad kan beide afdoen met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. 14. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gevonden. 15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1592. Zie Stb . 2018, 132 en Stb. 2019, 507. Vóór 1 januari 2020 werd art. 24c Sr in art. 36f lid 8 Sr van overeenkomstige toepassing verklaard. Art. 24c lid 3 Sr luidt reeds sedert de invoering van de euro als chartaal geld (1 januari 2002) als volgt: “ De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten hoogste een jaar. Voor elke volle € 25 van de geldboete wordt niet meer dan één dag opgelegd. ” Met ingang van 1 januari 2020 bepaalt art.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:527 text/xml public 2026-05-27T16:37:29 2026-05-24 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-26 24/02645 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:527 text/html public 2026-05-27T16:35:38 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:527 Parket bij de Hoge Raad , 26-05-2026 / 24/02645 Conclusie AG. Diefstal, wederspannigheid, vernieling en Opiumwetdelicten. 1. Volstaan met opgave van bewijsmiddelen na bekennende verklaring. 2. Eén dag gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel voor minder dan € 25,-. Conclusie strekt tot verwerping. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02645 Zitting 26 mei 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, hierna: de verdachte Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 3 juli 2024 (parketnr. 20-002672-23) door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens - (03-110821-21 onder 1 en 03-136274-23) “ opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd ”; - (03-110821-21 onder 3) “ opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen ”; - (03-110821-21 onder 4)“ wederspannigheid ”; - (03-173579-23 onder 1) “ diefstal ” en - (03-173579-23 onder 2) “ diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels ” veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslist op vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Tot slot heeft het hof de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf bevolen. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel 3. Het middel houdt in dat het in de (gevoegde) zaak met parketnummer 03-136274-23 bewezen verklaarde ontoereikend is gemotiveerd. Dat komt doordat het hof heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen en daarbij heeft verwezen naar de (bekennende) verklaring van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2024, terwijl die verklaring niet inhoudt dat hij opzettelijk 2,5 gram heroïne en 0,6 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. De bespreking van het middel 4. Het hof heeft zes feiten bewezen verklaard. Het gaat (in de volgorde van de bewezenverklaring) om (i) het opzettelijk aanwezig hebben van 75,81 gram cocaïne en 877,5 gram heroïne, (ii) het vernielen van een enkelband, (iii) het zich met geweld verzetten tegen politieambtenaren die hem aanhielden, (iv) het opzettelijk aanwezig hebben van 10 gram methamfetamine, 2,5 gram heroïne en 0,6 gram cocaïne , (v) de diefstal van een pinpas en (vi) de diefstal van een grote hoeveelheid geld met gebruik van die pinpas. 5. In cassatie wordt geklaagd dat het hof de onder (iv) genoemde bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd voor wat betreft het opzettelijk aanwezig hebben van 2,5 gram heroïne en 0,6 gram cocaïne. Op zichzelf is deze klacht terecht voorgesteld. Op de terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2024 ging het blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal niet om de feiten. De bewezenverklaringen werden door de verdediging ook niet aangevochten. In zijn bekennende verklaring, kennelijk in reactie op wat de voorzitter hem voorhield, heeft de verdachte wel het opzettelijk aanwezig hebben van 10 gram methamfetamine op 2 juni 2023 bekend, maar is hij niet ingegaan op het hem ten laste gelegde, gelijktijdige opzettelijk aanwezig hebben van 2,5 gram heroïne en 0,6 gram cocaïne. Als gevolg daarvan is de bewezenverklaring onder (iv) in zoverre inderdaad ontoereikend gemotiveerd. 6. Wat hier ook van zij. De klacht kan niet tot cassatie leiden, omdat de aard en de ernst van dat wat in totaal bewezen is verklaard, niet zouden worden aangetast als dit deel uit het geheel zou wegvallen. De verdachte heeft daarom geen belang bij cassatie. 7. Het middel faalt. Het tweede middel 8. Het middel bevat de klacht dat het hof heeft bepaald dat gijzeling voor de duur van één dag kan worden toegepast, bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag onder de € 25 (namelijk € 10,96). De oplegging van de schadevergoedingsmaatregel 9. Het dictum van het arrest houdt in: “ Het hof: Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10,96 (tien euro en zesennegentig cent) als Vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 1 (één) dag kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. ” De bespreking van het middel 10. De steller van het middel heeft op zichzelf een punt. Hoewel de rechter vóór de invoering van de wet USB op 1 januari 2020 verplicht was de duur van de vervangende hechtenis op minimaal één dag te bepalen, is het naar de letter van de wet sindsdien uitgesloten dat voor een bedrag van minder dan € 25 een dag gijzeling wordt toegepast. Uit de wetsgeschiedenis valt wellicht op te maken dat toch van een andere uitleg moet worden uitgegaan, maar ik vind dat – nu het hier een kwestie van sanctierecht betreft – een te zwakke basis om af te wijken van de wetstekst. Nu de klacht terecht is voorgesteld, rijst de vraag of dit tot cassatie moet leiden. 11. In HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1558, werd geklaagd dat het hof bij de beslissing over de vordering van de benadeelde partij € 6 te veel had toegewezen. De Hoge Raad legde in het arrest uit dat een verdachte “ klaarblijkelijk onvoldoende belang ” in de zin van artikel 80a lid 1 RO kan hebben bij een “ te gering financieel belang ”, en liet de klacht op die grond falen. In HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:185, oordeelde de Hoge Raad (met verwijzing naar de uitspraak uit 2025) dat ook een bedrag rond de € 14 valt onder een “ te gering financieel belang ”. 12. De klacht in deze zaak houdt in dat het hof bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor € 10,96 heeft bepaald dat één dag gijzeling mag worden toegepast, terwijl volgens de steller van het middel helemaal geen gijzeling zou mogen worden toegepast. Op grond van artikel 6:4:20 lid 3 Sv mag het Openbaar Ministerie het dwangmiddel gijzeling niet inzetten als de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan zijn betalingsverplichting op grond van een hem opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Gijzeling kan, met andere woorden, slechts worden toegepast wanneer de veroordeelde – die bijna € 11 – niet wil betalen. Zo bezien gaat in wezen slechts een financieel belang schuil achter de klacht over de duur van de gijzeling. Dat financiële belang is te gering. Daarom faalt het middel. Slotsom 13. Het eerste middel faalt en het tweede middel ook. De Hoge Raad kan beide afdoen met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. 14. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gevonden. 15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1592. Zie Stb . 2018, 132 en Stb. 2019, 507. Vóór 1 januari 2020 werd art. 24c Sr in art. 36f lid 8 Sr van overeenkomstige toepassing verklaard. Art. 24c lid 3 Sr luidt reeds sedert de invoering van de euro als chartaal geld (1 januari 2002) als volgt: “ De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten hoogste een jaar. Voor elke volle € 25 van de geldboete wordt niet meer dan één dag opgelegd. ” Met ingang van 1 januari 2020 bepaalt art.