Rechtspraak
Hoge Raad
2026-02-10
ECLI:NL:HR:2026:185
Strafrecht
Cassatie
1,248 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:185 text/xml public 2026-03-20T10:03:50 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-10 24/01744 Uitspraak Cassatie Artikel 80a RO-zaken NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:1382 Rechtspraak.nl RvdW 2026/361 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:185 text/html public 2026-02-06T10:36:58 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:185 Hoge Raad , 10-02-2026 / 24/01744 Zedenzaak. Medeplegen ontucht met 15-jarig meisje door 18-jarige verdachte in 2019 in ‘s-Hertogenbosch, art. 245 (oud) Sr. Vordering benadeelde partij. Aanvangsdatum van wettelijke rente over materiële schade. Belang bij cassatie? Klacht heeft betrekking op gering financieel belang van ongeveer € 14. Gelet daarop heeft verdachte onvoldoende belang bij gegrondbevinding van klacht (vgl. HR:2025:1558). Verdachte n-o (art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG). Samenhang met 24/01741 en 24/01742. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01744 Datum 10 februari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 april 2024, nummer 20-000334-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo een schriftuur ingediend. 2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 2.1 Het eerste cassatiemiddel klaagt dat het hof de ingangsdatum van de wettelijke rente (over de materiële schade van € 850,21) heeft bepaald op 22 april 2019, terwijl het gaat om schade die in december 2019 is ontstaan. 2.2 De klacht van het cassatiemiddel heeft betrekking op een gering financieel belang van ongeveer € 14. Gelet daarop heeft de verdachte onvoldoende belang bij gegrondbevinding van de klacht (vgl. HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1558). Omdat ook de overige klachten over de uitspraak duidelijk niet kunnen slagen, zal de Hoge Raad gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:185 text/xml public 2026-03-20T10:03:50 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-10 24/01744 Uitspraak Cassatie Artikel 80a RO-zaken NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:1382 Rechtspraak.nl RvdW 2026/361 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:185 text/html public 2026-02-06T10:36:58 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:185 Hoge Raad , 10-02-2026 / 24/01744 Zedenzaak. Medeplegen ontucht met 15-jarig meisje door 18-jarige verdachte in 2019 in ‘s-Hertogenbosch, art. 245 (oud) Sr. Vordering benadeelde partij. Aanvangsdatum van wettelijke rente over materiële schade. Belang bij cassatie? Klacht heeft betrekking op gering financieel belang van ongeveer € 14. Gelet daarop heeft verdachte onvoldoende belang bij gegrondbevinding van klacht (vgl. HR:2025:1558). Verdachte n-o (art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG). Samenhang met 24/01741 en 24/01742. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01744 Datum 10 februari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 april 2024, nummer 20-000334-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo een schriftuur ingediend. 2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 2.1 Het eerste cassatiemiddel klaagt dat het hof de ingangsdatum van de wettelijke rente (over de materiële schade van € 850,21) heeft bepaald op 22 april 2019, terwijl het gaat om schade die in december 2019 is ontstaan. 2.2 De klacht van het cassatiemiddel heeft betrekking op een gering financieel belang van ongeveer € 14. Gelet daarop heeft de verdachte onvoldoende belang bij gegrondbevinding van de klacht (vgl. HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1558). Omdat ook de overige klachten over de uitspraak duidelijk niet kunnen slagen, zal de Hoge Raad gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026 .