Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-04-24
ECLI:NL:PHR:2026:430
Civiel recht
48,657 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:430 text/xml public 2026-04-30T08:00:17 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-04-24 25/02431 Conclusie NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:430 text/html public 2026-04-28T14:26:44 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:430 Parket bij de Hoge Raad , 24-04-2026 / 25/02431 Verzekeringsrecht. Mededelingsplicht (aspirant-)verzekeringnemer bij aangaan verzekering. Verzekeraar beëindigt verzekering wegens schending door verzekeringnemer van mededelingsplicht en vordert uitkeringen terug. Art. 7:928 lid 4 BW. Is verzekeraar bij afsluiten verzekering gehouden Intern Verwijzingsrechter te raadplegen? Rechtsverwerking? PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/02431 Zitting 24 april 2026 CONCLUSIE T. Hartlief In de zaak [eiser] (hierna: ‘ [eiser] ’) tegen Achmea Schadeverzekeringen N.V. (hierna: ‘Achmea’) [eiser] heeft een autoverzekering bij Achmea afgesloten en daarbij – op een daartoe strekkende vraag – niet gemeld dat een eerdere autoverzekering is beëindigd (wegens premiewanbetaling) en hem daarna een verzekering is geweigerd. Op 2 februari 2015 heeft [eiser] ernstig letsel opgelopen bij een aanrijding in Duitsland (hierna: ‘het ongeval’). De gevolmachtigde van Achmea, H.I. Services, heeft daarop uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst uitkeringen aan hem verstrekt. Tijdens een controle op 30 april 2019 is H.I. Services ermee bekend geworden dat [eiser] één van de vragen bij het afsluiten van de verzekering niet naar waarheid heeft beantwoord. Per e-mailbericht van 20 juni 2019 heeft H.I. Services [eiser] op de schending van zijn mededelingsplicht gewezen. H.I. Services heeft in verband daarmee de verzekeringsovereenkomst beëindigd en de uitkeringen die onder de verzekering zijn gedaan teruggevorderd. [eiser] heeft in hoger beroep, tot de kern teruggebracht, gevorderd dat Achmea wordt veroordeeld om aan [eiser] uit hoofde van de tussen partijen tot stand gekomen autoverzekering schade te vergoeden die [eiser] als gevolg van het ongeval heeft geleden en de schaderegeling binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis te hervatten. Achmea heeft een incidentele vordering ingesteld, ook weer tot de kern teruggebracht, tot veroordeling van [eiser] tot betaling van € 116.019,30 aan Achmea, welk bedrag (vooral) ziet op de door Achmea aan hem gedane uitkeringen. Het hof heeft de vorderingen van [eiser] afgewezen en de vorderingen van Achmea toegewezen. In cassatie staan twee vragen centraal. In de eerste plaats is dat de vraag of op Achmea een onderzoeksplicht rustte bij het accepteren van de verzekeringsaanvraag van [eiser] in die zin dat zij haar Intern Verwijzingsregister (hierna: ‘IVR’) had moeten raadplegen. [eiser] richt zich in cassatie tegen het ontkennende antwoord van het hof op die vraag. In de tweede plaats is dat de vraag of [eiser] een beroep op rechtsverwerking toekomt. Volgens het hof is dat niet het geval. Ook op dit oordeel richt [eiser] zijn pijlen in cassatie. 1 Feiten 1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. 1.2 Achmea is een verzekeraar en heeft aan H.I. Services een volmacht verstrekt tot het sluiten en beheren van verzekeringsovereenkomsten onder de naam HEMA Verzekeringen. Achmea is risicodrager voor de onder HEMA Verzekeringen gesloten overeenkomsten. Tevens sluit Achmea onder de naam van Centraal Beheer verzekeringsovereenkomsten en is zij ook daarvoor risicodrager. 1.3 [eiser] had voor een auto met kenteken 20-FL-HH (hierna: ‘de auto’) een verzekeringsovereenkomst afgesloten bij Unigarant. Vanwege een premieachterstand heeft Unigarant de verzekeringsovereenkomst op 2 oktober 2014 beëindigd. 1.4 Vervolgens heeft [eiser] een aanvraag voor een verzekeringsovereenkomst voor de auto ingediend bij Centraal Beheer. Bij deze aanvraag heeft [eiser] vermeld dat Unigarant een verzekering had beëindigd. Centraal Beheer heeft de aanvraag afgewezen vanwege het royement als gevolg van het niet (tijdig) betalen van de premie. De telefoonnotitie van Centraal Beheer van 24 oktober 2014 vermeldt het volgende: “(...) probleem was opgelost zei hij gelijk. Hij was aan het rijden. Was niet in deze auto… was een probleem met een rekeningnr en had nu een ander bank en dat was nu geregeld. Ik heb echt recht door zee moeten vragen wat er was gebeurd. Dit was de eerste x dat ANWB niet kon afschrijven en was de polis geroyeerd per 021014. Hij had betaald maar ANWB wou hem niet! was echt de eerste x. Toen ik vroeg hoe lang kt op naam was. zei hij sinds 2009. ik heb zijn verz. verleden met hiaten geconfronteerd en meneer was toen echt stil. Ik heb de aanvraag afgewezen” 1.5 Bij brief van 24 oktober 2014 heeft Centraal Beheer de afwikkeling van de verzekeringsaanvraag aan [eiser] bevestigd en medegedeeld dat de afwijzing van de aanvraag wordt vastgelegd en dat ook andere verzekeraars binnen de Achmea Groep dit kunnen zien. 1.6 Op 27 oktober 2014 heeft [eiser] via een digitaal proces bij HEMA Verzekeringen een autoverzekering aangevraagd met als dekkingen wettelijke aansprakelijkheid en schadeverzekering inzittenden. 1.7 Op dezelfde datum is de verzekeringsovereenkomst tot stand gekomen. Op het afgegeven polisblad van HEMA Verzekeringen staat vermeld: “Achmea Schadeverzekeringen N.V. is aanbieder van de schadeverzekeringen van HEMA Verzekeringen (...)” 1.8 Op 2 februari 2015 heeft [eiser] ernstig letsel opgelopen bij een achterop aanrijding in Duitsland. H.I. Services heeft uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst aan [eiser] uitkeringen verstrekt. 1.9 Per e-mailbericht van 20 juni 2019 heeft H.I. Services aan de belangenbehartiger van [eiser] in de letselschadezaak het volgende geschreven, voor zover hier relevant: “(...) Tijdens de behandeling van deze schade is er een steekproef-controle uitgevoerd die vaker wordt uitgevoerd wanneer er sprake is van langlopende dossiers. (…) Controle Bij het afsluiten van deze Autoverzekering heeft uw cliënt op ons verzoek een aantal verklaringen afgelegd. Hij heeft onder andere het volgende verklaard: “Ja, ik verklaar dat een verzekeraar nooit een verzekering van mij of van een medeverzekerde heeft opgezegd, geweigerd of onder bijzondere voorwaarden heeft voortgezet.” Uw cliënt heeft deze vraag met “nee” beantwoord. [Op deze plaats heeft het hof de navolgende tekst opgenomen, A-G : Het hof merkt op dat in deze brief de vraag waar het in dit geding om gaat niet juist is geciteerd. De vraag die [eiser] tijdens het aanvraagproces moest beantwoorden luidde: “Heeft u of iemand namens u ooit een verzekering aangevraagd die door de verzekeraar werd opgezegd, geweigerd of onder bijzondere voorwaarden voortgezet? ”] Naar aanleiding van deze controle op 30 april 2019 is gebleken dat Centraal Beheer aan uw cliënt op 24 oktober 2014 een Autoverzekering voor dezelfde auto heeft geweigerd. De betreffende aanvraag bij Centraal Beheer is geweigerd omdat uw cliënt had aangegeven dat hij bij Unigarant was geroyeerd wegens het niet betalen van zijn Autoverzekering. Van Centraal Beheer hebben wij vernomen dat zij uw cliënt hierover telefonisch gesproken hebben op 24 oktober 2014. Bovendien is gebleken uit de informatie die wij van Centraal Beheer kregen dat uw cliënt diverse periodes een onverzekerd verleden heeft gehad. Ook daarover is door Centraal Beheer met uw cliënt gesproken. De weigering van Centraal Beheer is telefonisch en per brief aan uw cliënt bevestigd op 24 oktober 2014. Zowel de beëindiging bij Unigarant als de weigering bij Centraal Beheer heeft uw cliënt dus niet aan ons gemeld bij de aanvraag van zijn verzekering, toen hij bovenstaande vraag met “nee” beantwoordde. Wanneer hij dit op de juiste manier aan ons had gemeld, dan hadden wij zijn verzekeringsaanvraag niet geaccepteerd. Conclusie Onze conclusie is dat uw cliënt één van de vragen bij het afsluiten van de verzekering niet naar waarheid heeft beantwoord en daardoor zijn mededelingsplicht heeft geschonden. In de verzekeringsvoorwaarden staat vermeld dat wij de verzekering stoppen als er, aan ons, bij het begin van de verzekering niet de juiste informatie is gegeven.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:430 text/xml public 2026-04-30T08:00:17 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-04-24 25/02431 Conclusie NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:430 text/html public 2026-04-28T14:26:44 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:430 Parket bij de Hoge Raad , 24-04-2026 / 25/02431 Verzekeringsrecht. Mededelingsplicht (aspirant-)verzekeringnemer bij aangaan verzekering. Verzekeraar beëindigt verzekering wegens schending door verzekeringnemer van mededelingsplicht en vordert uitkeringen terug. Art. 7:928 lid 4 BW. Is verzekeraar bij afsluiten verzekering gehouden Intern Verwijzingsrechter te raadplegen? Rechtsverwerking? PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/02431 Zitting 24 april 2026 CONCLUSIE T. Hartlief In de zaak [eiser] (hierna: ‘ [eiser] ’) tegen Achmea Schadeverzekeringen N.V. (hierna: ‘Achmea’) [eiser] heeft een autoverzekering bij Achmea afgesloten en daarbij – op een daartoe strekkende vraag – niet gemeld dat een eerdere autoverzekering is beëindigd (wegens premiewanbetaling) en hem daarna een verzekering is geweigerd. Op 2 februari 2015 heeft [eiser] ernstig letsel opgelopen bij een aanrijding in Duitsland (hierna: ‘het ongeval’). De gevolmachtigde van Achmea, H.I. Services, heeft daarop uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst uitkeringen aan hem verstrekt. Tijdens een controle op 30 april 2019 is H.I. Services ermee bekend geworden dat [eiser] één van de vragen bij het afsluiten van de verzekering niet naar waarheid heeft beantwoord. Per e-mailbericht van 20 juni 2019 heeft H.I. Services [eiser] op de schending van zijn mededelingsplicht gewezen. H.I. Services heeft in verband daarmee de verzekeringsovereenkomst beëindigd en de uitkeringen die onder de verzekering zijn gedaan teruggevorderd. [eiser] heeft in hoger beroep, tot de kern teruggebracht, gevorderd dat Achmea wordt veroordeeld om aan [eiser] uit hoofde van de tussen partijen tot stand gekomen autoverzekering schade te vergoeden die [eiser] als gevolg van het ongeval heeft geleden en de schaderegeling binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis te hervatten. Achmea heeft een incidentele vordering ingesteld, ook weer tot de kern teruggebracht, tot veroordeling van [eiser] tot betaling van € 116.019,30 aan Achmea, welk bedrag (vooral) ziet op de door Achmea aan hem gedane uitkeringen. Het hof heeft de vorderingen van [eiser] afgewezen en de vorderingen van Achmea toegewezen. In cassatie staan twee vragen centraal. In de eerste plaats is dat de vraag of op Achmea een onderzoeksplicht rustte bij het accepteren van de verzekeringsaanvraag van [eiser] in die zin dat zij haar Intern Verwijzingsregister (hierna: ‘IVR’) had moeten raadplegen. [eiser] richt zich in cassatie tegen het ontkennende antwoord van het hof op die vraag. In de tweede plaats is dat de vraag of [eiser] een beroep op rechtsverwerking toekomt. Volgens het hof is dat niet het geval. Ook op dit oordeel richt [eiser] zijn pijlen in cassatie. 1 Feiten 1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. 1.2 Achmea is een verzekeraar en heeft aan H.I. Services een volmacht verstrekt tot het sluiten en beheren van verzekeringsovereenkomsten onder de naam HEMA Verzekeringen. Achmea is risicodrager voor de onder HEMA Verzekeringen gesloten overeenkomsten. Tevens sluit Achmea onder de naam van Centraal Beheer verzekeringsovereenkomsten en is zij ook daarvoor risicodrager. 1.3 [eiser] had voor een auto met kenteken 20-FL-HH (hierna: ‘de auto’) een verzekeringsovereenkomst afgesloten bij Unigarant. Vanwege een premieachterstand heeft Unigarant de verzekeringsovereenkomst op 2 oktober 2014 beëindigd. 1.4 Vervolgens heeft [eiser] een aanvraag voor een verzekeringsovereenkomst voor de auto ingediend bij Centraal Beheer. Bij deze aanvraag heeft [eiser] vermeld dat Unigarant een verzekering had beëindigd. Centraal Beheer heeft de aanvraag afgewezen vanwege het royement als gevolg van het niet (tijdig) betalen van de premie. De telefoonnotitie van Centraal Beheer van 24 oktober 2014 vermeldt het volgende: “(...) probleem was opgelost zei hij gelijk. Hij was aan het rijden. Was niet in deze auto… was een probleem met een rekeningnr en had nu een ander bank en dat was nu geregeld. Ik heb echt recht door zee moeten vragen wat er was gebeurd. Dit was de eerste x dat ANWB niet kon afschrijven en was de polis geroyeerd per 021014. Hij had betaald maar ANWB wou hem niet! was echt de eerste x. Toen ik vroeg hoe lang kt op naam was. zei hij sinds 2009. ik heb zijn verz. verleden met hiaten geconfronteerd en meneer was toen echt stil. Ik heb de aanvraag afgewezen” 1.5 Bij brief van 24 oktober 2014 heeft Centraal Beheer de afwikkeling van de verzekeringsaanvraag aan [eiser] bevestigd en medegedeeld dat de afwijzing van de aanvraag wordt vastgelegd en dat ook andere verzekeraars binnen de Achmea Groep dit kunnen zien. 1.6 Op 27 oktober 2014 heeft [eiser] via een digitaal proces bij HEMA Verzekeringen een autoverzekering aangevraagd met als dekkingen wettelijke aansprakelijkheid en schadeverzekering inzittenden. 1.7 Op dezelfde datum is de verzekeringsovereenkomst tot stand gekomen. Op het afgegeven polisblad van HEMA Verzekeringen staat vermeld: “Achmea Schadeverzekeringen N.V. is aanbieder van de schadeverzekeringen van HEMA Verzekeringen (...)” 1.8 Op 2 februari 2015 heeft [eiser] ernstig letsel opgelopen bij een achterop aanrijding in Duitsland. H.I. Services heeft uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst aan [eiser] uitkeringen verstrekt. 1.9 Per e-mailbericht van 20 juni 2019 heeft H.I. Services aan de belangenbehartiger van [eiser] in de letselschadezaak het volgende geschreven, voor zover hier relevant: “(...) Tijdens de behandeling van deze schade is er een steekproef-controle uitgevoerd die vaker wordt uitgevoerd wanneer er sprake is van langlopende dossiers. (…) Controle Bij het afsluiten van deze Autoverzekering heeft uw cliënt op ons verzoek een aantal verklaringen afgelegd. Hij heeft onder andere het volgende verklaard: “Ja, ik verklaar dat een verzekeraar nooit een verzekering van mij of van een medeverzekerde heeft opgezegd, geweigerd of onder bijzondere voorwaarden heeft voortgezet.” Uw cliënt heeft deze vraag met “nee” beantwoord. [Op deze plaats heeft het hof de navolgende tekst opgenomen, A-G : Het hof merkt op dat in deze brief de vraag waar het in dit geding om gaat niet juist is geciteerd. De vraag die [eiser] tijdens het aanvraagproces moest beantwoorden luidde: “Heeft u of iemand namens u ooit een verzekering aangevraagd die door de verzekeraar werd opgezegd, geweigerd of onder bijzondere voorwaarden voortgezet? ”] Naar aanleiding van deze controle op 30 april 2019 is gebleken dat Centraal Beheer aan uw cliënt op 24 oktober 2014 een Autoverzekering voor dezelfde auto heeft geweigerd. De betreffende aanvraag bij Centraal Beheer is geweigerd omdat uw cliënt had aangegeven dat hij bij Unigarant was geroyeerd wegens het niet betalen van zijn Autoverzekering. Van Centraal Beheer hebben wij vernomen dat zij uw cliënt hierover telefonisch gesproken hebben op 24 oktober 2014. Bovendien is gebleken uit de informatie die wij van Centraal Beheer kregen dat uw cliënt diverse periodes een onverzekerd verleden heeft gehad. Ook daarover is door Centraal Beheer met uw cliënt gesproken. De weigering van Centraal Beheer is telefonisch en per brief aan uw cliënt bevestigd op 24 oktober 2014. Zowel de beëindiging bij Unigarant als de weigering bij Centraal Beheer heeft uw cliënt dus niet aan ons gemeld bij de aanvraag van zijn verzekering, toen hij bovenstaande vraag met “nee” beantwoordde. Wanneer hij dit op de juiste manier aan ons had gemeld, dan hadden wij zijn verzekeringsaanvraag niet geaccepteerd. Conclusie Onze conclusie is dat uw cliënt één van de vragen bij het afsluiten van de verzekering niet naar waarheid heeft beantwoord en daardoor zijn mededelingsplicht heeft geschonden. In de verzekeringsvoorwaarden staat vermeld dat wij de verzekering stoppen als er, aan ons, bij het begin van de verzekering niet de juiste informatie is gegeven.
Volledig
Zie uiteraard ook artikel 7:929 BW over de mogelijkheid van dadelijke opzegging en artikel 7:930 BW ter zake van het verval van recht op uitkering. Vanzelfsprekend ligt in het verlengde daarvan de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling. Eén en ander leidt tot de conclusie dat wij de verzekering zouden hebben opgezegd als die nog zou hebben bestaan. Het betekent ook dat er nooit dekking heeft bestaan en gedane uitkeringen onverschuldigd zijn. De gevolgen (...) De schade Omdat er geen dekking is naar nu blijkt, bestaat er geen recht meer op verdere uitbetalingen en is het reeds betaalde bedrag van € 110.616,70 onverschuldigd betaald. Dit bedrag moet uw cliënt daarom aan ons terugbetalen (…)” 1.10 [eiser] heeft een klacht ingediend bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (hierna: ‘Kifid’) en onder meer gevorderd te gelasten dat de schaderegeling wordt voortgezet en aan het beroep op verzwijging voorbij wordt gegaan. 1.11 Bij niet-bindende uitspraak van 13 januari 2021 van het Kifid is de vordering van [eiser] afgewezen. 2 Procesverloop Eerste aanleg 2.1 Bij dagvaarding van 19 augustus 2021 heeft [eiser] Achmea gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. Volgens [eiser] heeft Achmea ten onrechte geen uitkeringen meer verstrekt. Van een schending van de mededelingsplicht is volgens [eiser] geen sprake. Voor zover er al sprake zou zijn van verzwijging van informatie bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst kan Achmea zich daar niet op beroepen, omdat de tweemaandentermijn als bedoeld in art. 7:929 lid 1 BW volgens [eiser] al verstreken is. [eiser] heeft daarom – kort gezegd en voor zover in cassatie nog van belang – gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Achmea veroordeelt: - om aan [eiser] uit hoofde van de tussen partijen tot stand gekomen autoverzekering schade te vergoeden die [eiser] als gevolg van het ongeval heeft geleden en de schaderegeling binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis te hervatten, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of dagdeel dat Achmea in gebreke blijft om aan het vonnis te voldoen; en - in de kosten van de procedure, inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 2.2 Achmea heeft in reconventie gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 105.116,57, vermeerderd met de wettelijke rente, en tot betaling van de kosten van de procedure, inclusief de nakosten. 2.3 De rechtbank heeft, na op 5 januari 2022 een tussenvonnis te hebben gewezen, bij vonnis van 25 mei 2022 zowel de vorderingen van [eiser] in conventie als de vorderingen van Achmea in reconventie afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Hoger beroep 2.4 Bij dagvaarding van 19 juli 2022 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 25 mei 2022. [eiser] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover daarin de vorderingen in conventie zijn afgewezen en alsnog: - Achmea zal veroordelen om aan [eiser] uit hoofde van de op 27 oktober 2014 tussen partijen tot stand gekomen autoverzekering de schade te vergoeden die [eiser] als gevolg van het ongeval van 2 februari 2015 heeft geleden, de schorsing van de schaderegeling op te heffen en de schaderegeling met [eiser] binnen 14 dagen na het te wijzen arrest te hervatten, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of dagdeel dat Achmea in gebreke is om aan het te wijzen arrest te voldoen; - Achmea zal veroordelen in de proceskosten, het nasalaris van de advocaat van [eiser] daaronder begrepen, met de bepaling dat Achmea daarover rente is verschuldigd vanaf 14 dagen na het te wijzen arrest; en - het bestreden vonnis voor het overige zal bekrachtigen. 2.5 Achmea heeft incidenteel appel ingesteld en heeft geconcludeerd dat het hof zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - in principaal appel : het bestreden vonnis zal bekrachtigen; - in incidenteel appel met wijziging van eis: alsnog met gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende, de vordering van Achmea op [eiser] van € 116.019,30 zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2019 tot aan de dag der gehele voldoening; en - in principaal appel en incidenteel appel : [eiser] zal veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg in conventie en reconventie en in de proceskosten van het principaal appel en incidenteel appel. 2.6 Het hof heeft op 7 mei 2024 een tussenarrest gewezen. Hierin heeft het hof allereerst in rov. 5.1. de kernpunten weergegeven waarover partijen het oneens zijn en aangegeven aan de hand daarvan de grieven van [eiser] en Achmea te zullen bespreken. In het principale appel zijn volgens het hof de volgende kernpunten aan de orde: I. heeft [eiser] zijn mededelingsplicht geschonden (art. 7:928 lid 1 BW)? II. is sprake van opzet tot misleiding bij [eiser] zodat Achmea de schaderegeling kon stoppen (art. 7:930 ld 5 BW)? III. heeft Achmea voldaan aan haar kennisgevingsplicht (art. 7:929 lid 1 BW)? IV. is sprake van rechtsverwerking? 2.7 In het incidentele appel is volgens het hof het volgende kernpunt aan de orde: V. moet [eiser] de ontvangen uitkering terugbetalen (art. 7:930 lid 5 BW)? 2.8 Het hof heeft over deze kernpunten – voor zover in cassatie van belang – als volgt overwogen en geoordeeld. 2.9 Het hof is allereerst ingegaan op kernpunt I en heeft in dat verband beoordeeld of [eiser] zijn mededelingsplicht (ex art. 7:928 lid 1 BW) heeft geschonden. In dat kader heeft het hof eerst het juridisch kader gegeven: “5.2. Als uitgangspunt geldt dat een verzekeringnemer verplicht is vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mee te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of en zo ja, op welke voorwaarden hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen (art. 7:928 lid 1 BW). De verzekeraar heeft de juiste en volledige informatie nodig van de verzekerde om het risico dat deze wil verzekeren goed te kunnen inschatten. Wanneer de verzekeraar via een aanvraagformulier vragen voorlegt aan de verzekerde speelt dat een belangrijke rol: de verzekeringnemer moet ervan uitgaan dat de verzekeraar juiste en volledige antwoorden op de gestelde vragen verwacht. De stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van de schending van de mededelingsplicht rust op de verzekeraar. Bij het niet-nakomen van deze mededelingsplicht heeft de verzekeraar een aantal bevoegdheden (art. 7:929 BW) en kunnen daar gevolgen aan verbonden zijn (art. 7:930 BW). Dit betekent dat het hof allereerst de vraag moet beantwoorden of [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden.” 2.10 Het hof heeft vervolgens beoordeeld of [eiser] wist dat hij de vraag of hem ooit eerder een verzekering was geweigerd of opgezegd met ‘ja’ had moeten beantwoorden en uiteindelijk geoordeeld dat dit het geval was: “5.3. Niet in geschil is dat [eiser] op 27 oktober 2014 online een aanvraag heeft gedaan voor een autoverzekering hij Achmea. [eiser] betwist dat hij daarbij een vragenformulier onjuist heeft ingevuld. Achmea heeft – onder verwijzing naar een aanvraagformulier dat volgens haar is ingevuld door [eiser] – toegelicht dat dit aanvraagproces geheel digitaal verloopt door middel van een zogeheten ‘funnel’, waarin gegevens worden gevraagd en vragen worden gesteld om het te verzekeren risico te kunnen inschatten. De funnel is zo ingericht dat het proces verder gaat indien gegevens en antwoorden worden verstrekt die aanleiding geven tot het verder gaan met het sluiten van de overeenkomst. Worden gegevens verstrekt of een antwoord gegeven op een vraag die ertoe leidt dat het risico onacceptabel wordt, dan stopt het digitale aanvraagproces. Indien de vraag of aan de aanvrager van de verzekering eerder ooit een verzekering is geweigerd of opgezegd, met ‘ja’ wordt beantwoord, stopt het digitale afsluitproces. Dat is in het geval van [eiser] niet gebeurd. Integendeel, [eiser] heeft de verzekering, na ontvangst van een bevestiging per e-mail. eveneens op 27 oktober 2014 geactiveerd.
Volledig
Zie uiteraard ook artikel 7:929 BW over de mogelijkheid van dadelijke opzegging en artikel 7:930 BW ter zake van het verval van recht op uitkering. Vanzelfsprekend ligt in het verlengde daarvan de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling. Eén en ander leidt tot de conclusie dat wij de verzekering zouden hebben opgezegd als die nog zou hebben bestaan. Het betekent ook dat er nooit dekking heeft bestaan en gedane uitkeringen onverschuldigd zijn. De gevolgen (...) De schade Omdat er geen dekking is naar nu blijkt, bestaat er geen recht meer op verdere uitbetalingen en is het reeds betaalde bedrag van € 110.616,70 onverschuldigd betaald. Dit bedrag moet uw cliënt daarom aan ons terugbetalen (…)” 1.10 [eiser] heeft een klacht ingediend bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (hierna: ‘Kifid’) en onder meer gevorderd te gelasten dat de schaderegeling wordt voortgezet en aan het beroep op verzwijging voorbij wordt gegaan. 1.11 Bij niet-bindende uitspraak van 13 januari 2021 van het Kifid is de vordering van [eiser] afgewezen. 2 Procesverloop Eerste aanleg 2.1 Bij dagvaarding van 19 augustus 2021 heeft [eiser] Achmea gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. Volgens [eiser] heeft Achmea ten onrechte geen uitkeringen meer verstrekt. Van een schending van de mededelingsplicht is volgens [eiser] geen sprake. Voor zover er al sprake zou zijn van verzwijging van informatie bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst kan Achmea zich daar niet op beroepen, omdat de tweemaandentermijn als bedoeld in art. 7:929 lid 1 BW volgens [eiser] al verstreken is. [eiser] heeft daarom – kort gezegd en voor zover in cassatie nog van belang – gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Achmea veroordeelt: - om aan [eiser] uit hoofde van de tussen partijen tot stand gekomen autoverzekering schade te vergoeden die [eiser] als gevolg van het ongeval heeft geleden en de schaderegeling binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis te hervatten, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of dagdeel dat Achmea in gebreke blijft om aan het vonnis te voldoen; en - in de kosten van de procedure, inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 2.2 Achmea heeft in reconventie gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 105.116,57, vermeerderd met de wettelijke rente, en tot betaling van de kosten van de procedure, inclusief de nakosten. 2.3 De rechtbank heeft, na op 5 januari 2022 een tussenvonnis te hebben gewezen, bij vonnis van 25 mei 2022 zowel de vorderingen van [eiser] in conventie als de vorderingen van Achmea in reconventie afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Hoger beroep 2.4 Bij dagvaarding van 19 juli 2022 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 25 mei 2022. [eiser] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover daarin de vorderingen in conventie zijn afgewezen en alsnog: - Achmea zal veroordelen om aan [eiser] uit hoofde van de op 27 oktober 2014 tussen partijen tot stand gekomen autoverzekering de schade te vergoeden die [eiser] als gevolg van het ongeval van 2 februari 2015 heeft geleden, de schorsing van de schaderegeling op te heffen en de schaderegeling met [eiser] binnen 14 dagen na het te wijzen arrest te hervatten, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of dagdeel dat Achmea in gebreke is om aan het te wijzen arrest te voldoen; - Achmea zal veroordelen in de proceskosten, het nasalaris van de advocaat van [eiser] daaronder begrepen, met de bepaling dat Achmea daarover rente is verschuldigd vanaf 14 dagen na het te wijzen arrest; en - het bestreden vonnis voor het overige zal bekrachtigen. 2.5 Achmea heeft incidenteel appel ingesteld en heeft geconcludeerd dat het hof zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - in principaal appel : het bestreden vonnis zal bekrachtigen; - in incidenteel appel met wijziging van eis: alsnog met gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende, de vordering van Achmea op [eiser] van € 116.019,30 zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2019 tot aan de dag der gehele voldoening; en - in principaal appel en incidenteel appel : [eiser] zal veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg in conventie en reconventie en in de proceskosten van het principaal appel en incidenteel appel. 2.6 Het hof heeft op 7 mei 2024 een tussenarrest gewezen. Hierin heeft het hof allereerst in rov. 5.1. de kernpunten weergegeven waarover partijen het oneens zijn en aangegeven aan de hand daarvan de grieven van [eiser] en Achmea te zullen bespreken. In het principale appel zijn volgens het hof de volgende kernpunten aan de orde: I. heeft [eiser] zijn mededelingsplicht geschonden (art. 7:928 lid 1 BW)? II. is sprake van opzet tot misleiding bij [eiser] zodat Achmea de schaderegeling kon stoppen (art. 7:930 ld 5 BW)? III. heeft Achmea voldaan aan haar kennisgevingsplicht (art. 7:929 lid 1 BW)? IV. is sprake van rechtsverwerking? 2.7 In het incidentele appel is volgens het hof het volgende kernpunt aan de orde: V. moet [eiser] de ontvangen uitkering terugbetalen (art. 7:930 lid 5 BW)? 2.8 Het hof heeft over deze kernpunten – voor zover in cassatie van belang – als volgt overwogen en geoordeeld. 2.9 Het hof is allereerst ingegaan op kernpunt I en heeft in dat verband beoordeeld of [eiser] zijn mededelingsplicht (ex art. 7:928 lid 1 BW) heeft geschonden. In dat kader heeft het hof eerst het juridisch kader gegeven: “5.2. Als uitgangspunt geldt dat een verzekeringnemer verplicht is vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mee te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of en zo ja, op welke voorwaarden hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen (art. 7:928 lid 1 BW). De verzekeraar heeft de juiste en volledige informatie nodig van de verzekerde om het risico dat deze wil verzekeren goed te kunnen inschatten. Wanneer de verzekeraar via een aanvraagformulier vragen voorlegt aan de verzekerde speelt dat een belangrijke rol: de verzekeringnemer moet ervan uitgaan dat de verzekeraar juiste en volledige antwoorden op de gestelde vragen verwacht. De stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van de schending van de mededelingsplicht rust op de verzekeraar. Bij het niet-nakomen van deze mededelingsplicht heeft de verzekeraar een aantal bevoegdheden (art. 7:929 BW) en kunnen daar gevolgen aan verbonden zijn (art. 7:930 BW). Dit betekent dat het hof allereerst de vraag moet beantwoorden of [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden.” 2.10 Het hof heeft vervolgens beoordeeld of [eiser] wist dat hij de vraag of hem ooit eerder een verzekering was geweigerd of opgezegd met ‘ja’ had moeten beantwoorden en uiteindelijk geoordeeld dat dit het geval was: “5.3. Niet in geschil is dat [eiser] op 27 oktober 2014 online een aanvraag heeft gedaan voor een autoverzekering hij Achmea. [eiser] betwist dat hij daarbij een vragenformulier onjuist heeft ingevuld. Achmea heeft – onder verwijzing naar een aanvraagformulier dat volgens haar is ingevuld door [eiser] – toegelicht dat dit aanvraagproces geheel digitaal verloopt door middel van een zogeheten ‘funnel’, waarin gegevens worden gevraagd en vragen worden gesteld om het te verzekeren risico te kunnen inschatten. De funnel is zo ingericht dat het proces verder gaat indien gegevens en antwoorden worden verstrekt die aanleiding geven tot het verder gaan met het sluiten van de overeenkomst. Worden gegevens verstrekt of een antwoord gegeven op een vraag die ertoe leidt dat het risico onacceptabel wordt, dan stopt het digitale aanvraagproces. Indien de vraag of aan de aanvrager van de verzekering eerder ooit een verzekering is geweigerd of opgezegd, met ‘ja’ wordt beantwoord, stopt het digitale afsluitproces. Dat is in het geval van [eiser] niet gebeurd. Integendeel, [eiser] heeft de verzekering, na ontvangst van een bevestiging per e-mail. eveneens op 27 oktober 2014 geactiveerd.
Volledig
Dit betekent, aldus Achmea, dat [eiser] de vraag over eerdere opzeggingen met ‘nee’ heeft beantwoord. 5.4. [eiser] heeft deze stellingen van Achmea niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist, zodat deze zijn komen vast te staan. De stelling van [eiser] dat van het door Achmea overgelegde aanvraagformulier niet kan worden vastgesteld dat [eiser] dat heeft ingevuld, snijdt geen hout. [eiser] heeft de verzekering immers kunnen activeren en het formulier bevat het klantnummer van [eiser] dat ook op het polisblad wordt vermeld. Uitgangspunt bij de verdere beoordeling is dus dat vast is komen te staan dat [eiser] voornoemde vraag met ‘nee’ heeft beantwoord. 5.5. Het hof volgt [eiser] niet in zijn betoog dat hij – door de hierboven genoemde vraag met ‘nee’ te beantwoorden – zijn mededelingsplicht niet heeft geschonden, omdat hij ten tijde van de aanvraag nog niet op de hoogte was van de afwijzing door Centraal Beheer. Ten eerste ziet [eiser] er met dit betoog aan voorbij dat de vraag van Achmea zag op zowel eerdere opzeggingen als weigeringen. [eiser] wist dat zijn verzekering bij Unigarant was opgezegd en had de vraag dus – ook als hij nog niet op de hoogte was van de afwijzing door Centraal Beheer – met ‘ja’ moeten beantwoorden. Bovendien heeft [eiser] niet duidelijk gemaakt waarom hij op 27 oktober 2014 nóg een aanvraag zou doen voor een zelfde soort verzekering als hij in de veronderstelling verkeerde dat hij al een verzekering bij Centraal Beheer had afgesloten, althans dat Centraal Beheer zijn aanvraag in behandeling had. Tot slot heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij naar aanleiding van het telefonisch contact met Centraal Beheer op 24 oktober 2014 op de hoogte was van de afwijzing van zijn aanvraag. Dit leidt het hof tot het oordeel dat vaststaat dat [eiser] wist dat hij de vraag of hem ooit eerder een verzekering was geweigerd of opgezegd met ‘ja’ had moeten beantwoorden. Uit de omstandigheid dat Achmea deze vraag had opgenomen in de vragenlijst volgt voorts dat het antwoord op deze vraag voor Achmea relevant was voor de vraag of zij de overeenkomst wilde sluiten.” 2.11 Het hof is daarna ingegaan op de stelling van [eiser] dat Achmea al bekend was met de eerdere weigering en opzegging en haar daarom geen beroep toekomt op de schending van de mededelingsplicht en op de stelling dat het beroep op verzwijging niet voldoet aan het relevantievereiste. Het hof heeft [eiser] in deze stellingen niet gevolgd en is tot de slotsom gekomen dat grief 2 van [eiser] met betrekking tot de schending van de mededelingsplicht faalt: “5.6. [eiser] heeft verder gesteld dat Achmea al bekend was met de eerdere weigering en opzegging, zodat haar geen beroep toekomt op schending van de mededelingsplicht. Op dit standpunt van [eiser] komt het hof hieronder terug in het kader van de kennisgevingsplicht van Achmea. Voor de schending van de mededelingsplicht is het echter niet relevant. Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat [eiser] een onjuist antwoord heeft gegeven op een door Achmea gestelde vraag. Uit art. 7:928 lid 4 BW volgt dat [eiser] zich er dan niet op kan beroepen dat Achmea bepaalde feiten al kende of behoorde te kennen. 5.7. [eiser] heeft ook nog aangevoerd dat het beroep op verzwijging niet voldoet aan het relevantievereiste van artikel 7:928 lid 4 BW. Daarin is bepaald dat de mededelingsplicht zich niet uitstrekt tot feiten die niet tot een voor de verzekering[s]nemer ongunstiger beslissing zouden hebben geleid. [eiser] betoogt dat daaraan niet is voldaan omdat Achmea er niet in is geslaagd aan te tonen dat een redelijk handelend verzekeraar bij bekendheid met de werkelijke situatie de verzekeringsovereenkomst niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Het hof overweegt dat in een geval als het onderhavige, waarin de verzekeraar door middel van een vragenlijst naar bepaalde feiten of omstandigheden heeft gevraagd, de verzekeringnemer weet dat deze feiten de verzekeraar interesseren, daargelaten of zij tot een voor de verzekeringnemer ongunstiger beslissing zouden hebben geleid – dit laatste zal de verzekeraar zo nodig hebben te bewijzen (MvT, Kamerstukken II 1985/86, 19 529, nr. 3, p. 8). De relevantie van de gevraagde feiten is daarmee gegeven. Met het niet juist beantwoorden van deze vragen wordt de mededelingsplicht dan ook geschonden. Dat betekent dat grief 2 van [eiser] faalt.” 2.12 In het kader van kernpunt I is het hof ten slotte ingegaan op de stelling van Achmea dat zij bij de juiste kennis van zaken, als redelijk handelend verzekeraar, geen verzekering had afgesloten. In dat verband heeft het hof geoordeeld dat als onvoldoende gemotiveerd betwist is komen vast te staan dat Achmea als redelijk handelend verzekeraar bij bekendheid met de werkelijke situatie de verzekeringsovereenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden, zou hebben gesloten: “5.8. Wel kan in het kader van de gevolgen van die schending relevant zijn of de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering niet, of niet op dezelfde voorwaarden, zou hebben gesloten (art. 7:930 lid 3 en 1 BW). Achmea stelt in dat verband dat zij bij de juiste kennis van zaken, als redelijk handelend verzekeraar, geen verzekering had afgesloten. Bij deze beslissing zou zowel de achterstallige betaling als het gegeven dat [eiser] onverzekerd aan het verkeer heelt deelgenomen zijn betrokken. Achmea heeft haar standpunt onderbouwd door diverse e-mails van andere verzekeraars in het geding te brengen, waaruit blijkt dat ook die andere verzekeraars [eiser] bij een juist antwoord op de vraag niet hadden geaccepteerd. [eiser] heeft ter betwisting daarvan aangevoerd dat zijn casus in de e-mail van Achmea niet volledig wordt geschetst omdat de achtergrond van de betalingsachterstand bij Unigarant niet wordt vermeld en evenmin het feit dat hij later alsnog heeft betaald. Ook vindt [eiser] dat vermeld had moeten worden dat de ontdekking pas na geruime tijd plaatsvond en dat de aangeschreven fraudecollega’s niet de aangewezen personen zijn om te oordelen over het acceptatiebeleid van de verzekeraar. 5.9. Achmea heeft in reactie daarop toegelicht dat juist wanbetaling een groot risico is voor verzekeraars omdat uit de premiebetaling de gedekte schades moeten worden betaald, naast de kosten voor het voeren van het verzekeringsbedrijf. Daarom wordt hierop zo streng geselecteerd. Dat de betalingsachterstand bij Unigarant wellicht een gering bedrag betrof, is minder relevant in de afweging. Immers, zo stelt Achmea. voordat tot een royement kan worden gekomen is de verzekerde aangemaand en gewaarschuwd voor de gevolgen van het niet betalen van de premie. Het gaat Achmea dus met name om de volharding van een verzekerde om openstaande premie niet te betalen. Dergelijk gedrag wordt als een onaanvaardbaar risico beschouwd. Dit alles is door [eiser] niet betwist. Dat de informatie over het acceptatiebeleid van andere verzekeraars is verstrekt door fraudecollega’s, doet aan de juistheid van die informatie niet af, zeker niet nu blijkens de reacties overleg is gepleegd met de acceptatie-afdeling of wordt verwezen naar de eigen acceptatierichtlijnen. 5.10. Het hof concludeert dat daarmee als onvoldoende gemotiveerd betwist is komen vast te staan dat Achmea als redelijk handelend verzekeraar bij bekendheid met de werkelijke situatie de verzekeringsovereenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden, zou hebben gesloten. Dit betekent dat Achmea een beroep op art. 7:930 lid 4 BW toekomt. Zoals hierna zal worden besproken, komt haar echter ook reeds een beroep toe op art. 7:930 lid 5 BW.” 2.13 In de daaropvolgende overwegingen heeft het hof in het kader van kernpunt II beoordeeld of [eiser] bij de schending van de mededelingsplicht heeft gehandeld met de bedoeling Achmea ertoe te bewegen een overeenkomst aan te gaan die zij anders niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten (opzet tot misleiding). Het hof heeft in dat kader eerst het oordeel van de rechtbank aangehaald, grief 4 van [eiser] hiermee in verband gebracht en het juridisch kader gegeven: “5.11.
Volledig
Dit betekent, aldus Achmea, dat [eiser] de vraag over eerdere opzeggingen met ‘nee’ heeft beantwoord. 5.4. [eiser] heeft deze stellingen van Achmea niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist, zodat deze zijn komen vast te staan. De stelling van [eiser] dat van het door Achmea overgelegde aanvraagformulier niet kan worden vastgesteld dat [eiser] dat heeft ingevuld, snijdt geen hout. [eiser] heeft de verzekering immers kunnen activeren en het formulier bevat het klantnummer van [eiser] dat ook op het polisblad wordt vermeld. Uitgangspunt bij de verdere beoordeling is dus dat vast is komen te staan dat [eiser] voornoemde vraag met ‘nee’ heeft beantwoord. 5.5. Het hof volgt [eiser] niet in zijn betoog dat hij – door de hierboven genoemde vraag met ‘nee’ te beantwoorden – zijn mededelingsplicht niet heeft geschonden, omdat hij ten tijde van de aanvraag nog niet op de hoogte was van de afwijzing door Centraal Beheer. Ten eerste ziet [eiser] er met dit betoog aan voorbij dat de vraag van Achmea zag op zowel eerdere opzeggingen als weigeringen. [eiser] wist dat zijn verzekering bij Unigarant was opgezegd en had de vraag dus – ook als hij nog niet op de hoogte was van de afwijzing door Centraal Beheer – met ‘ja’ moeten beantwoorden. Bovendien heeft [eiser] niet duidelijk gemaakt waarom hij op 27 oktober 2014 nóg een aanvraag zou doen voor een zelfde soort verzekering als hij in de veronderstelling verkeerde dat hij al een verzekering bij Centraal Beheer had afgesloten, althans dat Centraal Beheer zijn aanvraag in behandeling had. Tot slot heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij naar aanleiding van het telefonisch contact met Centraal Beheer op 24 oktober 2014 op de hoogte was van de afwijzing van zijn aanvraag. Dit leidt het hof tot het oordeel dat vaststaat dat [eiser] wist dat hij de vraag of hem ooit eerder een verzekering was geweigerd of opgezegd met ‘ja’ had moeten beantwoorden. Uit de omstandigheid dat Achmea deze vraag had opgenomen in de vragenlijst volgt voorts dat het antwoord op deze vraag voor Achmea relevant was voor de vraag of zij de overeenkomst wilde sluiten.” 2.11 Het hof is daarna ingegaan op de stelling van [eiser] dat Achmea al bekend was met de eerdere weigering en opzegging en haar daarom geen beroep toekomt op de schending van de mededelingsplicht en op de stelling dat het beroep op verzwijging niet voldoet aan het relevantievereiste. Het hof heeft [eiser] in deze stellingen niet gevolgd en is tot de slotsom gekomen dat grief 2 van [eiser] met betrekking tot de schending van de mededelingsplicht faalt: “5.6. [eiser] heeft verder gesteld dat Achmea al bekend was met de eerdere weigering en opzegging, zodat haar geen beroep toekomt op schending van de mededelingsplicht. Op dit standpunt van [eiser] komt het hof hieronder terug in het kader van de kennisgevingsplicht van Achmea. Voor de schending van de mededelingsplicht is het echter niet relevant. Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat [eiser] een onjuist antwoord heeft gegeven op een door Achmea gestelde vraag. Uit art. 7:928 lid 4 BW volgt dat [eiser] zich er dan niet op kan beroepen dat Achmea bepaalde feiten al kende of behoorde te kennen. 5.7. [eiser] heeft ook nog aangevoerd dat het beroep op verzwijging niet voldoet aan het relevantievereiste van artikel 7:928 lid 4 BW. Daarin is bepaald dat de mededelingsplicht zich niet uitstrekt tot feiten die niet tot een voor de verzekering[s]nemer ongunstiger beslissing zouden hebben geleid. [eiser] betoogt dat daaraan niet is voldaan omdat Achmea er niet in is geslaagd aan te tonen dat een redelijk handelend verzekeraar bij bekendheid met de werkelijke situatie de verzekeringsovereenkomst niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Het hof overweegt dat in een geval als het onderhavige, waarin de verzekeraar door middel van een vragenlijst naar bepaalde feiten of omstandigheden heeft gevraagd, de verzekeringnemer weet dat deze feiten de verzekeraar interesseren, daargelaten of zij tot een voor de verzekeringnemer ongunstiger beslissing zouden hebben geleid – dit laatste zal de verzekeraar zo nodig hebben te bewijzen (MvT, Kamerstukken II 1985/86, 19 529, nr. 3, p. 8). De relevantie van de gevraagde feiten is daarmee gegeven. Met het niet juist beantwoorden van deze vragen wordt de mededelingsplicht dan ook geschonden. Dat betekent dat grief 2 van [eiser] faalt.” 2.12 In het kader van kernpunt I is het hof ten slotte ingegaan op de stelling van Achmea dat zij bij de juiste kennis van zaken, als redelijk handelend verzekeraar, geen verzekering had afgesloten. In dat verband heeft het hof geoordeeld dat als onvoldoende gemotiveerd betwist is komen vast te staan dat Achmea als redelijk handelend verzekeraar bij bekendheid met de werkelijke situatie de verzekeringsovereenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden, zou hebben gesloten: “5.8. Wel kan in het kader van de gevolgen van die schending relevant zijn of de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering niet, of niet op dezelfde voorwaarden, zou hebben gesloten (art. 7:930 lid 3 en 1 BW). Achmea stelt in dat verband dat zij bij de juiste kennis van zaken, als redelijk handelend verzekeraar, geen verzekering had afgesloten. Bij deze beslissing zou zowel de achterstallige betaling als het gegeven dat [eiser] onverzekerd aan het verkeer heelt deelgenomen zijn betrokken. Achmea heeft haar standpunt onderbouwd door diverse e-mails van andere verzekeraars in het geding te brengen, waaruit blijkt dat ook die andere verzekeraars [eiser] bij een juist antwoord op de vraag niet hadden geaccepteerd. [eiser] heeft ter betwisting daarvan aangevoerd dat zijn casus in de e-mail van Achmea niet volledig wordt geschetst omdat de achtergrond van de betalingsachterstand bij Unigarant niet wordt vermeld en evenmin het feit dat hij later alsnog heeft betaald. Ook vindt [eiser] dat vermeld had moeten worden dat de ontdekking pas na geruime tijd plaatsvond en dat de aangeschreven fraudecollega’s niet de aangewezen personen zijn om te oordelen over het acceptatiebeleid van de verzekeraar. 5.9. Achmea heeft in reactie daarop toegelicht dat juist wanbetaling een groot risico is voor verzekeraars omdat uit de premiebetaling de gedekte schades moeten worden betaald, naast de kosten voor het voeren van het verzekeringsbedrijf. Daarom wordt hierop zo streng geselecteerd. Dat de betalingsachterstand bij Unigarant wellicht een gering bedrag betrof, is minder relevant in de afweging. Immers, zo stelt Achmea. voordat tot een royement kan worden gekomen is de verzekerde aangemaand en gewaarschuwd voor de gevolgen van het niet betalen van de premie. Het gaat Achmea dus met name om de volharding van een verzekerde om openstaande premie niet te betalen. Dergelijk gedrag wordt als een onaanvaardbaar risico beschouwd. Dit alles is door [eiser] niet betwist. Dat de informatie over het acceptatiebeleid van andere verzekeraars is verstrekt door fraudecollega’s, doet aan de juistheid van die informatie niet af, zeker niet nu blijkens de reacties overleg is gepleegd met de acceptatie-afdeling of wordt verwezen naar de eigen acceptatierichtlijnen. 5.10. Het hof concludeert dat daarmee als onvoldoende gemotiveerd betwist is komen vast te staan dat Achmea als redelijk handelend verzekeraar bij bekendheid met de werkelijke situatie de verzekeringsovereenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden, zou hebben gesloten. Dit betekent dat Achmea een beroep op art. 7:930 lid 4 BW toekomt. Zoals hierna zal worden besproken, komt haar echter ook reeds een beroep toe op art. 7:930 lid 5 BW.” 2.13 In de daaropvolgende overwegingen heeft het hof in het kader van kernpunt II beoordeeld of [eiser] bij de schending van de mededelingsplicht heeft gehandeld met de bedoeling Achmea ertoe te bewegen een overeenkomst aan te gaan die zij anders niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten (opzet tot misleiding). Het hof heeft in dat kader eerst het oordeel van de rechtbank aangehaald, grief 4 van [eiser] hiermee in verband gebracht en het juridisch kader gegeven: “5.11.
Volledig
Als de verzekeringnemer met opzet tot misleiding heeft gehandeld dan behoeft de verzekeraar geen uitkering (meer) te doen en kan [h]ij de betaalde uitkeringen terugvorderen. De rechtbank heeft geoordeeld dat bij de schending van de mededelingsplicht door [eiser] sprake is geweest van opzet tot misleiding in die zin dat hij de vraag bewust verkeerd heeft beantwoord om Achmea ertoe te bewegen een verzekering aan te gaan die zij anders niet gesloten zou hebben. Tegen dat oordeel komt [eiser] op met grief 4. Het hof moet dus beoordelen of sprake is van opzet tot misleiding in de zin van art. 7:930 lid 5 BW, oftewel of [eiser] heeft gehandeld met de bedoeling Achmea ertoe te bewegen een overeenkomst aan te gaan die [z]ij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Of dit het geval is zal kunnen worden aangetoond met behulp van vermoedens, te putten uit de omstandigheden van het geval (vlg. HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:507).” 2.14 Daarop heeft het hof beoordeeld of [eiser] de vraag of hem ooit eerder een verzekering was geweigerd of opgezegd onjuist heeft beantwoord met de bedoeling Achmea te bewegen een verzekering aan te gaan die zij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden had gesloten. Het hof heeft uiteindelijk geoordeeld dat dit het geval was en dat de met die vraag verband houdende grief 4 van [eiser] faalt: “5.12 [eiser] heeft een heldere vraag op het aanvraagformulier evident onjuist en daarmee in strijd met de waarheid ingevuld. Hij was eerder verzekerd bij Unigarant en deze maatschappij had vanwege wanbetaling door [eiser] de verzekering beëindigd. Dat die beëindiging ertoe kon leiden dat hem een volgende verzekering geweigerd zou kunnen worden was hem in ieder geval duidelijk geworden toen [eiser] een nieuwe verzekering aanvroeg bij Centraal Beheer en die aanvraag in verband daarmee werd afgewezen. Hoewel het zo kan zijn dat [eiser] zich het telefoongesprek met Centraal Beheer inmiddels niet meer herinnert, moet [eiser] op dat moment geweten hebben dat zijn verzekeringsverleden kon leiden tot een afwijzing bij een nieuwe verzekeraar. Slechts drie dagen later vulde hij het aanvraagformulier voor een vergelijkbare verzekering onjuist in. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat dit niet anders kan zijn geweest dan om Achmea te bewegen een verzekering aan te gaan die zij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden had gesloten. 5.13. [eiser] heeft bovengenoemde feiten en omstandigheden niet (gemotiveerd) bestreden en heeft geen andere feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat geen sprake is geweest van enig opzet, zodat met het voorgaande de opzet tot misleiding is komen vaststaan. Ook grief 4 van [eiser] faalt.” 2.15 Na te hebben geoordeeld dat [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden en daarbij de opzet heeft gehad om Achmea te misleiden, is het hof ingegaan op kernpunt III (de vraag of Achmea heeft voldaan aan haar uit art. 7:929 lid 1 BW voortvloeiende kennisgevingsplicht). In dat kader heeft het hof eerst het juridisch kader gegeven en grief 3, waarmee [eiser] heeft aangevoerd dat Achmea niet aan haar kennisgevingsplicht heeft voldaan, weergegeven: “5.14. Met het voorgaande staat vast dat [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden en daarbij opzet tot misleiding heeft gehad. Achmea kan zich echter slechts op de rechtsgevolgen daarvan beroepen als zij [eiser] binnen twee maanden na de ontdekking van de verzwijging op de hoogte stelt van die ontdekking en de gevolgen die Achmea daaraan verbindt (art. 7:929 lid 1 BW). 5.15. Om van een ontdekking door de verzekeraar te kunnen spreken moet een voldoende mate van zekerheid bestaan dat de mededelingsplicht is geschonden. Heeft de verzekeraar enkel een vermoeden dat de mededelingsplicht is geschonden, dan doet dat de tweemaandentermijn (nog) niet aanvangen. De voor een ontdekking vereiste mate van zekerheid kan meebrengen dat de verzekeraar de ruimte heeft om een mogelijke schending van de mededelingsplicht eerst nader te (laten) onderzoeken. De stelplicht en bewijslast ter zake van de vraag of zij aan de kennisgevingsplicht heeft voldaan, rusten op de verzekeraar. 5.16. Met grief 3 richt [eiser] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat Achmea heeft voldaan aan haar kennisgevingsplicht. Daarbij is niet in geschil dal Achmea op 20 juni 2019 een brief aan [eiser] heeft gestuurd waarin zij [eiser] wijst op de mogelijke gevolgen van haar ontdekkingen en dat [eiser] deze brief ook heeft ontvangen. [eiser] betwist echter dat mededeling tijdig, dat wil zeggen binnen twee maanden na het moment van ontdekking van de verzwijging, heeft plaatsgevonden. Daartoe betwist hij de stelling van Achmea dat die ontdekking op 30 april 2019 plaatsvond. 5.17. [eiser] stelt primair dat Achmea al op 27 of 28 oktober 2014 kennis had kunnen en moeten nemen van de afwijzing door Centraal Beheer en dus veel eerder op de hoogte was (of had moeten zijn) van de verzwijging. Volgens [eiser] moeten Centraal Beheer en H.I. Services met elkaar worden vereenzelvigd en heeft hij tweemaal een verzekering bij Achmea aangevraagd, zodat Achmea na de afwijzing door Centraal Beheer bekend was met zijn verzekeringsverleden. Daartoe wijst [eiser] op de brief van Centraal Beheer, die vermeldt dat de afwijzing van de aanvraag geregistreerd wordt en daarmee zichtbaar is voor “andere verzekeraars binnen de Achmea Groep”.” 2.16 Het hof heeft het betoog van [eiser] verworpen. In dat verband heeft het hof onder andere geoordeeld dat er voor Achmea geen aanleiding was om te vermoeden dat [eiser] zijn mededelingsplicht had geschonden, zodat er voor haar ook geen aanleiding was tot nader onderzoek: “5.18. Het hof verwerpt dit betoog. Het is niet komen vast te staan dat Achmea op 27 of 28 oktober 2014 wist of had behoren te weten dat de eerdere aanvraag van [eiser] was afgewezen. Het hof begrijpt de stellingen van [eiser] over de vereenzelviging van H.I. Services en Centraal Beheer aldus dat hij meent dat beide entiteiten, als behorend tot hetzelfde concern, inzage hebben in elkaars administratie, en aldus op de hoogte zijn van afwijzingen van (kandidaat-)verzekerden. Achmea heeft dit gemotiveerd betwist en toegelicht dat H.I. Services en Centraal Beheer binnen de Achmea Groep afzonderlijke labels zijn die niet automatisch kennisnemen van een afwijzing van een aanvraag door een van de andere labels. [eiser] heeft, in het licht van deze betwisting, geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan een dergelijke vorm van vereenzelviging zou kunnen worden aangenomen. 5.19. Niet in geschil is dat H.I. Services en Centraal Beheer bij raadplegen van de IVR toegang hebben tot informatie die door een van de andere labels in de IVR is opgenomen. Voor zover [eiser] echter meent dat Achmea een onderzoeksplicht had bij het accepteren van zijn aanvraag, inhoudende dat de IVR geraadpleegd had moeten worden, kan hij daarin niet worden gevolgd. Of en in welke mate van de verzekeraar mag worden verwacht dat hij onderzoek doet nadat hij aanwijzingen heeft gekregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dit geval heeft Achmea via een vragenlijst naar voor haar relevante informatie gevraagd bij [eiser] , die vervolgens bewust een van die vragen verkeerd heeft beantwoord. Achmea mocht van de juistheid van de verstrekte informatie uitgaan. Er was voor haar geen aanleiding om te vermoeden dat [eiser] zijn mededelingsplicht had geschonden, zodat er geen aanleiding was tot nader onderzoek. Daarom kan in het midden blijven of de afwijzing door Centraal Beheer ten tijde van de aanvraag reeds was verwerkt in de IVR, zodat Achmea daarvan kennis had kunnen nemen bij raadpleging daarvan. [eiser] heeft ook geen andere feiten gesteld die de conclusie kunnen dragen dat Achmea op 27 of 28 oktober 2014 reeds op de hoogte was van de afwijzing door Centraal Beheer.” 2.17 Het hof heeft ten slotte geoordeeld dat het, gelet op de consequenties van het niet voldoen aan de kennisgevingsplicht, van belang is dat komt vast te staan op welk moment door Achmea is ontdekt dat [eiser] zijn mededelingsplicht had geschonden.
Volledig
Als de verzekeringnemer met opzet tot misleiding heeft gehandeld dan behoeft de verzekeraar geen uitkering (meer) te doen en kan [h]ij de betaalde uitkeringen terugvorderen. De rechtbank heeft geoordeeld dat bij de schending van de mededelingsplicht door [eiser] sprake is geweest van opzet tot misleiding in die zin dat hij de vraag bewust verkeerd heeft beantwoord om Achmea ertoe te bewegen een verzekering aan te gaan die zij anders niet gesloten zou hebben. Tegen dat oordeel komt [eiser] op met grief 4. Het hof moet dus beoordelen of sprake is van opzet tot misleiding in de zin van art. 7:930 lid 5 BW, oftewel of [eiser] heeft gehandeld met de bedoeling Achmea ertoe te bewegen een overeenkomst aan te gaan die [z]ij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Of dit het geval is zal kunnen worden aangetoond met behulp van vermoedens, te putten uit de omstandigheden van het geval (vlg. HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:507).” 2.14 Daarop heeft het hof beoordeeld of [eiser] de vraag of hem ooit eerder een verzekering was geweigerd of opgezegd onjuist heeft beantwoord met de bedoeling Achmea te bewegen een verzekering aan te gaan die zij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden had gesloten. Het hof heeft uiteindelijk geoordeeld dat dit het geval was en dat de met die vraag verband houdende grief 4 van [eiser] faalt: “5.12 [eiser] heeft een heldere vraag op het aanvraagformulier evident onjuist en daarmee in strijd met de waarheid ingevuld. Hij was eerder verzekerd bij Unigarant en deze maatschappij had vanwege wanbetaling door [eiser] de verzekering beëindigd. Dat die beëindiging ertoe kon leiden dat hem een volgende verzekering geweigerd zou kunnen worden was hem in ieder geval duidelijk geworden toen [eiser] een nieuwe verzekering aanvroeg bij Centraal Beheer en die aanvraag in verband daarmee werd afgewezen. Hoewel het zo kan zijn dat [eiser] zich het telefoongesprek met Centraal Beheer inmiddels niet meer herinnert, moet [eiser] op dat moment geweten hebben dat zijn verzekeringsverleden kon leiden tot een afwijzing bij een nieuwe verzekeraar. Slechts drie dagen later vulde hij het aanvraagformulier voor een vergelijkbare verzekering onjuist in. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat dit niet anders kan zijn geweest dan om Achmea te bewegen een verzekering aan te gaan die zij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden had gesloten. 5.13. [eiser] heeft bovengenoemde feiten en omstandigheden niet (gemotiveerd) bestreden en heeft geen andere feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat geen sprake is geweest van enig opzet, zodat met het voorgaande de opzet tot misleiding is komen vaststaan. Ook grief 4 van [eiser] faalt.” 2.15 Na te hebben geoordeeld dat [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden en daarbij de opzet heeft gehad om Achmea te misleiden, is het hof ingegaan op kernpunt III (de vraag of Achmea heeft voldaan aan haar uit art. 7:929 lid 1 BW voortvloeiende kennisgevingsplicht). In dat kader heeft het hof eerst het juridisch kader gegeven en grief 3, waarmee [eiser] heeft aangevoerd dat Achmea niet aan haar kennisgevingsplicht heeft voldaan, weergegeven: “5.14. Met het voorgaande staat vast dat [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden en daarbij opzet tot misleiding heeft gehad. Achmea kan zich echter slechts op de rechtsgevolgen daarvan beroepen als zij [eiser] binnen twee maanden na de ontdekking van de verzwijging op de hoogte stelt van die ontdekking en de gevolgen die Achmea daaraan verbindt (art. 7:929 lid 1 BW). 5.15. Om van een ontdekking door de verzekeraar te kunnen spreken moet een voldoende mate van zekerheid bestaan dat de mededelingsplicht is geschonden. Heeft de verzekeraar enkel een vermoeden dat de mededelingsplicht is geschonden, dan doet dat de tweemaandentermijn (nog) niet aanvangen. De voor een ontdekking vereiste mate van zekerheid kan meebrengen dat de verzekeraar de ruimte heeft om een mogelijke schending van de mededelingsplicht eerst nader te (laten) onderzoeken. De stelplicht en bewijslast ter zake van de vraag of zij aan de kennisgevingsplicht heeft voldaan, rusten op de verzekeraar. 5.16. Met grief 3 richt [eiser] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat Achmea heeft voldaan aan haar kennisgevingsplicht. Daarbij is niet in geschil dal Achmea op 20 juni 2019 een brief aan [eiser] heeft gestuurd waarin zij [eiser] wijst op de mogelijke gevolgen van haar ontdekkingen en dat [eiser] deze brief ook heeft ontvangen. [eiser] betwist echter dat mededeling tijdig, dat wil zeggen binnen twee maanden na het moment van ontdekking van de verzwijging, heeft plaatsgevonden. Daartoe betwist hij de stelling van Achmea dat die ontdekking op 30 april 2019 plaatsvond. 5.17. [eiser] stelt primair dat Achmea al op 27 of 28 oktober 2014 kennis had kunnen en moeten nemen van de afwijzing door Centraal Beheer en dus veel eerder op de hoogte was (of had moeten zijn) van de verzwijging. Volgens [eiser] moeten Centraal Beheer en H.I. Services met elkaar worden vereenzelvigd en heeft hij tweemaal een verzekering bij Achmea aangevraagd, zodat Achmea na de afwijzing door Centraal Beheer bekend was met zijn verzekeringsverleden. Daartoe wijst [eiser] op de brief van Centraal Beheer, die vermeldt dat de afwijzing van de aanvraag geregistreerd wordt en daarmee zichtbaar is voor “andere verzekeraars binnen de Achmea Groep”.” 2.16 Het hof heeft het betoog van [eiser] verworpen. In dat verband heeft het hof onder andere geoordeeld dat er voor Achmea geen aanleiding was om te vermoeden dat [eiser] zijn mededelingsplicht had geschonden, zodat er voor haar ook geen aanleiding was tot nader onderzoek: “5.18. Het hof verwerpt dit betoog. Het is niet komen vast te staan dat Achmea op 27 of 28 oktober 2014 wist of had behoren te weten dat de eerdere aanvraag van [eiser] was afgewezen. Het hof begrijpt de stellingen van [eiser] over de vereenzelviging van H.I. Services en Centraal Beheer aldus dat hij meent dat beide entiteiten, als behorend tot hetzelfde concern, inzage hebben in elkaars administratie, en aldus op de hoogte zijn van afwijzingen van (kandidaat-)verzekerden. Achmea heeft dit gemotiveerd betwist en toegelicht dat H.I. Services en Centraal Beheer binnen de Achmea Groep afzonderlijke labels zijn die niet automatisch kennisnemen van een afwijzing van een aanvraag door een van de andere labels. [eiser] heeft, in het licht van deze betwisting, geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan een dergelijke vorm van vereenzelviging zou kunnen worden aangenomen. 5.19. Niet in geschil is dat H.I. Services en Centraal Beheer bij raadplegen van de IVR toegang hebben tot informatie die door een van de andere labels in de IVR is opgenomen. Voor zover [eiser] echter meent dat Achmea een onderzoeksplicht had bij het accepteren van zijn aanvraag, inhoudende dat de IVR geraadpleegd had moeten worden, kan hij daarin niet worden gevolgd. Of en in welke mate van de verzekeraar mag worden verwacht dat hij onderzoek doet nadat hij aanwijzingen heeft gekregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dit geval heeft Achmea via een vragenlijst naar voor haar relevante informatie gevraagd bij [eiser] , die vervolgens bewust een van die vragen verkeerd heeft beantwoord. Achmea mocht van de juistheid van de verstrekte informatie uitgaan. Er was voor haar geen aanleiding om te vermoeden dat [eiser] zijn mededelingsplicht had geschonden, zodat er geen aanleiding was tot nader onderzoek. Daarom kan in het midden blijven of de afwijzing door Centraal Beheer ten tijde van de aanvraag reeds was verwerkt in de IVR, zodat Achmea daarvan kennis had kunnen nemen bij raadpleging daarvan. [eiser] heeft ook geen andere feiten gesteld die de conclusie kunnen dragen dat Achmea op 27 of 28 oktober 2014 reeds op de hoogte was van de afwijzing door Centraal Beheer.” 2.17 Het hof heeft ten slotte geoordeeld dat het, gelet op de consequenties van het niet voldoen aan de kennisgevingsplicht, van belang is dat komt vast te staan op welk moment door Achmea is ontdekt dat [eiser] zijn mededelingsplicht had geschonden.
Volledig
Het hof heeft Achmea in het tussenarrest dan ook toegelaten om te bewijzen dat zij op 30 april 2019, althans niet eerder dan twee maanden voor de kennisgeving van 20 juni 2019, ontdekte dat [eiser] zijn mededelingsplicht had geschonden en iedere verdere beslissing aangehouden: “5.20. [eiser] heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat ook het door Achmea gestelde moment van ontdekking op 30 april 2019 niet is komen vast te staan. Hij wijst in dit verband op het feit dat Achmea wisselende verklaringen geeft over hoe de ontdekking werd gedaan. In de brief van 20 juni 2019 noemt Achmea als reden voor de ontdekking een steekproef tijdens de behandeling van het dossier. In de procedure bij het Kifid heeft Achmea verklaard dat een nieuwe claimbehandelaar het dossier in behandeling had genomen en dat die de schending heeft ontdekt. Ook betwist [eiser] de door Achmea genoemde datum van ontdekking omdat niet nader wordt toegelicht door wie en op welk moment de ontdekking is gedaan. 5.21. Achmea heeft in hoger beroep ten aanzien van de ontdekking op 30 april 2019 een ter zake dienend bewijsaanbod gedaan, te weten het laten horen als getuigen van de bij de ontdekking betrokken medewerkers ( [getuige 1] ] en [getuige 2] ). 5.22. Gelet op de consequenties van het niet voldoen aan de kennisgevingsplicht is het van belang dat het moment van ontdekking door Achmea komt vast te staan. Achmea zal daarom op de wijze als hierna vermeld tot bewijs van haar stellingen omtrent de ontdekking van de verzwijging worden toegelaten. 5.23. Als blijkt dat Achmea zich op de gevolgen van de verzwijging kan beroepen zal het hof het daartegen gevoerde verweer van [eiser] dat sprake is van rechtsverwerking beoordelen en komt het toe aan de bespreking van de grieven in incidenteel appel. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.” 2.18 Op 9 juli 2024 heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden. Hierbij zijn twee getuigen gehoord, die in 2019 beiden werkten voor Inshared dat deel uitmaakt van het Achmea-concern. [getuige 1] is als schaderegelaar betrokken geweest bij de behandeling van de schade van [eiser] . [getuige 2] heeft als fraudecoördinator onderzoek gedaan in het dossier van [eiser] . 2.19 Na het getuigenverhoor hebben partijen op 10 september 2024 een memorie na enquête respectievelijk een antwoord memorie na enquête genomen, waarna het hof op 8 april 2025 eindarrest heeft gewezen. 2.20 Het hof heeft – voor zover in cassatie van belang – als volgt overwogen en geoordeeld in zijn eindarrest. 2.21 Het hof is in rov. 2.2. en 2.3. allereerst ingegaan op de aan Achmea gegeven bewijsopdracht en op de getuigen die Achmea in dit kader heeft laten horen. In rov. 2.4. en 2.5. is het hof nader ingegaan op de getuigenverklaringen door te beschrijven wat hieruit kan worden opgemaakt. 2.22 In rov. 2.6. en 2.7. volgt de beoordeling van het getuigenbewijs. Naar het oordeel van het hof is Achmea in haar bewijsopdracht geslaagd: “2.6. Het hof is van oordeel dat uit de beide getuigenverklaringen en de aan de processen-verbaal van getuigenverhoor gehechte berichten in onderlinge samenhang beschouwd volgt dat Achmea op 30 april 2019 ontdekte dat [eiser] zijn mededelingsplicht had geschonden. In het telefoongesprek op 30 april 2019 met Centraal Beheer kwam [getuige 2] er immers achter dat een eerdere autoverzekering van [eiser] was opgezegd vanwege niet-tijdige premiebetaling en dat Centraal Beheer [eiser] een vergelijkbare autoverzekering had geweigerd. Op dat moment verkreeg Achmea voldoende zekerheid dat [eiser] diens mededelingsplicht niet was nagekomen en vanaf die datum is de vervaltermijn van twee maanden genoemd in artikel 7:929 lid 1 BW dus gaan lopen. Het hof ziet geen aanleiding om [eiser] te volgen in zijn betoog dat 11 april 2019 als datum van de ontdekking moet worden aangemerkt. Zoals uit de getuigenverklaringen volgt was toen immers bij Achmea (in de persoon van [getuige 1] ) enkel bekend dat sprake was van een hoge FRISS-score[ ] en een IVR-melding. Daaruit kon niet met voldoende zekerheid de conclusie worden getrokken dat [eiser] zijn mededelingsplicht had geschonden; daarvoor was nader onderzoek door de fraudeafdeling nodig en dat onderzoek vond plaats op 30 april 2019. Het hof ziet in wat [eiser] in de memorie na enquête nog naar voren heeft gebracht evenmin aanleiding om terug te komen op zijn in het tussenarrest gegeven overwegingen (rov. 5.3 en rov. 5.4) die hebben geleid tot het – als bindende eindbeslissing te kwalificeren – oordeel dat [eiser] in het aanvraagformulier de vraag of hem eerder ooit een verzekering is geweigerd of opgezegd met “nee” en dus onjuist heeft beantwoord. Dit geldt eveneens voor de overwegingen in het tussenarrest die zien op de IVR-registratie (rov. 5.19). [eiser] miskent met zijn (herhaalde) betoog immers dat op Achmea onder de gegeven omstandigheden geen onderzoeksplicht rustte naar een mogelijke schending van zijn mededelingsplicht door [eiser] . Achmea hoefde bij de beoordeling van zijn aanvraag niet te controleren of er wellicht een IVR-melding in haar systemen te vinden was. Er is dus geen reden om [eiser] te volgen in zijn betoog dat de dag waarop de IVR-melding in de systemen werd opgenomen als dag van ontdekking heeft te gelden. 2.7. Het hof komt tot de conclusie dat Achmea is geslaagd in haar bewijsopdracht. Dat betekent dat vaststaat dat Achmea [eiser] met de e-mail van 20 juni 2019 tijdig op de hoogte heeft gesteld van haar ontdekking dat hij bij het aangaan van zijn verzekering zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Achmea mag zich dus in beginsel beroepen op haar rechten ter zake de niet-nakoming van de mededelingsplicht, te weten het beëindigen van de verzekering en het terugvorderen van hetgeen zij reeds heeft uitgekeerd.” 2.23 In de daaropvolgende rechtsoverwegingen heeft het hof grief 5 van [eiser] , gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn beroep op rechtsverwerking niet slaagt, besproken. Ook heeft het hof stilgestaan bij grief 1 (in incidenteel appel) van Achmea gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van Achmea op terugbetaling van de gedane uitkeringen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof heeft deze grieven in rov. 2.8. beschreven en de daarop volgende rechtsoverwegingen besproken: “2.9. [eiser] betoogt dat Achmea haar recht om zich te beroepen op schending van de mededelingsplicht heeft verwerkt en wijst erop dat Achmea bijna vijf jaar lang de schaderegeling heeft uitgevoerd, voorschotten heeft betaald en heeft meegewerkt aan expertises om de schade in beeld te brengen. [eiser] meent dat Achmea zich onredelijk heeft opgesteld door de betalingen ineens te beëindigen en niet in overleg te treden met [eiser] en hem een alternatief te bieden. Daar komt nog bij, aldus [eiser] , dat hij geen beroep meer kan doen op het waarborgfonds noch op de personen of de verzekeraars die voor zijn ongeval aansprakelijk zijn. Ook wijst [eiser] er nog op dat hij tot op heden ernstige gevolgen van het ongeval ondervindt. De situatie is volgens [eiser] geheel te wijten aan de omstandigheid dat Achmea ervoor heeft gekozen om jarenlang geen controle te verrichten, terwijl zij die controle al bij de aanvraag van de verzekering had kunnen verrichten. Dat falen van Achmea en de onevenredig zware gevolgen voor hem dienen er volgens [eiser] toe te leiden dat zijn beroep op rechtsverwerking in hoger beroep alsnog wordt gehonoreerd. 2.10. Het hof neemt bij de beoordeling van het beroep op rechtsverwerking het volgende tot uitgangspunt. Rechtsverwerking doet zich voor als een rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Volgens vaste rechtspraak is enkel tijdsverloop daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. 2.11.
Volledig
Het hof heeft Achmea in het tussenarrest dan ook toegelaten om te bewijzen dat zij op 30 april 2019, althans niet eerder dan twee maanden voor de kennisgeving van 20 juni 2019, ontdekte dat [eiser] zijn mededelingsplicht had geschonden en iedere verdere beslissing aangehouden: “5.20. [eiser] heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat ook het door Achmea gestelde moment van ontdekking op 30 april 2019 niet is komen vast te staan. Hij wijst in dit verband op het feit dat Achmea wisselende verklaringen geeft over hoe de ontdekking werd gedaan. In de brief van 20 juni 2019 noemt Achmea als reden voor de ontdekking een steekproef tijdens de behandeling van het dossier. In de procedure bij het Kifid heeft Achmea verklaard dat een nieuwe claimbehandelaar het dossier in behandeling had genomen en dat die de schending heeft ontdekt. Ook betwist [eiser] de door Achmea genoemde datum van ontdekking omdat niet nader wordt toegelicht door wie en op welk moment de ontdekking is gedaan. 5.21. Achmea heeft in hoger beroep ten aanzien van de ontdekking op 30 april 2019 een ter zake dienend bewijsaanbod gedaan, te weten het laten horen als getuigen van de bij de ontdekking betrokken medewerkers ( [getuige 1] ] en [getuige 2] ). 5.22. Gelet op de consequenties van het niet voldoen aan de kennisgevingsplicht is het van belang dat het moment van ontdekking door Achmea komt vast te staan. Achmea zal daarom op de wijze als hierna vermeld tot bewijs van haar stellingen omtrent de ontdekking van de verzwijging worden toegelaten. 5.23. Als blijkt dat Achmea zich op de gevolgen van de verzwijging kan beroepen zal het hof het daartegen gevoerde verweer van [eiser] dat sprake is van rechtsverwerking beoordelen en komt het toe aan de bespreking van de grieven in incidenteel appel. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.” 2.18 Op 9 juli 2024 heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden. Hierbij zijn twee getuigen gehoord, die in 2019 beiden werkten voor Inshared dat deel uitmaakt van het Achmea-concern. [getuige 1] is als schaderegelaar betrokken geweest bij de behandeling van de schade van [eiser] . [getuige 2] heeft als fraudecoördinator onderzoek gedaan in het dossier van [eiser] . 2.19 Na het getuigenverhoor hebben partijen op 10 september 2024 een memorie na enquête respectievelijk een antwoord memorie na enquête genomen, waarna het hof op 8 april 2025 eindarrest heeft gewezen. 2.20 Het hof heeft – voor zover in cassatie van belang – als volgt overwogen en geoordeeld in zijn eindarrest. 2.21 Het hof is in rov. 2.2. en 2.3. allereerst ingegaan op de aan Achmea gegeven bewijsopdracht en op de getuigen die Achmea in dit kader heeft laten horen. In rov. 2.4. en 2.5. is het hof nader ingegaan op de getuigenverklaringen door te beschrijven wat hieruit kan worden opgemaakt. 2.22 In rov. 2.6. en 2.7. volgt de beoordeling van het getuigenbewijs. Naar het oordeel van het hof is Achmea in haar bewijsopdracht geslaagd: “2.6. Het hof is van oordeel dat uit de beide getuigenverklaringen en de aan de processen-verbaal van getuigenverhoor gehechte berichten in onderlinge samenhang beschouwd volgt dat Achmea op 30 april 2019 ontdekte dat [eiser] zijn mededelingsplicht had geschonden. In het telefoongesprek op 30 april 2019 met Centraal Beheer kwam [getuige 2] er immers achter dat een eerdere autoverzekering van [eiser] was opgezegd vanwege niet-tijdige premiebetaling en dat Centraal Beheer [eiser] een vergelijkbare autoverzekering had geweigerd. Op dat moment verkreeg Achmea voldoende zekerheid dat [eiser] diens mededelingsplicht niet was nagekomen en vanaf die datum is de vervaltermijn van twee maanden genoemd in artikel 7:929 lid 1 BW dus gaan lopen. Het hof ziet geen aanleiding om [eiser] te volgen in zijn betoog dat 11 april 2019 als datum van de ontdekking moet worden aangemerkt. Zoals uit de getuigenverklaringen volgt was toen immers bij Achmea (in de persoon van [getuige 1] ) enkel bekend dat sprake was van een hoge FRISS-score[ ] en een IVR-melding. Daaruit kon niet met voldoende zekerheid de conclusie worden getrokken dat [eiser] zijn mededelingsplicht had geschonden; daarvoor was nader onderzoek door de fraudeafdeling nodig en dat onderzoek vond plaats op 30 april 2019. Het hof ziet in wat [eiser] in de memorie na enquête nog naar voren heeft gebracht evenmin aanleiding om terug te komen op zijn in het tussenarrest gegeven overwegingen (rov. 5.3 en rov. 5.4) die hebben geleid tot het – als bindende eindbeslissing te kwalificeren – oordeel dat [eiser] in het aanvraagformulier de vraag of hem eerder ooit een verzekering is geweigerd of opgezegd met “nee” en dus onjuist heeft beantwoord. Dit geldt eveneens voor de overwegingen in het tussenarrest die zien op de IVR-registratie (rov. 5.19). [eiser] miskent met zijn (herhaalde) betoog immers dat op Achmea onder de gegeven omstandigheden geen onderzoeksplicht rustte naar een mogelijke schending van zijn mededelingsplicht door [eiser] . Achmea hoefde bij de beoordeling van zijn aanvraag niet te controleren of er wellicht een IVR-melding in haar systemen te vinden was. Er is dus geen reden om [eiser] te volgen in zijn betoog dat de dag waarop de IVR-melding in de systemen werd opgenomen als dag van ontdekking heeft te gelden. 2.7. Het hof komt tot de conclusie dat Achmea is geslaagd in haar bewijsopdracht. Dat betekent dat vaststaat dat Achmea [eiser] met de e-mail van 20 juni 2019 tijdig op de hoogte heeft gesteld van haar ontdekking dat hij bij het aangaan van zijn verzekering zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Achmea mag zich dus in beginsel beroepen op haar rechten ter zake de niet-nakoming van de mededelingsplicht, te weten het beëindigen van de verzekering en het terugvorderen van hetgeen zij reeds heeft uitgekeerd.” 2.23 In de daaropvolgende rechtsoverwegingen heeft het hof grief 5 van [eiser] , gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn beroep op rechtsverwerking niet slaagt, besproken. Ook heeft het hof stilgestaan bij grief 1 (in incidenteel appel) van Achmea gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van Achmea op terugbetaling van de gedane uitkeringen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof heeft deze grieven in rov. 2.8. beschreven en de daarop volgende rechtsoverwegingen besproken: “2.9. [eiser] betoogt dat Achmea haar recht om zich te beroepen op schending van de mededelingsplicht heeft verwerkt en wijst erop dat Achmea bijna vijf jaar lang de schaderegeling heeft uitgevoerd, voorschotten heeft betaald en heeft meegewerkt aan expertises om de schade in beeld te brengen. [eiser] meent dat Achmea zich onredelijk heeft opgesteld door de betalingen ineens te beëindigen en niet in overleg te treden met [eiser] en hem een alternatief te bieden. Daar komt nog bij, aldus [eiser] , dat hij geen beroep meer kan doen op het waarborgfonds noch op de personen of de verzekeraars die voor zijn ongeval aansprakelijk zijn. Ook wijst [eiser] er nog op dat hij tot op heden ernstige gevolgen van het ongeval ondervindt. De situatie is volgens [eiser] geheel te wijten aan de omstandigheid dat Achmea ervoor heeft gekozen om jarenlang geen controle te verrichten, terwijl zij die controle al bij de aanvraag van de verzekering had kunnen verrichten. Dat falen van Achmea en de onevenredig zware gevolgen voor hem dienen er volgens [eiser] toe te leiden dat zijn beroep op rechtsverwerking in hoger beroep alsnog wordt gehonoreerd. 2.10. Het hof neemt bij de beoordeling van het beroep op rechtsverwerking het volgende tot uitgangspunt. Rechtsverwerking doet zich voor als een rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Volgens vaste rechtspraak is enkel tijdsverloop daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. 2.11.
Volledig
De omstandigheden die [eiser] heeft aangevoerd leiden, ook in onderlinge samenhang beschouwd, niet tot het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Achmea haar rechten om te stoppen met uitkeren en het reeds uitgekeerde terug te vorderen niet meer geldend zal maken. Aan het feit dat Achmea bijna vijf jaar lang de schadeafwikkeling actief ter hand heeft genomen, mocht [eiser] niet het vertrouwen ontlenen dat zij zich niet alsnog op de gevolgen van zijn verzwijging zou beroepen. Hiervoor is immers vastgesteld dat Achmea niet eerder dan 30 april 2019 op de hoogte raakte van de omstandigheid dat [eiser] bij het aangaan van de verzekering zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Vast staat voorts dat Achmea kort nadat de verzwijging haar bekend was geworden, de schadeafwikkeling heeft gestaakt, en aan [eiser] heeft medegedeeld dat zij geen uitbetalingen meer zou doen en dat reeds betaalde bedragen werden teruggevorderd. 2.12. Evenmin is sprake van bijzondere omstandigheden waardoor de positie van [eiser] onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien Achmea stopt met uitkeren onder de verzekering. Het hof ziet uiteraard wel in dat de (financiële) positie van [eiser] sterk verslechtert indien Achmea niet langer uitkeert en terugvordert hetgeen zij reeds heeft uitgekeerd, maar dit is in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. [eiser] heeft Achmea immers opzettelijk misleid bij het aangaan van de verzekering en ervoor gekozen om daarover te blijven zwijgen, zodat deze negatieve gevolgen enkel aan zijn eigen handelen zijn te wijten. Ook de omstandigheid dat Achmea eerder had kunnen controleren of [eiser] bij het aangaan van de verzekering zijn mededelingsplicht had geschonden, is geen bijzondere omstandigheid in de hiervoor bedoelde zin. Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen rustte op Achmea geen onderzoeksplicht naar een mogelijke schending van de mededelingsplicht. Zij mocht erop vertrouwen dat [eiser] het aanvraagformulier naar waarheid had ingevuld en hoefde niet te vermoeden dat [eiser] zijn mededelingsplicht had geschonden. Door niet eerder een controle uit te voeren heeft Achmea niet een norm geschonden, die strekte tot bescherming van de belangen van degene die haar opzettelijk had misleid.” 2.24 Het hof is tot het oordeel gekomen dat Achmea haar recht om gevolgen te verbinden aan de opzettelijke misleiding door [eiser] niet heeft verwerkt: “2.13 De conclusie luidt dat Achmea haar recht om gevolgen te verbinden aan de opzettelijke misleiding door [eiser] niet heeft verwerkt.” 2.25 Het hof heeft in rov. 2.14. overwogen dat de grieven 6 en 7 op de grieven 1 tot en met 5 voortbouwen en geoordeeld dat zij het lot daarvan delen: zij falen eveneens. 2.26 Het hof heeft in rov. 2.15. het bewijsaanbod van [eiser] afgewezen, op de grond dat de te bewijzen aangeboden stellingen niet ter zake dienend zijn. 2.27 Het hof is tot de slotsom gekomen dat de grieven in principaal appel falen en dat grief 1 in incidenteel appel slaagt. Daarbij is het hof ingegaan op de omvang van de vordering van Achmea: “2.16. De slotsom is dat alle grieven in principaal appel falen en dat grief 1 in incidenteel appel slaagt. Dat betekent dat het vonnis, in conventie gewezen, zal worden bekrachtigd voor zover daarin de vorderingen van [eiser] zijn afgewezen. Het vonnis, in reconventie gewezen, zal worden vernietigd. De vordering van Achmea tot veroordeling van [eiser] tot betaling van al hetgeen zij onder de verzekering heeft uitgekeerd zal alsnog worden toegewezen. Het hof overweegt hierbij nog dat Achmea voldoende heeft toegelicht dat zij, als verzekeraar, vorderingsgerechtigd is (zie ook rov. 3.1 van het tussenarrest). Het hof volgt [eiser] niet in zijn (subsidiaire) betoog dat alleen de daadwerkelijk aan hem uitgekeerde bedragen kunnen worden teruggevorderd. De bedragen die aan de belangenbehartigers van [eiser] zijn betaald, moeten worden beschouwd als betalingen aan hem. Ten aanzien van de door Achmea zelf gemaakte kosten in het kader van de schadeafwikkeling geldt het volgende. Niet alleen heeft [eiser] voorafgaande aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst zijn mededelingsplicht geschonden, maar bovendien heeft hij nakoming van die overeenkomst door Achmea verlangd, waarbij hij zich ervan bewust had moeten zijn dat Achmea, als zij op de hoogte zou komen van de relevante informatie, zich op verzwijging zou beroepen en niet tot nakoming gehouden zou zijn. Hiermee heeft hij zich jegens Achmea niet gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen hem en Achmea beheersen, zodat hij jegens Achmea toerekenbaar is tekortgeschoten. Doordat [eiser] nakoming van de verzekeringsovereenkomst verlangde en aldus in strijd handelde met hetgeen van hem als verzekerde redelijkerwijs kon worden gevergd, heeft Achmea kosten gemaakt die zij anders niet had hoeven maken. Deze kosten, bestaande uit de kosten van de schaderegelaar, het medisch advies en de arbeidsdeskundigen, komen in de omstandigheden van het geval voor vergoeding door [eiser] in aanmerking. Het hof vult in zoverre de rechtsgrond ten aanzien van deze post aan. [eiser] heeft de daarmee gemoeide bedragen op zichzelf niet betwist. [eiser] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling aan Achmea van het gehele gevorderde bedrag van € 116.019,30. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 11 juli 2019 over een bedrag van € 105.116,57 en vanaf 14 maart 2023 over een bedrag van € 10.902,73.” 2.28 De conclusie van het hof is dat het hoger beroep van [eiser] niet slaagt, het vonnis waarvan beroep in conventie wat betreft de proceskosten wordt vernietigd en voor het overige wordt bekrachtigd, het vonnis in reconventie wordt vernietigd en [eiser] wordt veroordeeld om een bedrag van € 116.019,30 aan Achmea te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, en [eiser] eveneens wordt veroordeeld in de proceskosten. Cassatie 2.29 [eiser] heeft bij procesinleiding van 7 juli 2025 tijdig cassatieberoep ingesteld. Achmea heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft nog gerepliceerd, Achmea heeft afgezien van dupliek. 3 Inleidende beschouwingen 3.1 In cassatie gaat het in essentie om de vraag of en, zo ja, in hoeverre op Achmea bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst met [eiser] een onderzoeksplicht rustte, inhoudende dat Achmea alvorens zijn verzekeringsaanvraag te accepteren haar IVR had moeten raadplegen. Zo had zij kunnen nagaan of [eiser] zijn mededelingsplicht eventueel had geschonden. Ik zal, voordat ik toekom aan bespreking van de klachten in paragraaf 4, hierna ingaan op de mededelingsplicht van de verzekeringnemer bij het aangaan van de verzekeringnemer en in dat verband ook aandacht besteden aan de vraag of op de verzekeraar een onderzoeksplicht in de zojuist bedoelde zin rust. Verder besteed ik kort aandacht aan de kennisgevingsplicht van de verzekeraar ingeval hij ontdekt dat de verzekeringnemer niet aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan. En ten slotte wijd ik een enkel woord aan rechtsverwerking, omdat [eiser] daarop een beroep heeft gedaan en de vraag of dat beroep succesvol is ook in cassatie aan de orde is. De mededelingsplicht van (aspirant-)verzekeringnemer 3.2 Art. 7:928 lid 1 BW belast de (aspirant-)verzekeringnemer met een precontractuele mededelingsplicht. Hij is verplicht vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen ( kennisvereiste ) en waarvan hij weet of behoort te begrijpen ( kenbaarheidsvereiste ) dat de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, deze de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen ( relevantievereiste ). Deze mededelingsplicht ziet niet op feiten die de verzekeraar reeds kent of behoort te kennen ( verschoonbaarheidsvereiste ). In art.
Volledig
De omstandigheden die [eiser] heeft aangevoerd leiden, ook in onderlinge samenhang beschouwd, niet tot het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Achmea haar rechten om te stoppen met uitkeren en het reeds uitgekeerde terug te vorderen niet meer geldend zal maken. Aan het feit dat Achmea bijna vijf jaar lang de schadeafwikkeling actief ter hand heeft genomen, mocht [eiser] niet het vertrouwen ontlenen dat zij zich niet alsnog op de gevolgen van zijn verzwijging zou beroepen. Hiervoor is immers vastgesteld dat Achmea niet eerder dan 30 april 2019 op de hoogte raakte van de omstandigheid dat [eiser] bij het aangaan van de verzekering zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Vast staat voorts dat Achmea kort nadat de verzwijging haar bekend was geworden, de schadeafwikkeling heeft gestaakt, en aan [eiser] heeft medegedeeld dat zij geen uitbetalingen meer zou doen en dat reeds betaalde bedragen werden teruggevorderd. 2.12. Evenmin is sprake van bijzondere omstandigheden waardoor de positie van [eiser] onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien Achmea stopt met uitkeren onder de verzekering. Het hof ziet uiteraard wel in dat de (financiële) positie van [eiser] sterk verslechtert indien Achmea niet langer uitkeert en terugvordert hetgeen zij reeds heeft uitgekeerd, maar dit is in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. [eiser] heeft Achmea immers opzettelijk misleid bij het aangaan van de verzekering en ervoor gekozen om daarover te blijven zwijgen, zodat deze negatieve gevolgen enkel aan zijn eigen handelen zijn te wijten. Ook de omstandigheid dat Achmea eerder had kunnen controleren of [eiser] bij het aangaan van de verzekering zijn mededelingsplicht had geschonden, is geen bijzondere omstandigheid in de hiervoor bedoelde zin. Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen rustte op Achmea geen onderzoeksplicht naar een mogelijke schending van de mededelingsplicht. Zij mocht erop vertrouwen dat [eiser] het aanvraagformulier naar waarheid had ingevuld en hoefde niet te vermoeden dat [eiser] zijn mededelingsplicht had geschonden. Door niet eerder een controle uit te voeren heeft Achmea niet een norm geschonden, die strekte tot bescherming van de belangen van degene die haar opzettelijk had misleid.” 2.24 Het hof is tot het oordeel gekomen dat Achmea haar recht om gevolgen te verbinden aan de opzettelijke misleiding door [eiser] niet heeft verwerkt: “2.13 De conclusie luidt dat Achmea haar recht om gevolgen te verbinden aan de opzettelijke misleiding door [eiser] niet heeft verwerkt.” 2.25 Het hof heeft in rov. 2.14. overwogen dat de grieven 6 en 7 op de grieven 1 tot en met 5 voortbouwen en geoordeeld dat zij het lot daarvan delen: zij falen eveneens. 2.26 Het hof heeft in rov. 2.15. het bewijsaanbod van [eiser] afgewezen, op de grond dat de te bewijzen aangeboden stellingen niet ter zake dienend zijn. 2.27 Het hof is tot de slotsom gekomen dat de grieven in principaal appel falen en dat grief 1 in incidenteel appel slaagt. Daarbij is het hof ingegaan op de omvang van de vordering van Achmea: “2.16. De slotsom is dat alle grieven in principaal appel falen en dat grief 1 in incidenteel appel slaagt. Dat betekent dat het vonnis, in conventie gewezen, zal worden bekrachtigd voor zover daarin de vorderingen van [eiser] zijn afgewezen. Het vonnis, in reconventie gewezen, zal worden vernietigd. De vordering van Achmea tot veroordeling van [eiser] tot betaling van al hetgeen zij onder de verzekering heeft uitgekeerd zal alsnog worden toegewezen. Het hof overweegt hierbij nog dat Achmea voldoende heeft toegelicht dat zij, als verzekeraar, vorderingsgerechtigd is (zie ook rov. 3.1 van het tussenarrest). Het hof volgt [eiser] niet in zijn (subsidiaire) betoog dat alleen de daadwerkelijk aan hem uitgekeerde bedragen kunnen worden teruggevorderd. De bedragen die aan de belangenbehartigers van [eiser] zijn betaald, moeten worden beschouwd als betalingen aan hem. Ten aanzien van de door Achmea zelf gemaakte kosten in het kader van de schadeafwikkeling geldt het volgende. Niet alleen heeft [eiser] voorafgaande aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst zijn mededelingsplicht geschonden, maar bovendien heeft hij nakoming van die overeenkomst door Achmea verlangd, waarbij hij zich ervan bewust had moeten zijn dat Achmea, als zij op de hoogte zou komen van de relevante informatie, zich op verzwijging zou beroepen en niet tot nakoming gehouden zou zijn. Hiermee heeft hij zich jegens Achmea niet gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen hem en Achmea beheersen, zodat hij jegens Achmea toerekenbaar is tekortgeschoten. Doordat [eiser] nakoming van de verzekeringsovereenkomst verlangde en aldus in strijd handelde met hetgeen van hem als verzekerde redelijkerwijs kon worden gevergd, heeft Achmea kosten gemaakt die zij anders niet had hoeven maken. Deze kosten, bestaande uit de kosten van de schaderegelaar, het medisch advies en de arbeidsdeskundigen, komen in de omstandigheden van het geval voor vergoeding door [eiser] in aanmerking. Het hof vult in zoverre de rechtsgrond ten aanzien van deze post aan. [eiser] heeft de daarmee gemoeide bedragen op zichzelf niet betwist. [eiser] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling aan Achmea van het gehele gevorderde bedrag van € 116.019,30. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 11 juli 2019 over een bedrag van € 105.116,57 en vanaf 14 maart 2023 over een bedrag van € 10.902,73.” 2.28 De conclusie van het hof is dat het hoger beroep van [eiser] niet slaagt, het vonnis waarvan beroep in conventie wat betreft de proceskosten wordt vernietigd en voor het overige wordt bekrachtigd, het vonnis in reconventie wordt vernietigd en [eiser] wordt veroordeeld om een bedrag van € 116.019,30 aan Achmea te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, en [eiser] eveneens wordt veroordeeld in de proceskosten. Cassatie 2.29 [eiser] heeft bij procesinleiding van 7 juli 2025 tijdig cassatieberoep ingesteld. Achmea heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft nog gerepliceerd, Achmea heeft afgezien van dupliek. 3 Inleidende beschouwingen 3.1 In cassatie gaat het in essentie om de vraag of en, zo ja, in hoeverre op Achmea bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst met [eiser] een onderzoeksplicht rustte, inhoudende dat Achmea alvorens zijn verzekeringsaanvraag te accepteren haar IVR had moeten raadplegen. Zo had zij kunnen nagaan of [eiser] zijn mededelingsplicht eventueel had geschonden. Ik zal, voordat ik toekom aan bespreking van de klachten in paragraaf 4, hierna ingaan op de mededelingsplicht van de verzekeringnemer bij het aangaan van de verzekeringnemer en in dat verband ook aandacht besteden aan de vraag of op de verzekeraar een onderzoeksplicht in de zojuist bedoelde zin rust. Verder besteed ik kort aandacht aan de kennisgevingsplicht van de verzekeraar ingeval hij ontdekt dat de verzekeringnemer niet aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan. En ten slotte wijd ik een enkel woord aan rechtsverwerking, omdat [eiser] daarop een beroep heeft gedaan en de vraag of dat beroep succesvol is ook in cassatie aan de orde is. De mededelingsplicht van (aspirant-)verzekeringnemer 3.2 Art. 7:928 lid 1 BW belast de (aspirant-)verzekeringnemer met een precontractuele mededelingsplicht. Hij is verplicht vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen ( kennisvereiste ) en waarvan hij weet of behoort te begrijpen ( kenbaarheidsvereiste ) dat de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, deze de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen ( relevantievereiste ). Deze mededelingsplicht ziet niet op feiten die de verzekeraar reeds kent of behoort te kennen ( verschoonbaarheidsvereiste ). In art.
Volledig
7:928 lid 4 BW heeft de wetgever echter in de tweede volzin een beperking op het verschoonbaarheidsvereiste opgenomen: de verzekeringnemer kan zich er niet op beroepen dat de verzekeraar bepaalde feiten reeds kent of behoort te kennen indien hij op een daarop gerichte vraag een onjuist of onvolledig antwoord heeft gegeven. 3.3 Tijdens de parlementaire behandeling is de noodzaak van deze beperking als volgt toegelicht: “In het vierde lid is bepaald dat de mededelingsplicht niet de feiten betreft die de verzekeraar reeds kent of behoort te kennen. In de toelichting wordt gezegd dat deze beperking voor zichzelf spreekt. Ik meen evenwel dat deze beperking niet zover mag gaan dat indien naar deze feiten een gerichte vraag wordt gesteld, een onjuist of onvolledig antwoord zonder gevolgen dient te blijven. Weliswaar zou de verzekeraar in dit geval de juistheid van het antwoord kunnen controleren, maar dit dient niet zover te gaan dat indien dat niet geschiedt, de verzekeraar de gevolgen van het onjuiste antwoord moet dragen. Het (onjuiste of onvolledige) antwoord zal er immers voor de verzekeraar vaak toe leiden dat hij zal nalaten zijn beschikbare gegevens te raadplegen. Het is dan aan de verzekeringnemer te wijten dat de verzekeraar in dwaling is gebracht. In verband hiermee is een tweede zin aan het vierde lid toegevoegd.” 3.4 Met het opnemen van deze beperking heeft de wetgever voor het verzekeringsrecht uitdrukking gegeven aan een uitgangspunt dat eigenlijk al teruggaat op het arrest […] / […] : degene die overweegt een overeenkomst aan te gaan is tegenover de wederpartij weliswaar gehouden om binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen om te voorkomen dat hij onder de invloed van onjuiste veronderstellingen zijn toestemming geeft, maar die gehoudenheid gaat niet zover dat hij niet zou mogen afgaan op door de wederpartij gedane mededelingen. In beginsel mag hij uitgaan van de juistheid van de aldus verkregen informatie. 3.5 In het verzekeringsrecht geldt dus, zo kan uit art. 7:928 lid 1 en 4 BW worden afgeleid, dezelfde lijn als in het contractenrecht in het algemeen. De verzekeraar dient verschoonbaar gehandeld te hebben in die zin dat het niet aan hem te wijten is dat hij onder invloed van een verkeerde voorstelling van zaken de verzekering is aangegaan. Op de verzekeraar rust dan ook een zekere zorg- c.q. onderzoeksplicht in zoverre dat hij binnen redelijke grenzen maatregelen neemt om te voorkomen dat hij onbekend met voor hem van belang zijnde feiten en omstandigheden de verzekering afsluit. Deze verplichting gaat evenwel niet zo ver dat de verzekeraar in beginsel niet mag vertrouwen op de juistheid van de door de verzekeringnemer gedane mededelingen. De verzekeringnemer kan dan ook niet aan de verzekeraar tegenwerpen dat deze het handelen onder invloed van dwaling zelf had kunnen voorkomen door te controleren of het antwoord van de aspirant-verzekeringnemer op een vraag naar bepaalde feiten juist of volledig genoeg was. Uiteraard kan wel actie van de verzekeraar worden verlangd als het gegeven antwoord in de gegeven omstandigheden juist vragen oproept. 3.6 In de literatuur is er tot op heden weinig aandacht geweest voor de betekenis die in het kader van art. 7:928 lid 4 BW aan de registers van verzekeraars moet worden toegekend. In 2012 heeft Van Velzen zich – in een rubriek waarin bij de gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Beursbengel bij wege van terugblik verzekeringsrechtelijke onderwerpen werden uitgelicht – in ieder geval duidelijk over dit onderwerp uitgelaten: “(…) Natuurlijk, in beginsel mag elke verzekeraar afgaan op de juistheid van de door de verzekeringnemer verstrekte gegevens. Die hoeft hij niet te controleren. Maar kijken of de verzekeringnemer op de zwarte lijst staat (verzekeraars noemen dat ding inmiddels anders), was ook toen een kleine moeite. Die controle doet de verzekeraar natuurlijk primair om zichzelf te beschermen tegen het accepteren van niet-gewenste risico’s. Maar er wordt ook mee voorkomen dat (domme) klanten denken verzekerd te zijn, terwijl dat niet het geval is. Dat laatste gebied, het tegen zichzelf beschermen van klanten met weinig ervaring en inzicht, is bij uitstek het terrein van de zorgplicht. Juist op dat gebied zijn de regels tot mijn genoegen nu veel scherper. GROOT VERSCHIL Voor de verzekeringnemer is het verschil groot. Als de verzekeraar de eenvoudige controle achterwege laat en daardoor de verzekering accepteert, denkt de verzekeringnemer goed verzekerd te zijn, terwijl hij dat niet is. Doet de verzekeraar die eenvoudige controle wel, dan wijst hij de aanvraag af en dan weet ook de verzekeringnemer dat hij geen dekking heeft. En daardoor heeft hij de mogelijkheid op zoek te gaan naar alternatieven. Door het achterwege laten van die eenvoudige controle brengt de verzekeraar de domme kandidaatverzekeringnemer dus onnodig in extra moeilijkheden. Daar mag wat mij betreft dan wel weer een sanctie op staan.” 3.7 Kort daarop is door Van Tiggele-van der Velde betoogd dat de hiervoor besproken beperking op het verschoonbaarheidsvereiste niet zou moeten gelden ingeval de verzekeraar door raadpleging van zijn eigen databanken/registers bekend had kunnen zijn met de voor hem van belang zijnde feiten en omstandigheden. Daarbij verwijst zij ook naar de bijdrage van Van Velzen. Voor Van Tiggele-van der Velde speelt een rol dat de registers (mede) zijn opgezet met het doel dat de verzekeraar door raadpleging ervan bekend had kunnen zijn met de voor hem van belang zijnde feiten en omstandigheden en dat het een relatief geringe moeite is om die toets standaard in het acceptatieproces op te nemen. Die toets is volgens haar dan ook bepaald ‘redelijkerwijs mogelijk voor de verzekeraar’. Voorts wijst zij erop dat de zojuist bedoelde toets het rechterlijk apparaat de onnodige belasting met procedures scheelt die in de acceptatiefase ‘gevangen’ hadden kunnen worden en dat de te verwachten kritiek uit de hoek van verzekeringnemers – dat de verzekeraar die in de acceptatiefase “ in weerwil van allerlei fraudebeperkende voornemens ” de registers niet raadpleegt dat bij een schadevoorval wel doet – ondervangt. Indien de verzekeraar verzuimt om bij de aanvraag van de verzekering de gegevens van de verzekeringnemer tegen zijn registers aan te houden, dient deze volgens Van Tiggele-van der Velde niet door de beperking van het verschoonbaarheidsvereiste te worden beschermd. 3.8 Behalve deze meer praktische argumenten voert Van Tiggele-van der Velde ook het argument aan dat, ondanks dat art. 7:928 lid 4 BW ruim is geformuleerd, de bepaling niet specifiek is geschreven voor de situatie waarin de verzekeraar in de acceptatiefase de registers had kunnen raadplegen. Volgens haar is de bepaling juist bedoeld om richting te geven in een situatie waarin feiten en/of omstandigheden aan de orde zijn die op grond van eerdere opgaven en/of reeds lopende verzekeringen al binnen een (grote) organisatie van een verzekering bekend zijn maar dergelijke gegevens niet (steeds) vrijelijk binnen een organisatie mogen circuleren of voor andere doeleinden mogen worden gebruikt. Wat haar betreft speelt het punt dat bepaalde gegevens niet vrijelijk binnen een organisatie mogen circuleren of voor andere doeleinden mogen worden gebruikt, hier nu juist niet: “ hier zijn de registers door en voor verzekeraars opgesteld en gevuld en zijn er waarborgen voor toetsing van die gegevens opgenomen. ” 3.9 Van Tiggele-van der Velde maakt evenwel de kanttekening dat haar betoog niet geldt ingeval de verzekeringnemer heeft gehandeld met opzet de verzekeraar te misleiden. Zij lijkt, eigenlijk net als Van Velzen, met haar betoog in het bijzonder oog te hebben voor de “ onoplettende, onbedachtzame verzekerde ”. 3.10 Van Tiggele-van der Velde staat niet alleen. Zij is bijgevallen door Engel in diens proefschrift uit 2016. Deze standpuntbepalingen hebben, voor zover ik heb kunnen nagaan, echter geen breder debat aangejaagd over de betekenis van registers van verzekeraars in het kader van art. 7:928 lid 4 BW.
Volledig
7:928 lid 4 BW heeft de wetgever echter in de tweede volzin een beperking op het verschoonbaarheidsvereiste opgenomen: de verzekeringnemer kan zich er niet op beroepen dat de verzekeraar bepaalde feiten reeds kent of behoort te kennen indien hij op een daarop gerichte vraag een onjuist of onvolledig antwoord heeft gegeven. 3.3 Tijdens de parlementaire behandeling is de noodzaak van deze beperking als volgt toegelicht: “In het vierde lid is bepaald dat de mededelingsplicht niet de feiten betreft die de verzekeraar reeds kent of behoort te kennen. In de toelichting wordt gezegd dat deze beperking voor zichzelf spreekt. Ik meen evenwel dat deze beperking niet zover mag gaan dat indien naar deze feiten een gerichte vraag wordt gesteld, een onjuist of onvolledig antwoord zonder gevolgen dient te blijven. Weliswaar zou de verzekeraar in dit geval de juistheid van het antwoord kunnen controleren, maar dit dient niet zover te gaan dat indien dat niet geschiedt, de verzekeraar de gevolgen van het onjuiste antwoord moet dragen. Het (onjuiste of onvolledige) antwoord zal er immers voor de verzekeraar vaak toe leiden dat hij zal nalaten zijn beschikbare gegevens te raadplegen. Het is dan aan de verzekeringnemer te wijten dat de verzekeraar in dwaling is gebracht. In verband hiermee is een tweede zin aan het vierde lid toegevoegd.” 3.4 Met het opnemen van deze beperking heeft de wetgever voor het verzekeringsrecht uitdrukking gegeven aan een uitgangspunt dat eigenlijk al teruggaat op het arrest […] / […] : degene die overweegt een overeenkomst aan te gaan is tegenover de wederpartij weliswaar gehouden om binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen om te voorkomen dat hij onder de invloed van onjuiste veronderstellingen zijn toestemming geeft, maar die gehoudenheid gaat niet zover dat hij niet zou mogen afgaan op door de wederpartij gedane mededelingen. In beginsel mag hij uitgaan van de juistheid van de aldus verkregen informatie. 3.5 In het verzekeringsrecht geldt dus, zo kan uit art. 7:928 lid 1 en 4 BW worden afgeleid, dezelfde lijn als in het contractenrecht in het algemeen. De verzekeraar dient verschoonbaar gehandeld te hebben in die zin dat het niet aan hem te wijten is dat hij onder invloed van een verkeerde voorstelling van zaken de verzekering is aangegaan. Op de verzekeraar rust dan ook een zekere zorg- c.q. onderzoeksplicht in zoverre dat hij binnen redelijke grenzen maatregelen neemt om te voorkomen dat hij onbekend met voor hem van belang zijnde feiten en omstandigheden de verzekering afsluit. Deze verplichting gaat evenwel niet zo ver dat de verzekeraar in beginsel niet mag vertrouwen op de juistheid van de door de verzekeringnemer gedane mededelingen. De verzekeringnemer kan dan ook niet aan de verzekeraar tegenwerpen dat deze het handelen onder invloed van dwaling zelf had kunnen voorkomen door te controleren of het antwoord van de aspirant-verzekeringnemer op een vraag naar bepaalde feiten juist of volledig genoeg was. Uiteraard kan wel actie van de verzekeraar worden verlangd als het gegeven antwoord in de gegeven omstandigheden juist vragen oproept. 3.6 In de literatuur is er tot op heden weinig aandacht geweest voor de betekenis die in het kader van art. 7:928 lid 4 BW aan de registers van verzekeraars moet worden toegekend. In 2012 heeft Van Velzen zich – in een rubriek waarin bij de gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Beursbengel bij wege van terugblik verzekeringsrechtelijke onderwerpen werden uitgelicht – in ieder geval duidelijk over dit onderwerp uitgelaten: “(…) Natuurlijk, in beginsel mag elke verzekeraar afgaan op de juistheid van de door de verzekeringnemer verstrekte gegevens. Die hoeft hij niet te controleren. Maar kijken of de verzekeringnemer op de zwarte lijst staat (verzekeraars noemen dat ding inmiddels anders), was ook toen een kleine moeite. Die controle doet de verzekeraar natuurlijk primair om zichzelf te beschermen tegen het accepteren van niet-gewenste risico’s. Maar er wordt ook mee voorkomen dat (domme) klanten denken verzekerd te zijn, terwijl dat niet het geval is. Dat laatste gebied, het tegen zichzelf beschermen van klanten met weinig ervaring en inzicht, is bij uitstek het terrein van de zorgplicht. Juist op dat gebied zijn de regels tot mijn genoegen nu veel scherper. GROOT VERSCHIL Voor de verzekeringnemer is het verschil groot. Als de verzekeraar de eenvoudige controle achterwege laat en daardoor de verzekering accepteert, denkt de verzekeringnemer goed verzekerd te zijn, terwijl hij dat niet is. Doet de verzekeraar die eenvoudige controle wel, dan wijst hij de aanvraag af en dan weet ook de verzekeringnemer dat hij geen dekking heeft. En daardoor heeft hij de mogelijkheid op zoek te gaan naar alternatieven. Door het achterwege laten van die eenvoudige controle brengt de verzekeraar de domme kandidaatverzekeringnemer dus onnodig in extra moeilijkheden. Daar mag wat mij betreft dan wel weer een sanctie op staan.” 3.7 Kort daarop is door Van Tiggele-van der Velde betoogd dat de hiervoor besproken beperking op het verschoonbaarheidsvereiste niet zou moeten gelden ingeval de verzekeraar door raadpleging van zijn eigen databanken/registers bekend had kunnen zijn met de voor hem van belang zijnde feiten en omstandigheden. Daarbij verwijst zij ook naar de bijdrage van Van Velzen. Voor Van Tiggele-van der Velde speelt een rol dat de registers (mede) zijn opgezet met het doel dat de verzekeraar door raadpleging ervan bekend had kunnen zijn met de voor hem van belang zijnde feiten en omstandigheden en dat het een relatief geringe moeite is om die toets standaard in het acceptatieproces op te nemen. Die toets is volgens haar dan ook bepaald ‘redelijkerwijs mogelijk voor de verzekeraar’. Voorts wijst zij erop dat de zojuist bedoelde toets het rechterlijk apparaat de onnodige belasting met procedures scheelt die in de acceptatiefase ‘gevangen’ hadden kunnen worden en dat de te verwachten kritiek uit de hoek van verzekeringnemers – dat de verzekeraar die in de acceptatiefase “ in weerwil van allerlei fraudebeperkende voornemens ” de registers niet raadpleegt dat bij een schadevoorval wel doet – ondervangt. Indien de verzekeraar verzuimt om bij de aanvraag van de verzekering de gegevens van de verzekeringnemer tegen zijn registers aan te houden, dient deze volgens Van Tiggele-van der Velde niet door de beperking van het verschoonbaarheidsvereiste te worden beschermd. 3.8 Behalve deze meer praktische argumenten voert Van Tiggele-van der Velde ook het argument aan dat, ondanks dat art. 7:928 lid 4 BW ruim is geformuleerd, de bepaling niet specifiek is geschreven voor de situatie waarin de verzekeraar in de acceptatiefase de registers had kunnen raadplegen. Volgens haar is de bepaling juist bedoeld om richting te geven in een situatie waarin feiten en/of omstandigheden aan de orde zijn die op grond van eerdere opgaven en/of reeds lopende verzekeringen al binnen een (grote) organisatie van een verzekering bekend zijn maar dergelijke gegevens niet (steeds) vrijelijk binnen een organisatie mogen circuleren of voor andere doeleinden mogen worden gebruikt. Wat haar betreft speelt het punt dat bepaalde gegevens niet vrijelijk binnen een organisatie mogen circuleren of voor andere doeleinden mogen worden gebruikt, hier nu juist niet: “ hier zijn de registers door en voor verzekeraars opgesteld en gevuld en zijn er waarborgen voor toetsing van die gegevens opgenomen. ” 3.9 Van Tiggele-van der Velde maakt evenwel de kanttekening dat haar betoog niet geldt ingeval de verzekeringnemer heeft gehandeld met opzet de verzekeraar te misleiden. Zij lijkt, eigenlijk net als Van Velzen, met haar betoog in het bijzonder oog te hebben voor de “ onoplettende, onbedachtzame verzekerde ”. 3.10 Van Tiggele-van der Velde staat niet alleen. Zij is bijgevallen door Engel in diens proefschrift uit 2016. Deze standpuntbepalingen hebben, voor zover ik heb kunnen nagaan, echter geen breder debat aangejaagd over de betekenis van registers van verzekeraars in het kader van art. 7:928 lid 4 BW.
Volledig
3.11 Hoewel met de genoemde door Van Tiggele-van der Velde geplaatste kanttekening de angel er voor de onderhavige zaak tot op zekere hoogte uit is (hier is immers opzet tot misleiding aangenomen), zou ik toch willen opmerken dat de benadering van de zojuist besproken auteurs mij juist in de gevallen waarin het niet om opzet tot misleiding gaat, minder aanspreekt. 3.12 In de eerste plaats vraag ik me af of het wel klopt wat Van Tiggele-van der Velde suggereert over de bedoeling van art. 7:928 lid 4 BW. Volgens haar is art. 7:928 lid 4 BW niet specifiek geschreven voor de situatie waarin de verzekeraar in de acceptatiefase zijn registers had kunnen raadplegen, maar is deze bepaling juist bedoeld om richting te geven in een situatie waarin feiten en/of omstandigheden aan de orde zijn die op grond van eerdere opgaven en/of reeds lopende verzekeringen al binnen een (grote) organisatie van een verzekering bekend zijn maar dergelijke gegevens niet (steeds) vrijelijk binnen een organisatie mogen circuleren of voor andere doeleinden mogen worden gebruikt. Van Tiggele-van der Velde lijkt, ter onderbouwing van dat punt, te verwijzen naar hetgeen de voor de invoering van Titel 7.17 BW verantwoordelijke minister van Justitie heeft gezegd over de vraag of wettelijk ingrijpen noodzakelijk is voor de situatie dat bepaalde feiten weliswaar reeds bij de verzekeraar bekend zijn maar niet binnen de organisatie mogen circuleren of voor andere doelen mogen worden gebruikt (cursiveringen van mij): “Overigens zij nog opgemerkt dat ik mij nog heb afgevraagd of een wettelijk ingrijpen noodzakelijk is voor de situatie dat bepaalde feiten bij de verzekeraar reeds bekend zijn, maar ingevolge regelgeving met betrekking tot de omgang met persoonsgegevens het circuleren van gegevens binnen een organisatie niet toegestaan is, of deze slechts voor een bepaald doel mogen worden gebruikt. In het algemeen kan worden aangenomen dat wat bij een afdeling van een organisatie bekend is geacht moet worden binnen de gehele organisatie bekend te zijn. Vergelijk in een andere context HR 9 januari 1998, NJ 1998, 586. Omdat echter bepaalde gegevens niet vrijelijk binnen de organisatie mogen circuleren of voor andere doelen mogen worden gebruikt, is dit feitelijk niet altijd het geval. Dit geldt zeker indien bepaalde gegevens na een maximale wettelijke bewaartermijn zijn vernietigd. Desondanks kan dit een verzekeringnemer, die doorgaans niet op de hoogte is van deze beperkingen in het raadplegen van gegevensbestanden, niet worden tegengeworpen, omdat hij er vanuit mag gaan dat deze gegevens bij de verzekeraar bekend zijn zodat op hem ter zake geen mededelingsplicht rust. Dit betekent dat de verzekeraar er verstandig aan doet om uitdrukkelijk toch naar die feiten te vragen die voor hem voor het sluiten van de verzekering van belang zijn en waarvan hij weet dat deze gegevens niet vrijelijk binnen de organisatie mogen circuleren of voor andere doelen mogen worden gebruikt, om aldus te voorkomen dat hem achteraf tegengeworpen wordt dat deze feiten reeds bij hem bekend waren. Dit lijkt ook geen bezwaar, omdat nog zelden verzekeringen worden gesloten zonder vragenlijst. De nieuw voorgestelde tweede zin van het vierde lid brengt dan mee dat de verzekeringnemer de op deze feiten betrekking hebbende vragen naar juistheid moet beantwoorden. Aldus bezien is een verder wettelijk ingrijpen niet noodzakelijk. ” 3.13 Wat hier staat is dat de toenmalige minister het, gelet op de (op dat moment nog “ nieuw voorgestelde ”) algemene regeling van de tweede volzin van art. 7:928 lid 4 BW en de praktijk dat nog zelden verzekeringen worden gesloten zonder vragenlijst, niet noodzakelijk heeft geacht om aanvullend nog iets te regelen voor de situatie dat bepaalde feiten weliswaar bij de verzekeraar bekend zijn maar niet binnen de organisatie mogen circuleren of voor andere doelen mogen worden gebruikt. Het risico dat de verzekeraar in die specifieke situatie loopt, vergt geen extra wettelijke voorziening, maar wordt al afgedekt door de algemene regeling van de tweede volzin van art. 7:928 lid 4 BW, zo lijkt te zijn gedacht. Daarmee is echter niet gezegd dat deze tweede volzin enkel dat risico afdekt. Een dergelijke beperking van de betekenis van de tweede volzin van art. 7:928 lid 4 BW valt ook niet te lezen in de aan de zojuist geciteerde passage voorafgaande toelichting. Daaruit blijkt juist dat de tweede volzin van art. 7:928 lid 4 BW voor meer geschikt en geschreven is. Ik geef deze toelichting die hiervoor in randnummer 3.3 al geciteerd is, hier voor het gemak nogmaals weer: “In het vierde lid is bepaald dat de mededelingsplicht niet de feiten betreft die de verzekeraar reeds kent of behoort te kennen. In de toelichting wordt gezegd dat deze beperking voor zichzelf spreekt. Ik meen evenwel dat deze beperking niet zover mag gaan dat indien naar deze feiten een gerichte vraag wordt gesteld, een onjuist of onvolledig antwoord zonder gevolgen dient te blijven. Weliswaar zou de verzekeraar in dit geval de juistheid van het antwoord kunnen controleren, maar dit dient niet zover te gaan dat indien dat niet geschiedt, de verzekeraar de gevolgen van het onjuiste antwoord moet dragen. Het (onjuiste of onvolledige) antwoord zal er immers voor de verzekeraar vaak toe leiden dat hij zal nalaten zijn beschikbare gegevens te raadplegen. Het is dan aan de verzekeringnemer te wijten dat de verzekeraar in dwaling is gebracht. In verband hiermee is een tweede zin aan het vierde lid toegevoegd.” Hoewel Van Tiggele-van der Velde kan worden toegegeven dat hier niet met zoveel woorden op het geval wordt ingegaan waarin de verzekeraar in de acceptatiefase zijn registers had kunnen raadplegen, sluit de hier weergegeven toelichting wel degelijk ook bij dit geval aan. In een dergelijk geval zou de verzekeraar door raadplegen van de registers de juistheid van het antwoord op een gerichte vraag kunnen controleren, maar zal de verzekeraar dat juist door het antwoord vaak niet doen. Hij is daardoor immers niet gealarmeerd, maar eerder gerustgesteld of, zo men wil, in slaap gesust. Dat hij daardoor zou worden gedupeerd wordt met de tweede volzin van art. 7:928 lid 4 BW voorkomen. 3.14 In de tweede plaats vraag ik mij af of de registers er zijn, zoals Van Tiggele-van der Velde en Engel beiden suggereren, om standaard geraadpleegd te worden. Het lijkt mij beter ervan uit te gaan dat de registers er zijn om in geval van ‘onraad’ te kunnen worden geraadpleegd, juist dus wanneer de verzekeraar twijfels heeft of een slecht (voor)gevoel (‘dit lijkt niet pluis’). Bovendien is het wat mij betreft de vraag of de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: ‘AVG’) wel toestaat dat een verzekeraar standaard , dus ook in het geval dat de verzekeraar geen ‘onraad’ ruikt, zijn registers raadpleegt, nu er in de regel voor de verwerking van persoonsgegevens, wat het raadplegen van een op persoonsniveau doorzoekbaar register toch is, een ‘noodzaak’ moet zijn. Meer voor de hand ligt dan, gelet op de restrictieve uitleg die het Hof van Justitie van de Europese Unie aan dat noodzakelijkheidscriterium heeft gegeven, dat de verzekeraar zijn registers op grond van de AVG pas mag raadplegen als de aspirant-verzekeringnemer op een vraag een alarmerend antwoord heeft gegeven of een vraag niet heeft beantwoord. 3.15 Daar komt voor mij een principiële reden bij. Dat de registers er zijn en mogelijk inderdaad gemakkelijk, althans zonder al teveel moeite, kunnen worden geraadpleegd, mag zo zijn, maar standaard raadplegen (ook al geschiedt dat onder de noemer van ‘controle’) van systemen waarin uiteindelijk alleen ‘lastige gevallen’ of ‘personen met een smetje’ worden opgenomen, gaat eigenlijk uit van wantrouwen (dat klinkt misschien zwaar maar daarvan gaat de idee dat standaardcontrole toch beter is dan de ander op zijn woord geloven uiteindelijk wel uit), terwijl het hiervoor besproken contractenrechtelijke uitgangspunt nu juist benadrukt dat standaard wantrouwen niet op zijn plaats is. We gaan er en we mogen er in het contractenrecht in principe ook vanuit gaan dat door de ander verschafte informatie en door hem gedane mededelingen juist zijn.
Volledig
3.11 Hoewel met de genoemde door Van Tiggele-van der Velde geplaatste kanttekening de angel er voor de onderhavige zaak tot op zekere hoogte uit is (hier is immers opzet tot misleiding aangenomen), zou ik toch willen opmerken dat de benadering van de zojuist besproken auteurs mij juist in de gevallen waarin het niet om opzet tot misleiding gaat, minder aanspreekt. 3.12 In de eerste plaats vraag ik me af of het wel klopt wat Van Tiggele-van der Velde suggereert over de bedoeling van art. 7:928 lid 4 BW. Volgens haar is art. 7:928 lid 4 BW niet specifiek geschreven voor de situatie waarin de verzekeraar in de acceptatiefase zijn registers had kunnen raadplegen, maar is deze bepaling juist bedoeld om richting te geven in een situatie waarin feiten en/of omstandigheden aan de orde zijn die op grond van eerdere opgaven en/of reeds lopende verzekeringen al binnen een (grote) organisatie van een verzekering bekend zijn maar dergelijke gegevens niet (steeds) vrijelijk binnen een organisatie mogen circuleren of voor andere doeleinden mogen worden gebruikt. Van Tiggele-van der Velde lijkt, ter onderbouwing van dat punt, te verwijzen naar hetgeen de voor de invoering van Titel 7.17 BW verantwoordelijke minister van Justitie heeft gezegd over de vraag of wettelijk ingrijpen noodzakelijk is voor de situatie dat bepaalde feiten weliswaar reeds bij de verzekeraar bekend zijn maar niet binnen de organisatie mogen circuleren of voor andere doelen mogen worden gebruikt (cursiveringen van mij): “Overigens zij nog opgemerkt dat ik mij nog heb afgevraagd of een wettelijk ingrijpen noodzakelijk is voor de situatie dat bepaalde feiten bij de verzekeraar reeds bekend zijn, maar ingevolge regelgeving met betrekking tot de omgang met persoonsgegevens het circuleren van gegevens binnen een organisatie niet toegestaan is, of deze slechts voor een bepaald doel mogen worden gebruikt. In het algemeen kan worden aangenomen dat wat bij een afdeling van een organisatie bekend is geacht moet worden binnen de gehele organisatie bekend te zijn. Vergelijk in een andere context HR 9 januari 1998, NJ 1998, 586. Omdat echter bepaalde gegevens niet vrijelijk binnen de organisatie mogen circuleren of voor andere doelen mogen worden gebruikt, is dit feitelijk niet altijd het geval. Dit geldt zeker indien bepaalde gegevens na een maximale wettelijke bewaartermijn zijn vernietigd. Desondanks kan dit een verzekeringnemer, die doorgaans niet op de hoogte is van deze beperkingen in het raadplegen van gegevensbestanden, niet worden tegengeworpen, omdat hij er vanuit mag gaan dat deze gegevens bij de verzekeraar bekend zijn zodat op hem ter zake geen mededelingsplicht rust. Dit betekent dat de verzekeraar er verstandig aan doet om uitdrukkelijk toch naar die feiten te vragen die voor hem voor het sluiten van de verzekering van belang zijn en waarvan hij weet dat deze gegevens niet vrijelijk binnen de organisatie mogen circuleren of voor andere doelen mogen worden gebruikt, om aldus te voorkomen dat hem achteraf tegengeworpen wordt dat deze feiten reeds bij hem bekend waren. Dit lijkt ook geen bezwaar, omdat nog zelden verzekeringen worden gesloten zonder vragenlijst. De nieuw voorgestelde tweede zin van het vierde lid brengt dan mee dat de verzekeringnemer de op deze feiten betrekking hebbende vragen naar juistheid moet beantwoorden. Aldus bezien is een verder wettelijk ingrijpen niet noodzakelijk. ” 3.13 Wat hier staat is dat de toenmalige minister het, gelet op de (op dat moment nog “ nieuw voorgestelde ”) algemene regeling van de tweede volzin van art. 7:928 lid 4 BW en de praktijk dat nog zelden verzekeringen worden gesloten zonder vragenlijst, niet noodzakelijk heeft geacht om aanvullend nog iets te regelen voor de situatie dat bepaalde feiten weliswaar bij de verzekeraar bekend zijn maar niet binnen de organisatie mogen circuleren of voor andere doelen mogen worden gebruikt. Het risico dat de verzekeraar in die specifieke situatie loopt, vergt geen extra wettelijke voorziening, maar wordt al afgedekt door de algemene regeling van de tweede volzin van art. 7:928 lid 4 BW, zo lijkt te zijn gedacht. Daarmee is echter niet gezegd dat deze tweede volzin enkel dat risico afdekt. Een dergelijke beperking van de betekenis van de tweede volzin van art. 7:928 lid 4 BW valt ook niet te lezen in de aan de zojuist geciteerde passage voorafgaande toelichting. Daaruit blijkt juist dat de tweede volzin van art. 7:928 lid 4 BW voor meer geschikt en geschreven is. Ik geef deze toelichting die hiervoor in randnummer 3.3 al geciteerd is, hier voor het gemak nogmaals weer: “In het vierde lid is bepaald dat de mededelingsplicht niet de feiten betreft die de verzekeraar reeds kent of behoort te kennen. In de toelichting wordt gezegd dat deze beperking voor zichzelf spreekt. Ik meen evenwel dat deze beperking niet zover mag gaan dat indien naar deze feiten een gerichte vraag wordt gesteld, een onjuist of onvolledig antwoord zonder gevolgen dient te blijven. Weliswaar zou de verzekeraar in dit geval de juistheid van het antwoord kunnen controleren, maar dit dient niet zover te gaan dat indien dat niet geschiedt, de verzekeraar de gevolgen van het onjuiste antwoord moet dragen. Het (onjuiste of onvolledige) antwoord zal er immers voor de verzekeraar vaak toe leiden dat hij zal nalaten zijn beschikbare gegevens te raadplegen. Het is dan aan de verzekeringnemer te wijten dat de verzekeraar in dwaling is gebracht. In verband hiermee is een tweede zin aan het vierde lid toegevoegd.” Hoewel Van Tiggele-van der Velde kan worden toegegeven dat hier niet met zoveel woorden op het geval wordt ingegaan waarin de verzekeraar in de acceptatiefase zijn registers had kunnen raadplegen, sluit de hier weergegeven toelichting wel degelijk ook bij dit geval aan. In een dergelijk geval zou de verzekeraar door raadplegen van de registers de juistheid van het antwoord op een gerichte vraag kunnen controleren, maar zal de verzekeraar dat juist door het antwoord vaak niet doen. Hij is daardoor immers niet gealarmeerd, maar eerder gerustgesteld of, zo men wil, in slaap gesust. Dat hij daardoor zou worden gedupeerd wordt met de tweede volzin van art. 7:928 lid 4 BW voorkomen. 3.14 In de tweede plaats vraag ik mij af of de registers er zijn, zoals Van Tiggele-van der Velde en Engel beiden suggereren, om standaard geraadpleegd te worden. Het lijkt mij beter ervan uit te gaan dat de registers er zijn om in geval van ‘onraad’ te kunnen worden geraadpleegd, juist dus wanneer de verzekeraar twijfels heeft of een slecht (voor)gevoel (‘dit lijkt niet pluis’). Bovendien is het wat mij betreft de vraag of de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: ‘AVG’) wel toestaat dat een verzekeraar standaard , dus ook in het geval dat de verzekeraar geen ‘onraad’ ruikt, zijn registers raadpleegt, nu er in de regel voor de verwerking van persoonsgegevens, wat het raadplegen van een op persoonsniveau doorzoekbaar register toch is, een ‘noodzaak’ moet zijn. Meer voor de hand ligt dan, gelet op de restrictieve uitleg die het Hof van Justitie van de Europese Unie aan dat noodzakelijkheidscriterium heeft gegeven, dat de verzekeraar zijn registers op grond van de AVG pas mag raadplegen als de aspirant-verzekeringnemer op een vraag een alarmerend antwoord heeft gegeven of een vraag niet heeft beantwoord. 3.15 Daar komt voor mij een principiële reden bij. Dat de registers er zijn en mogelijk inderdaad gemakkelijk, althans zonder al teveel moeite, kunnen worden geraadpleegd, mag zo zijn, maar standaard raadplegen (ook al geschiedt dat onder de noemer van ‘controle’) van systemen waarin uiteindelijk alleen ‘lastige gevallen’ of ‘personen met een smetje’ worden opgenomen, gaat eigenlijk uit van wantrouwen (dat klinkt misschien zwaar maar daarvan gaat de idee dat standaardcontrole toch beter is dan de ander op zijn woord geloven uiteindelijk wel uit), terwijl het hiervoor besproken contractenrechtelijke uitgangspunt nu juist benadrukt dat standaard wantrouwen niet op zijn plaats is. We gaan er en we mogen er in het contractenrecht in principe ook vanuit gaan dat door de ander verschafte informatie en door hem gedane mededelingen juist zijn.
Volledig
Dat lijkt mij niet alleen principieel juist, maar ook het meest vruchtbaar. Ik zou dat uitgangspunt niet graag prijsgeven, ook niet in deze specifieke context. Dat standaardcontrole weinig moeite kost en daarom mogelijk ook niet kostbaar is, brengt mij niet op andere gedachten. Wat technisch kan, moet niet altijd meteen ook. Een op wantrouwen gerichte praktijk heeft wel degelijk een prijs. 3.16 Als de verzekeringnemer niet aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan, kan dat gevolgen hebben voor het recht op uitkering en voor het (voort)bestaan van de verzekeringsovereenkomst. De mogelijke gevolgen van schending van de mededelingsplicht zijn in art. 7:929 lid 2 BW en art. 7:930 BW geregeld. Als de verzekeringnemer heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden of wanneer de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten, kan de verzekeraar de overeenkomst binnen twee maanden na ontdekking met dadelijke ingang opzeggen (art. 7:929 lid 2 BW) en is hij geen uitkering verschuldigd (art. 7:930 leden 4 en 5 BW). Als aan deze voorwaarden niet is voldaan, maar vermelding van het niet-medegedeelde feit zou hebben geleid tot een hogere premie, een lager verzekerd bedrag of andere voorwaarden, mag de verzekeraar de verzekeringsovereenkomst niet opzeggen, maar wel de uitkering onder de verzekering naar evenredigheid verminderen en/of uitkeren op basis van deze andere voorwaarden (art. 7:930 lid 1 en 3 BW). De uitkering geschiedt echter onverkort als de niet of onjuist meegedeelde feiten van geen belang zijn voor de beoordeling van het risico zoals dit zich heeft verwezenlijkt (art. 7:930 lid 1 en 2 BW). De kennisgevingsplicht van de verzekeraar bij ontdekking 3.17 Ingevolge art. 7:929 lid 1 BW kan de verzekeraar die ontdekt dat de verzekeringnemer niet aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan, de gevolgen daarvan slechts inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen (art. 7:929 lid 1 BW). De in art. 7:929 lid 1 BW genoemde vervaltermijn van twee maanden gaat volgens Uw Raad pas lopen als de verzekeraar voldoende zekerheid heeft verkregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer de verzekeraar de bedoelde zekerheid heeft verkregen, en of en in welke mate van de verzekeraar mag worden verwacht dat hij onderzoek doet nadat hij aanwijzingen heeft gekregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen. Rechtsverwerking 3.18 Omdat [eiser] ook een klacht heeft gericht tegen de overwegingen van het hof die zien op rechtsverwerking, zal ik hierna ook nog wat opmerkingen maken over rechtsverwerking. 3.19 De wet bevat geen definitie van rechtsverwerking. Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad is sprake van rechtsverwerking als de rechthebbende van een bepaald recht zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Daaruit volgt dat de grondslag van rechtsverwerking is te vinden in de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. 3.20 Een beroep op rechtsverwerking is een (bevrijdend) verweer dat door de wederpartij kan worden ingeroepen. De stelplicht en bewijslast voor de feiten en omstandigheden die tot rechtsverwerking moeten leiden, rusten dan ook op de wederpartij. Zij kan slechts een succesvol beroep op rechtsverwerking doen als het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de rechthebbende zijn recht geldend zou maken. Dit is een strenge maatstaf die terughoudendheid meebrengt. Bij de vraag of sprake is van rechtsverwerking staat het gedrag van de rechthebbende centraal. Dit kan zowel een doen als een nalaten zijn. Dit neemt niet weg dat ook het gedrag van de schuldenaar relevant kan zijn bij het rechtsverwerkingsoordeel, in die zin dat een handeling van de schuldenaar van betekenis is voor de waardering die, in het kader van het rechtsverwerkingsoordeel, aan het daarop volgende gedrag van de rechthebbende moet worden gehecht. De vraag of een rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van dat recht, moet aldus worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. 3.21 Vaste rechtspraak leert dat twee gevalstypen kunnen leiden tot rechtsverwerking. In het eerste geval hebben bijzondere omstandigheden in combinatie met het gedrag van de rechthebbende bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak op zijn recht niet meer geldend zou maken. In het tweede geval hebben bijzondere omstandigheden in combinatie met een (of meer) gedragingen van de rechthebbende ertoe geleid dat de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend gemaakt wordt. Het tweede geval kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de wederpartij door de gedraging van de rechthebbende onredelijk is benadeeld in haar bewijspositie of als de wederpartij onvoldoende of niet heeft kunnen anticiperen op de financiële gevolgen van het (alsnog) geldend maken van het betrokken recht. Dat laatste voorbeeld betreft een andere situatie dan die in deze zaak aan de orde is. In dat voorbeeld gaat het om de situatie dat de wederpartij door de rechthebbende op het verkeerde been is gezet en daardoor bijvoorbeeld niet binnen de voorgeschreven termijn aanspraak op haar verzekering heeft gemaakt, als gevolg waarvan zij geen verzekeringsdekking (meer) heeft. In deze zaak gaat het daarentegen om de situatie dat een wederpartij alsnog moet missen (in dit geval (voortzetting van) uitkeringen) waarop zij helemaal geen recht had. 3.22 Ook een nalaten kan aanleiding geven voor rechtsverwerking, maar de enkele omstandigheid dat er tijd is verlopen en de rechthebbende gedurende die tijd heeft ‘stilgezeten’ en geen actie heeft ondernomen om zijn recht geldend te maken, kan op zichzelf niet leiden tot rechtsverwerking. ‘Stilzitten’ kan wel een relevante omstandigheid zijn, maar louter stilzitten is niet toereikend voor rechtsverwerking, daarvoor zijn aanvullende bijzondere omstandigheden vereist. Stilzitten kan tot rechtsverwerking leiden wanneer op grond van de omstandigheden van het geval redelijkerwijs een bepaald handelen van de rechthebbende had mogen worden verwacht, zoals het arrest van Uw Raad van 24 september 1999 illustreert: een werknemer vorderde uitbetaling van overuren, waartegen de werkgever zich onder meer verweerde met een beroep op rechtsverwerking. Geoordeeld werd dat de rechtbank niet had miskend dat ‘enkel stilzitten’ onvoldoende was om rechtsverwerking aan te nemen omdat zij naast het niet protesteren door de werknemer (van het niet uitbetaald krijgen van overuren) mede redengevend had geacht dat de werknemer steeds genoegen had genomen met uitbetaling van loon zonder overuren en niettemin zeer veel overuren bleef maken. 3.23 De rechter die een beroep op rechtsverwerking honoreert, moet precies en concreet aangeven welke bijzondere omstandigheden aanleiding hebben gegeven tot het gerechtvaardigd vertrouwen of de onredelijke benadeling aan de zijde van de wederpartij. De aan de motivering van het aannemen van rechtsverwerking te stellen eisen zijn dus hoog. Indien de rechter tot het oordeel is gekomen dat de rechthebbende zijn recht heeft verwerkt, leidt dit niet tot een tenietgaan van het recht maar is het rechtsgevolg dat de rechthebbende geen beroep meer op het recht kan doen; anders gezegd: de rechthebbende kan zijn aanspraak niet meer geldend maken. 3.24 Of sprake is van rechtsverwerking is een rechtsvraag die in cassatie kan worden getoetst, maar een beslissing over rechtsverwerking is meestal sterk verweven met waardering van feiten en omstandigheden van het geval, waardoor de toetsing in cassatie wordt beperkt.
Volledig
Dat lijkt mij niet alleen principieel juist, maar ook het meest vruchtbaar. Ik zou dat uitgangspunt niet graag prijsgeven, ook niet in deze specifieke context. Dat standaardcontrole weinig moeite kost en daarom mogelijk ook niet kostbaar is, brengt mij niet op andere gedachten. Wat technisch kan, moet niet altijd meteen ook. Een op wantrouwen gerichte praktijk heeft wel degelijk een prijs. 3.16 Als de verzekeringnemer niet aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan, kan dat gevolgen hebben voor het recht op uitkering en voor het (voort)bestaan van de verzekeringsovereenkomst. De mogelijke gevolgen van schending van de mededelingsplicht zijn in art. 7:929 lid 2 BW en art. 7:930 BW geregeld. Als de verzekeringnemer heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden of wanneer de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten, kan de verzekeraar de overeenkomst binnen twee maanden na ontdekking met dadelijke ingang opzeggen (art. 7:929 lid 2 BW) en is hij geen uitkering verschuldigd (art. 7:930 leden 4 en 5 BW). Als aan deze voorwaarden niet is voldaan, maar vermelding van het niet-medegedeelde feit zou hebben geleid tot een hogere premie, een lager verzekerd bedrag of andere voorwaarden, mag de verzekeraar de verzekeringsovereenkomst niet opzeggen, maar wel de uitkering onder de verzekering naar evenredigheid verminderen en/of uitkeren op basis van deze andere voorwaarden (art. 7:930 lid 1 en 3 BW). De uitkering geschiedt echter onverkort als de niet of onjuist meegedeelde feiten van geen belang zijn voor de beoordeling van het risico zoals dit zich heeft verwezenlijkt (art. 7:930 lid 1 en 2 BW). De kennisgevingsplicht van de verzekeraar bij ontdekking 3.17 Ingevolge art. 7:929 lid 1 BW kan de verzekeraar die ontdekt dat de verzekeringnemer niet aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan, de gevolgen daarvan slechts inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen (art. 7:929 lid 1 BW). De in art. 7:929 lid 1 BW genoemde vervaltermijn van twee maanden gaat volgens Uw Raad pas lopen als de verzekeraar voldoende zekerheid heeft verkregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer de verzekeraar de bedoelde zekerheid heeft verkregen, en of en in welke mate van de verzekeraar mag worden verwacht dat hij onderzoek doet nadat hij aanwijzingen heeft gekregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen. Rechtsverwerking 3.18 Omdat [eiser] ook een klacht heeft gericht tegen de overwegingen van het hof die zien op rechtsverwerking, zal ik hierna ook nog wat opmerkingen maken over rechtsverwerking. 3.19 De wet bevat geen definitie van rechtsverwerking. Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad is sprake van rechtsverwerking als de rechthebbende van een bepaald recht zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Daaruit volgt dat de grondslag van rechtsverwerking is te vinden in de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. 3.20 Een beroep op rechtsverwerking is een (bevrijdend) verweer dat door de wederpartij kan worden ingeroepen. De stelplicht en bewijslast voor de feiten en omstandigheden die tot rechtsverwerking moeten leiden, rusten dan ook op de wederpartij. Zij kan slechts een succesvol beroep op rechtsverwerking doen als het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de rechthebbende zijn recht geldend zou maken. Dit is een strenge maatstaf die terughoudendheid meebrengt. Bij de vraag of sprake is van rechtsverwerking staat het gedrag van de rechthebbende centraal. Dit kan zowel een doen als een nalaten zijn. Dit neemt niet weg dat ook het gedrag van de schuldenaar relevant kan zijn bij het rechtsverwerkingsoordeel, in die zin dat een handeling van de schuldenaar van betekenis is voor de waardering die, in het kader van het rechtsverwerkingsoordeel, aan het daarop volgende gedrag van de rechthebbende moet worden gehecht. De vraag of een rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van dat recht, moet aldus worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. 3.21 Vaste rechtspraak leert dat twee gevalstypen kunnen leiden tot rechtsverwerking. In het eerste geval hebben bijzondere omstandigheden in combinatie met het gedrag van de rechthebbende bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak op zijn recht niet meer geldend zou maken. In het tweede geval hebben bijzondere omstandigheden in combinatie met een (of meer) gedragingen van de rechthebbende ertoe geleid dat de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend gemaakt wordt. Het tweede geval kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de wederpartij door de gedraging van de rechthebbende onredelijk is benadeeld in haar bewijspositie of als de wederpartij onvoldoende of niet heeft kunnen anticiperen op de financiële gevolgen van het (alsnog) geldend maken van het betrokken recht. Dat laatste voorbeeld betreft een andere situatie dan die in deze zaak aan de orde is. In dat voorbeeld gaat het om de situatie dat de wederpartij door de rechthebbende op het verkeerde been is gezet en daardoor bijvoorbeeld niet binnen de voorgeschreven termijn aanspraak op haar verzekering heeft gemaakt, als gevolg waarvan zij geen verzekeringsdekking (meer) heeft. In deze zaak gaat het daarentegen om de situatie dat een wederpartij alsnog moet missen (in dit geval (voortzetting van) uitkeringen) waarop zij helemaal geen recht had. 3.22 Ook een nalaten kan aanleiding geven voor rechtsverwerking, maar de enkele omstandigheid dat er tijd is verlopen en de rechthebbende gedurende die tijd heeft ‘stilgezeten’ en geen actie heeft ondernomen om zijn recht geldend te maken, kan op zichzelf niet leiden tot rechtsverwerking. ‘Stilzitten’ kan wel een relevante omstandigheid zijn, maar louter stilzitten is niet toereikend voor rechtsverwerking, daarvoor zijn aanvullende bijzondere omstandigheden vereist. Stilzitten kan tot rechtsverwerking leiden wanneer op grond van de omstandigheden van het geval redelijkerwijs een bepaald handelen van de rechthebbende had mogen worden verwacht, zoals het arrest van Uw Raad van 24 september 1999 illustreert: een werknemer vorderde uitbetaling van overuren, waartegen de werkgever zich onder meer verweerde met een beroep op rechtsverwerking. Geoordeeld werd dat de rechtbank niet had miskend dat ‘enkel stilzitten’ onvoldoende was om rechtsverwerking aan te nemen omdat zij naast het niet protesteren door de werknemer (van het niet uitbetaald krijgen van overuren) mede redengevend had geacht dat de werknemer steeds genoegen had genomen met uitbetaling van loon zonder overuren en niettemin zeer veel overuren bleef maken. 3.23 De rechter die een beroep op rechtsverwerking honoreert, moet precies en concreet aangeven welke bijzondere omstandigheden aanleiding hebben gegeven tot het gerechtvaardigd vertrouwen of de onredelijke benadeling aan de zijde van de wederpartij. De aan de motivering van het aannemen van rechtsverwerking te stellen eisen zijn dus hoog. Indien de rechter tot het oordeel is gekomen dat de rechthebbende zijn recht heeft verwerkt, leidt dit niet tot een tenietgaan van het recht maar is het rechtsgevolg dat de rechthebbende geen beroep meer op het recht kan doen; anders gezegd: de rechthebbende kan zijn aanspraak niet meer geldend maken. 3.24 Of sprake is van rechtsverwerking is een rechtsvraag die in cassatie kan worden getoetst, maar een beslissing over rechtsverwerking is meestal sterk verweven met waardering van feiten en omstandigheden van het geval, waardoor de toetsing in cassatie wordt beperkt.
Volledig
Uiteraard is het mogelijk om met motiveringsklachten op te komen tegen de beslissing van de lagere rechter waarin een beroep op rechtsverwerking is gehonoreerd indien onvoldoende begrijpelijk is op grond van welke bijzondere omstandigheden de rechter rechtsverwerking heeft aangenomen (randnummer 3.23 hiervoor). 3.25 Tegen deze achtergrond bespreek ik nu de klachten. 4 Bespreking van het cassatiemiddel 4.1 Het middel richt zich tegen rov. 3. en 5.2. tot en met 5.19. van het tussenarrest van het hof van 7 mei 2024 en tegen rov. 2.6., 2.8. tot en met 2.13., 2.16. en het dictum van het eindarrest van het hof van 8 april 2025. Het middel dat in de kern twee thema’s aan de orde stelt (eventuele onderzoeksplicht van de verzekeraar en rechtsverwerking), valt uiteen in vier onderdelen. De onderdelen 1-3 bevatten meerdere subonderdelen. Onderdeel 4 betreft een voortbouwklacht. Onderdeel I 4.2 Onderdeel 1 valt uiteen in vier subonderdelen. 4.3 Subonderdeel 1.1 richt zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 5.19. van het bestreden tussenarrest) dat het antwoord op de vraag of op Achmea een onderzoeksplicht rust bij het accepteren van de aanvraag, inhoudende dat het IVR geraadpleegd had moeten worden, afhangt van de omstandigheden van het geval. In casu zijn er, aldus het hof, geen omstandigheden op grond waarvan Achmea die onderzoeksplicht had. Uitgaande van de omstandigheden van de onderhavige zaak, waarbij de verzekering geheel digitaal en zonder menselijke bemoeienis (aan de kant van Achmea) tot stand komt, valt niet in te zien onder welke omstandigheden dan wél een onderzoeksplicht zou kunnen bestaan. Bovendien impliceert het feit dat Achmea heeft besloten tot het bijhouden van een IVR, dat dat register moet worden geraadpleegd. Daar dient het immers toe. Dat heeft het hof miskend, aldus subonderdeel 1.1. Voorts is het hof er volgens subonderdeel 1.1 aan voorbijgegaan dat de strekking van de door [eiser] bepleite onderzoeksplicht in casu een bijzonder kleine moeite betrof, terwijl de mededelings- en onderzoeksplicht als communicerende vaten plegen te werken. 4.4 De klachten van subonderdeel 1.1 falen bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij uitgaan van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Ik stel voorop dat rov. 5.19. onderdeel uitmaakt van rov. 5.14.-5.24. van het tussenarrest, in welk verband het hof is ingegaan op de kennisgevingsplicht van Achmea en heeft overwogen dat Achmea zich slechts op de rechtsgevolgen van de schending van de mededelingsplicht van [eiser] kan beroepen als zij [eiser] binnen twee maanden na de ontdekking van de verzwijging op de hoogte heeft gesteld van die ontdekking en de gevolgen die zij daaraan verbindt (art. 7:929 lid 1 BW). In de daaropvolgende overwegingen heeft het hof beoordeeld of Achmea in deze zaak heeft voldaan aan haar kennisgevingsplicht en heeft het hof Achmea in dat kader toegelaten te bewijzen op welk moment zij de schending van de mededelingsplicht heeft ‘ontdekt’ (rov. 5.22.). 4.5 In rov. 5.19. is het hof ingegaan op de stelling van [eiser] dat Achmea een onderzoeksplicht had bij het accepteren van zijn aanvraag en in dat kader het IVR had moeten raadplegen. Het hof heeft daarop, anders dan subonderdeel 1.1 veronderstelt, niet geoordeeld dat het antwoord op de vraag of bij het accepteren van een aanvraag op Achmea een onderzoeksplicht rust, inhoudende dat het IVR geraadpleegd had moeten worden, afhangt van de omstandigheden van het geval. Het hof heeft – conform de rechtspraak van Uw Raad met betrekking tot de kennisgevingsplicht – geoordeeld dat of en in welke mate van de verzekeraar mag worden verwacht dat hij onderzoek doet nadat hij aanwijzingen heeft gekregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen , afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Het hof heeft daarop de omstandigheden in de onderhavige zaak geschetst: Achmea heeft via een vragenlijst voor haar relevante informatie opgevraagd bij [eiser] , en [eiser] heeft vervolgens bewust een van die vragen verkeerd beantwoord. Daarop heeft het hof geoordeeld dat Achmea van de juistheid van de informatie mocht uitgaan, zodat er voor haar geen aanleiding was om te vermoeden dat [eiser] zijn mededelingsplicht had geschonden en er voor haar geen aanleiding was voor nader onderzoek. 4.6 Ik wijs nog op de overwegingen en oordelen van het hof in rov. 5.5. en 5.6., waartegen de klachten van subonderdeel 1.1 niet zijn gericht. Deze rechtsoverwegingen maken onderdeel uit van rov. 5.2.-5.10., in welk verband het hof heeft beoordeeld of [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Het hof heeft eerst in rov. 5.2. het wettelijk kader geschetst en is daarna in rov. 5.3.-5.9. ingegaan op hetgeen partijen daarover in de onderhavige zaak hebben aangevoerd. Het hof is daarbij in rov. 5.6. ook ingegaan op de stelling van [eiser] dat Achmea al bekend was met de eerdere weigering en opzegging, zodat haar geen beroep toekomt op de schending van de mededelingsplicht. Het hof heeft – naar ik meen overigens terecht (randnummers 3.2-3.5 hiervoor) – overwogen dat deze stelling voor de schending van de mededelingsplicht niet relevant is, omdat het hof al in rov. 5.5. heeft geoordeeld dat [eiser] een onjuist antwoord had gegeven op een door Achmea gestelde vraag en uit art. 7:928 lid 4 BW volgt dat [eiser] zich er dan niet op kan beroepen dat Achmea bepaalde feiten al kende of behoorde te kennen. Deze overweging ziet op de kennis die Achmea had of behoorde te hebben bij het accepteren van de aanvraag . Het hof heeft voorts in rov. 5.6. overwogen dat het in het kader van de kennisgevingsplicht van Achmea nog zou terugkomen op de stelling dat Achmea al bekend was met de eerdere weigering en opzegging, zodat haar geen beroep toekomt op de schending van de mededelingsplicht. Dat heeft het hof in de hiervoor besproken rov. 5.19. gedaan. 4.7 Volgens subonderdeel 1.2 is het feit dat Achmea haar eigen register niet raadpleegt, niet verenigbaar met haar stelling dat (en waarom) ‘volhardende’ premiewanbetaling bij een andere verzekeraar een ‘onaanvaardbaar’ risico is, welke stelling het hof heeft gehonoreerd in rov. 5.9. van het bestreden tussenarrest. 4.8 Ook deze klacht faalt. De enkele omstandigheid dat Achmea – in het kader van de toets van art 7:930 lid 4 BW (zou de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering hebben gesloten zodat hij bij schending van de mededelingsplicht geen uitkering verschuldigd is?) – heeft aangevoerd dat premiewanbetaling voor haar een ‘onaanvaardbaar’ risico vormt en zij bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering niet zou hebben gesloten, brengt voor haar niet de verplichting mee om bij iedere verzekeringsaanvraag het IVR te raadplegen. Achmea heeft ervoor gekozen om bij de aanvraag van de verzekering door [eiser] gebruik te maken van een vragenlijst en zij mocht erop vertrouwen dat [eiser] deze vragenlijst juist zou invullen (randnummers 3.2-3.5 hiervoor). De door [eiser] ingevulde vragenlijst vormde voor Achmea geen aanleiding om het IVR te raadplegen – Achmea hoefde naar aanleiding van de ingevulde vragenlijst immers geen onraad te ruiken – en dit kan haar, in het licht van art. 7:928 lid 4 BW, ook niet worden tegengeworpen, nu [eiser] een onjuist antwoord heeft gegeven op een door Achmea gestelde vraag (zie rov. 5.6. van het tussenarrest). Ik volg het subonderdeel dan ook niet in het standpunt dat het feit dat Achmea haar eigen register niet raadpleegt, niet verenigbaar is met haar stelling dat premiewanbetaling voor haar een onaanvaardbaar risico is. Dat premiewanbetaling voor een verzekeraar een onaanvaardbaar risico is, brengt niet mee dat hij alles uit de kast moet halen om dat op te sporen op straffe van verlies van een beroep op schending van de mededelingsplicht. 4.9 Volgens subonderdeel 1.3 heeft het hof bovendien verzuimd om grief 1, aangevoerd in het principaal appel door [eiser] , inhoudelijk te bespreken.
Volledig
Uiteraard is het mogelijk om met motiveringsklachten op te komen tegen de beslissing van de lagere rechter waarin een beroep op rechtsverwerking is gehonoreerd indien onvoldoende begrijpelijk is op grond van welke bijzondere omstandigheden de rechter rechtsverwerking heeft aangenomen (randnummer 3.23 hiervoor). 3.25 Tegen deze achtergrond bespreek ik nu de klachten. 4 Bespreking van het cassatiemiddel 4.1 Het middel richt zich tegen rov. 3. en 5.2. tot en met 5.19. van het tussenarrest van het hof van 7 mei 2024 en tegen rov. 2.6., 2.8. tot en met 2.13., 2.16. en het dictum van het eindarrest van het hof van 8 april 2025. Het middel dat in de kern twee thema’s aan de orde stelt (eventuele onderzoeksplicht van de verzekeraar en rechtsverwerking), valt uiteen in vier onderdelen. De onderdelen 1-3 bevatten meerdere subonderdelen. Onderdeel 4 betreft een voortbouwklacht. Onderdeel I 4.2 Onderdeel 1 valt uiteen in vier subonderdelen. 4.3 Subonderdeel 1.1 richt zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 5.19. van het bestreden tussenarrest) dat het antwoord op de vraag of op Achmea een onderzoeksplicht rust bij het accepteren van de aanvraag, inhoudende dat het IVR geraadpleegd had moeten worden, afhangt van de omstandigheden van het geval. In casu zijn er, aldus het hof, geen omstandigheden op grond waarvan Achmea die onderzoeksplicht had. Uitgaande van de omstandigheden van de onderhavige zaak, waarbij de verzekering geheel digitaal en zonder menselijke bemoeienis (aan de kant van Achmea) tot stand komt, valt niet in te zien onder welke omstandigheden dan wél een onderzoeksplicht zou kunnen bestaan. Bovendien impliceert het feit dat Achmea heeft besloten tot het bijhouden van een IVR, dat dat register moet worden geraadpleegd. Daar dient het immers toe. Dat heeft het hof miskend, aldus subonderdeel 1.1. Voorts is het hof er volgens subonderdeel 1.1 aan voorbijgegaan dat de strekking van de door [eiser] bepleite onderzoeksplicht in casu een bijzonder kleine moeite betrof, terwijl de mededelings- en onderzoeksplicht als communicerende vaten plegen te werken. 4.4 De klachten van subonderdeel 1.1 falen bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij uitgaan van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Ik stel voorop dat rov. 5.19. onderdeel uitmaakt van rov. 5.14.-5.24. van het tussenarrest, in welk verband het hof is ingegaan op de kennisgevingsplicht van Achmea en heeft overwogen dat Achmea zich slechts op de rechtsgevolgen van de schending van de mededelingsplicht van [eiser] kan beroepen als zij [eiser] binnen twee maanden na de ontdekking van de verzwijging op de hoogte heeft gesteld van die ontdekking en de gevolgen die zij daaraan verbindt (art. 7:929 lid 1 BW). In de daaropvolgende overwegingen heeft het hof beoordeeld of Achmea in deze zaak heeft voldaan aan haar kennisgevingsplicht en heeft het hof Achmea in dat kader toegelaten te bewijzen op welk moment zij de schending van de mededelingsplicht heeft ‘ontdekt’ (rov. 5.22.). 4.5 In rov. 5.19. is het hof ingegaan op de stelling van [eiser] dat Achmea een onderzoeksplicht had bij het accepteren van zijn aanvraag en in dat kader het IVR had moeten raadplegen. Het hof heeft daarop, anders dan subonderdeel 1.1 veronderstelt, niet geoordeeld dat het antwoord op de vraag of bij het accepteren van een aanvraag op Achmea een onderzoeksplicht rust, inhoudende dat het IVR geraadpleegd had moeten worden, afhangt van de omstandigheden van het geval. Het hof heeft – conform de rechtspraak van Uw Raad met betrekking tot de kennisgevingsplicht – geoordeeld dat of en in welke mate van de verzekeraar mag worden verwacht dat hij onderzoek doet nadat hij aanwijzingen heeft gekregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen , afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Het hof heeft daarop de omstandigheden in de onderhavige zaak geschetst: Achmea heeft via een vragenlijst voor haar relevante informatie opgevraagd bij [eiser] , en [eiser] heeft vervolgens bewust een van die vragen verkeerd beantwoord. Daarop heeft het hof geoordeeld dat Achmea van de juistheid van de informatie mocht uitgaan, zodat er voor haar geen aanleiding was om te vermoeden dat [eiser] zijn mededelingsplicht had geschonden en er voor haar geen aanleiding was voor nader onderzoek. 4.6 Ik wijs nog op de overwegingen en oordelen van het hof in rov. 5.5. en 5.6., waartegen de klachten van subonderdeel 1.1 niet zijn gericht. Deze rechtsoverwegingen maken onderdeel uit van rov. 5.2.-5.10., in welk verband het hof heeft beoordeeld of [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Het hof heeft eerst in rov. 5.2. het wettelijk kader geschetst en is daarna in rov. 5.3.-5.9. ingegaan op hetgeen partijen daarover in de onderhavige zaak hebben aangevoerd. Het hof is daarbij in rov. 5.6. ook ingegaan op de stelling van [eiser] dat Achmea al bekend was met de eerdere weigering en opzegging, zodat haar geen beroep toekomt op de schending van de mededelingsplicht. Het hof heeft – naar ik meen overigens terecht (randnummers 3.2-3.5 hiervoor) – overwogen dat deze stelling voor de schending van de mededelingsplicht niet relevant is, omdat het hof al in rov. 5.5. heeft geoordeeld dat [eiser] een onjuist antwoord had gegeven op een door Achmea gestelde vraag en uit art. 7:928 lid 4 BW volgt dat [eiser] zich er dan niet op kan beroepen dat Achmea bepaalde feiten al kende of behoorde te kennen. Deze overweging ziet op de kennis die Achmea had of behoorde te hebben bij het accepteren van de aanvraag . Het hof heeft voorts in rov. 5.6. overwogen dat het in het kader van de kennisgevingsplicht van Achmea nog zou terugkomen op de stelling dat Achmea al bekend was met de eerdere weigering en opzegging, zodat haar geen beroep toekomt op de schending van de mededelingsplicht. Dat heeft het hof in de hiervoor besproken rov. 5.19. gedaan. 4.7 Volgens subonderdeel 1.2 is het feit dat Achmea haar eigen register niet raadpleegt, niet verenigbaar met haar stelling dat (en waarom) ‘volhardende’ premiewanbetaling bij een andere verzekeraar een ‘onaanvaardbaar’ risico is, welke stelling het hof heeft gehonoreerd in rov. 5.9. van het bestreden tussenarrest. 4.8 Ook deze klacht faalt. De enkele omstandigheid dat Achmea – in het kader van de toets van art 7:930 lid 4 BW (zou de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering hebben gesloten zodat hij bij schending van de mededelingsplicht geen uitkering verschuldigd is?) – heeft aangevoerd dat premiewanbetaling voor haar een ‘onaanvaardbaar’ risico vormt en zij bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering niet zou hebben gesloten, brengt voor haar niet de verplichting mee om bij iedere verzekeringsaanvraag het IVR te raadplegen. Achmea heeft ervoor gekozen om bij de aanvraag van de verzekering door [eiser] gebruik te maken van een vragenlijst en zij mocht erop vertrouwen dat [eiser] deze vragenlijst juist zou invullen (randnummers 3.2-3.5 hiervoor). De door [eiser] ingevulde vragenlijst vormde voor Achmea geen aanleiding om het IVR te raadplegen – Achmea hoefde naar aanleiding van de ingevulde vragenlijst immers geen onraad te ruiken – en dit kan haar, in het licht van art. 7:928 lid 4 BW, ook niet worden tegengeworpen, nu [eiser] een onjuist antwoord heeft gegeven op een door Achmea gestelde vraag (zie rov. 5.6. van het tussenarrest). Ik volg het subonderdeel dan ook niet in het standpunt dat het feit dat Achmea haar eigen register niet raadpleegt, niet verenigbaar is met haar stelling dat premiewanbetaling voor haar een onaanvaardbaar risico is. Dat premiewanbetaling voor een verzekeraar een onaanvaardbaar risico is, brengt niet mee dat hij alles uit de kast moet halen om dat op te sporen op straffe van verlies van een beroep op schending van de mededelingsplicht. 4.9 Volgens subonderdeel 1.3 heeft het hof bovendien verzuimd om grief 1, aangevoerd in het principaal appel door [eiser] , inhoudelijk te bespreken.
Volledig
Het hof heeft in zowel het tussenarrest als het eindarrest de vereenzelviging van HEMA verzekeringen, Centraal Beheer en Achmea niet relevant geacht omdat i) niet in geschil zou zijn dat [eiser] op 27 oktober 2014 online een aanvraag heeft gedaan voor een autoverzekering bij Achmea en de vraag of hem eerder een verzekering is geweigerd of opgezegd met “ nee ” heeft beantwoord en ii) omdat de mogelijkheid voor Achmea en andere – aan Achmea gelieerde – labels om het IVR te raadplegen geen onderzoeksplicht met zich brengt. Het hof heeft geoordeeld dat de genoemde beslissingen in het tussenarrest als bindende eindbeslissingen kwalificeren. Het hof heeft volgens het subonderdeel evenwel miskend dat het eindoordeel vervat in rov. 2.6. van het eindarrest, te weten dat er geen reden is om [eiser] te volgen in zijn betoog dat de dag waarop de IVR-melding in het systeem werd opgenomen als dag van de ontdekking heeft te gelden, ook een bindende eindbeslissing is. Het hof had tenminste de mogelijkheid voor Achmea om eerder te controleren dan ook alsnog bij de beoordeling moeten betrekken. Nu het hof dit niet (kenbaar) heeft gedaan, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd. 4.10 Ik stel voorop dat het hof grief 1 van [eiser] wel degelijk heeft besproken en dat subonderdeel 1.3 reeds daarom faalt vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Ik geef hierna eerst grief 1 weer en daarna de relevante rechtsoverwegingen van het hof. 4.11 Met grief 1 heeft [eiser] zich gericht tegen rov. 2.1. van het vonnis van de rechtbank van 25 mei 2022. [eiser] heeft gemeend dat de rechtbank met de in deze rechtsoverweging opgenomen feiten voorsorteerde op het oordeel van de rechtbank in rov. 4.10. dat H.I Services en Centraal Beheer niet te vereenzelvigen zijn, met welk oordeel [eiser] het niet eens is. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat Achmea vanaf 24 oktober 2014 (de dag waarop Centraal Beheer de verzekeringsaanvraag van [eiser] heeft geweigerd, A-G ) of enkele dagen later van het verzekeringsverleden van [eiser] op de hoogte was en op dat moment een beroep op verzwijging kon en moest doen. [eiser] heeft in dit verband onder andere de volgende stellingen aangevoerd: “ Enkel en alleen de omstandigheid dat niet H.I. Services als procespartij optreedt maakt duidelijk dat wel degelijk sprake is van vereenzelviging. ” En: “ Achmea erkent aldus een zekere mate van vereenzelviging. ” 4.12 In de inleidende alinea bij paragraaf 3 van het tussenarrest (“ 3. Feiten ”) heeft het hof vervolgens overwogen dat [eiser] grief 1 weliswaar heeft gericht tegen de onder rov. 2.1. van het in hoger beroep bestreden vonnis vastgestelde feiten, maar dat deze grief, gelet op de toelichting daarop, betrekking heeft op het in rov. 4.10. van het in hoger beroep bestreden vonnis neergelegde oordeel dat H.I. Services B.V. en Centraal Beheer niet te vereenzelvigen zijn. De juistheid van de onder rov. 2.1. van het in hoger beroep bestreden vonnis genoemde feiten wordt naar het oordeel van het hof dan ook niet kenbaar bestreden. Daarop heeft het hof geoordeeld dat grief 1 daarmee faalt. Ik kom hierover nader te spreken bij de behandeling van subonderdeel 1.4. Het hof heeft in de inleidende alinea bij paragraaf 3 van het tussenarrest nog meegegeven dat de vereenzelviging bij de bespreking van grief 3 in principaal appel aan de orde komt. [eiser] heeft die grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Achmea heeft voldaan aan haar kennisgevingsplicht. Daarover heeft het hof zich in rov. 5.14.-5.24. van het tussenarrest en rov. 2.2.-2.7. van het eindarrest uitgelaten. Over enkele van deze rechtsoverwegingen kom ik hierna nader te spreken. 4.13 Voorts gaat subonderdeel 1.3 ook op andere punten uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest en daarom faalt het eveneens ten aanzien van die punten vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. In rov. 2.6. van het eindarrest heeft het hof overwogen dat het in hetgeen [eiser] in de memorie na enquête nog naar voren heeft gebracht geen aanleiding ziet om terug te komen op de overweging in het tussenarrest die ziet op de IVR-registratie (rov. 5.19., randnummers 4.3-4.6 hiervoor). [eiser] heeft met zijn (herhaalde) betoog volgens het hof miskend dat op Achmea onder de gegeven omstandigheden geen onderzoeksplicht naar een mogelijke schending van de mededelingsplicht door [eiser] rustte. Achmea hoefde bij de beoordeling van zijn aanvraag niet te controleren of er wellicht een IVR-melding in haar systeem te vinden was. Er is volgens het hof dus geen reden om [eiser] te volgen in zijn betoog dat de dag waarop de IVR-melding in de systemen werd opgenomen als dag van ontdekking heeft te gelden. Gelet op de verwijzing naar rov. 5.19. van het tussenarrest, waarin het hof de stelling van [eiser] dat Achmea bij het accepteren van zijn verzekeringsaanvraag het IVR had moeten raadplegen, heeft besproken, heeft het hof, anders dan het subonderdeel veronderstelt, in rov. 2.6. van het eindarrest wel degelijk oog gehad voor de stelling van [eiser] dat Achmea de mogelijkheid had om eerder het IVR te controleren, maar heeft het deze stelling irrelevant geacht omdat op Achmea in de gegeven omstandigheden (zoals weergegeven in rov. 5.19. van het tussenarrest) geen onderzoeksplicht rustte naar een mogelijke schending van de mededelingsplicht door [eiser] . Bij de in randnummer 3.17 hiervoor beschreven stand van zaken geven de zojuist beschreven overwegingen en oordelen overigens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 4.14 Ik wijs in dit verband nog op de bespreking door het hof van grief 3 van [eiser] , waarvan het zojuist besproken rov. 5.19. van het tussenarrest onderdeel uitmaakt. Ik geef hierna eerst grief 3 weer en daarna de relevante rechtsoverwegingen van het hof. 4.15 Met grief 3 heeft [eiser] zich volgens het hof in rov. 5.16. van het tussenarrest gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Achmea heeft voldaan aan haar kennisgevingsplicht. [eiser] heeft zich onder andere op het standpunt gesteld dat wetenschap over de beweerde verzwijging vanaf 24 oktober 2014 (de dag waarop Centraal Beheer de verzekeringsaanvraag van [eiser] heeft geweigerd, A-G ) dan wel 28 oktober 2014 aanwezig was bij Achmea en men toen kennelijk niet de moeite heeft genomen om die te ontdekken, zodat Achmea zich niet tijdig op verzwijging heeft beroepen. [eiser] heeft in dit verband onder andere de volgende stelling aangevoerd: “ Met name nu de rechtbank ermee akkoord gaat dat Achmea een beroep op verzwijging toekomt is het niet juist om de bij Achmea van meet af aan, te weten vanaf 24 oktober 2014, aanwezige kennis, niet aan Achmea toe te rekenen, maar aan een niet bestaande entiteit, te weten Hema, en te overwegen dat er geen sprake is van vereenzelviging. Waarvan dan wel. Hema was slechts een handelsnaam. ” 4.16 In rov. 5.17.-5.19. van het tussenarrest is het hof vervolgens ingegaan op het hiervoor beschreven standpunt van [eiser] . Het hof heeft in rov. 5.18. geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat Achmea op 27 – bedoeld zal zijn: 24 – of 28 oktober 2014 wist of had behoren te weten dat de eerdere aanvraag van [eiser] was afgewezen. Het hof heeft daarvoor redengevend geacht dat Achmea de stellingen van [eiser] met betrekking tot de vereenzelviging van H.I. Services en Centraal Beheer gemotiveerd heeft betwist en heeft toegelicht dat dit binnen de Achmea Groep afzonderlijke labels zijn die niet automatisch kennisnemen van een afwijzing van een aanvraag door een van de andere labels. Daarop heeft het hof geoordeeld dat [eiser] , in het licht van die betwisting, geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan een dergelijke vorm van vereenzelviging zou kunnen worden aangenomen. Het hof heeft de stelling van [eiser] over de vereenzelviging van H.I. Services en Centraal Beheer dus reeds in het tussenarrest terzijde geschoven, zodat het zich daar in het eindarrest in principe niet meer over hoefde uit te laten, hetgeen het ook niet heeft gedaan. Ik heb in de procesinleiding geen klachten tegen rov. 5.18.
Volledig
Het hof heeft in zowel het tussenarrest als het eindarrest de vereenzelviging van HEMA verzekeringen, Centraal Beheer en Achmea niet relevant geacht omdat i) niet in geschil zou zijn dat [eiser] op 27 oktober 2014 online een aanvraag heeft gedaan voor een autoverzekering bij Achmea en de vraag of hem eerder een verzekering is geweigerd of opgezegd met “ nee ” heeft beantwoord en ii) omdat de mogelijkheid voor Achmea en andere – aan Achmea gelieerde – labels om het IVR te raadplegen geen onderzoeksplicht met zich brengt. Het hof heeft geoordeeld dat de genoemde beslissingen in het tussenarrest als bindende eindbeslissingen kwalificeren. Het hof heeft volgens het subonderdeel evenwel miskend dat het eindoordeel vervat in rov. 2.6. van het eindarrest, te weten dat er geen reden is om [eiser] te volgen in zijn betoog dat de dag waarop de IVR-melding in het systeem werd opgenomen als dag van de ontdekking heeft te gelden, ook een bindende eindbeslissing is. Het hof had tenminste de mogelijkheid voor Achmea om eerder te controleren dan ook alsnog bij de beoordeling moeten betrekken. Nu het hof dit niet (kenbaar) heeft gedaan, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd. 4.10 Ik stel voorop dat het hof grief 1 van [eiser] wel degelijk heeft besproken en dat subonderdeel 1.3 reeds daarom faalt vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Ik geef hierna eerst grief 1 weer en daarna de relevante rechtsoverwegingen van het hof. 4.11 Met grief 1 heeft [eiser] zich gericht tegen rov. 2.1. van het vonnis van de rechtbank van 25 mei 2022. [eiser] heeft gemeend dat de rechtbank met de in deze rechtsoverweging opgenomen feiten voorsorteerde op het oordeel van de rechtbank in rov. 4.10. dat H.I Services en Centraal Beheer niet te vereenzelvigen zijn, met welk oordeel [eiser] het niet eens is. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat Achmea vanaf 24 oktober 2014 (de dag waarop Centraal Beheer de verzekeringsaanvraag van [eiser] heeft geweigerd, A-G ) of enkele dagen later van het verzekeringsverleden van [eiser] op de hoogte was en op dat moment een beroep op verzwijging kon en moest doen. [eiser] heeft in dit verband onder andere de volgende stellingen aangevoerd: “ Enkel en alleen de omstandigheid dat niet H.I. Services als procespartij optreedt maakt duidelijk dat wel degelijk sprake is van vereenzelviging. ” En: “ Achmea erkent aldus een zekere mate van vereenzelviging. ” 4.12 In de inleidende alinea bij paragraaf 3 van het tussenarrest (“ 3. Feiten ”) heeft het hof vervolgens overwogen dat [eiser] grief 1 weliswaar heeft gericht tegen de onder rov. 2.1. van het in hoger beroep bestreden vonnis vastgestelde feiten, maar dat deze grief, gelet op de toelichting daarop, betrekking heeft op het in rov. 4.10. van het in hoger beroep bestreden vonnis neergelegde oordeel dat H.I. Services B.V. en Centraal Beheer niet te vereenzelvigen zijn. De juistheid van de onder rov. 2.1. van het in hoger beroep bestreden vonnis genoemde feiten wordt naar het oordeel van het hof dan ook niet kenbaar bestreden. Daarop heeft het hof geoordeeld dat grief 1 daarmee faalt. Ik kom hierover nader te spreken bij de behandeling van subonderdeel 1.4. Het hof heeft in de inleidende alinea bij paragraaf 3 van het tussenarrest nog meegegeven dat de vereenzelviging bij de bespreking van grief 3 in principaal appel aan de orde komt. [eiser] heeft die grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Achmea heeft voldaan aan haar kennisgevingsplicht. Daarover heeft het hof zich in rov. 5.14.-5.24. van het tussenarrest en rov. 2.2.-2.7. van het eindarrest uitgelaten. Over enkele van deze rechtsoverwegingen kom ik hierna nader te spreken. 4.13 Voorts gaat subonderdeel 1.3 ook op andere punten uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest en daarom faalt het eveneens ten aanzien van die punten vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. In rov. 2.6. van het eindarrest heeft het hof overwogen dat het in hetgeen [eiser] in de memorie na enquête nog naar voren heeft gebracht geen aanleiding ziet om terug te komen op de overweging in het tussenarrest die ziet op de IVR-registratie (rov. 5.19., randnummers 4.3-4.6 hiervoor). [eiser] heeft met zijn (herhaalde) betoog volgens het hof miskend dat op Achmea onder de gegeven omstandigheden geen onderzoeksplicht naar een mogelijke schending van de mededelingsplicht door [eiser] rustte. Achmea hoefde bij de beoordeling van zijn aanvraag niet te controleren of er wellicht een IVR-melding in haar systeem te vinden was. Er is volgens het hof dus geen reden om [eiser] te volgen in zijn betoog dat de dag waarop de IVR-melding in de systemen werd opgenomen als dag van ontdekking heeft te gelden. Gelet op de verwijzing naar rov. 5.19. van het tussenarrest, waarin het hof de stelling van [eiser] dat Achmea bij het accepteren van zijn verzekeringsaanvraag het IVR had moeten raadplegen, heeft besproken, heeft het hof, anders dan het subonderdeel veronderstelt, in rov. 2.6. van het eindarrest wel degelijk oog gehad voor de stelling van [eiser] dat Achmea de mogelijkheid had om eerder het IVR te controleren, maar heeft het deze stelling irrelevant geacht omdat op Achmea in de gegeven omstandigheden (zoals weergegeven in rov. 5.19. van het tussenarrest) geen onderzoeksplicht rustte naar een mogelijke schending van de mededelingsplicht door [eiser] . Bij de in randnummer 3.17 hiervoor beschreven stand van zaken geven de zojuist beschreven overwegingen en oordelen overigens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 4.14 Ik wijs in dit verband nog op de bespreking door het hof van grief 3 van [eiser] , waarvan het zojuist besproken rov. 5.19. van het tussenarrest onderdeel uitmaakt. Ik geef hierna eerst grief 3 weer en daarna de relevante rechtsoverwegingen van het hof. 4.15 Met grief 3 heeft [eiser] zich volgens het hof in rov. 5.16. van het tussenarrest gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Achmea heeft voldaan aan haar kennisgevingsplicht. [eiser] heeft zich onder andere op het standpunt gesteld dat wetenschap over de beweerde verzwijging vanaf 24 oktober 2014 (de dag waarop Centraal Beheer de verzekeringsaanvraag van [eiser] heeft geweigerd, A-G ) dan wel 28 oktober 2014 aanwezig was bij Achmea en men toen kennelijk niet de moeite heeft genomen om die te ontdekken, zodat Achmea zich niet tijdig op verzwijging heeft beroepen. [eiser] heeft in dit verband onder andere de volgende stelling aangevoerd: “ Met name nu de rechtbank ermee akkoord gaat dat Achmea een beroep op verzwijging toekomt is het niet juist om de bij Achmea van meet af aan, te weten vanaf 24 oktober 2014, aanwezige kennis, niet aan Achmea toe te rekenen, maar aan een niet bestaande entiteit, te weten Hema, en te overwegen dat er geen sprake is van vereenzelviging. Waarvan dan wel. Hema was slechts een handelsnaam. ” 4.16 In rov. 5.17.-5.19. van het tussenarrest is het hof vervolgens ingegaan op het hiervoor beschreven standpunt van [eiser] . Het hof heeft in rov. 5.18. geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat Achmea op 27 – bedoeld zal zijn: 24 – of 28 oktober 2014 wist of had behoren te weten dat de eerdere aanvraag van [eiser] was afgewezen. Het hof heeft daarvoor redengevend geacht dat Achmea de stellingen van [eiser] met betrekking tot de vereenzelviging van H.I. Services en Centraal Beheer gemotiveerd heeft betwist en heeft toegelicht dat dit binnen de Achmea Groep afzonderlijke labels zijn die niet automatisch kennisnemen van een afwijzing van een aanvraag door een van de andere labels. Daarop heeft het hof geoordeeld dat [eiser] , in het licht van die betwisting, geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan een dergelijke vorm van vereenzelviging zou kunnen worden aangenomen. Het hof heeft de stelling van [eiser] over de vereenzelviging van H.I. Services en Centraal Beheer dus reeds in het tussenarrest terzijde geschoven, zodat het zich daar in het eindarrest in principe niet meer over hoefde uit te laten, hetgeen het ook niet heeft gedaan. Ik heb in de procesinleiding geen klachten tegen rov. 5.18.
Volledig
gelezen, zodat het zojuist beschreven oordeel in cassatie onbestreden is. 4.17 Subonderdeel 1.4 is gericht tegen rov. 3. van het tussenarrest waarin het hof grief 1 van [eiser] heeft laten falen om de in die rechtsoverweging genoemde redenen. Deze redenen zijn als zodanig niet voldoende om de beslissing dat grief 1 faalt te dragen, zodat het oordeel van het hof dat grief 1 faalt onbegrijpelijk is. Verder heeft te gelden hetgeen in subonderdeel 1.1 is betoogd, nu het hof in rov. 3. van het tussenarrest uitdrukkelijk zou hebben verwezen naar de verdere behandeling van grief 3 van [eiser] . Daarbij komt dat de mogelijkheid voor Achmea om eerder te controleren ook voor de beoordeling van grief 5 van [eiser] relevant is. 4.18 Ik stel voorop dat uit de eerste volzin van subonderdeel 1.4 blijkt dat [eiser] inziet dat het hof, anders dan hij in het kader van subonderdeel 1.3 heeft aangevoerd, wel degelijk zijn grief 1 heeft besproken. Dat onderstreept mijn conclusie ten aanzien van de betreffende klacht uit subonderdeel 1.3: die faalt vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag (zie randnummers 4.10-4.12 hiervoor). 4.19 Dan de inhoudelijke behandeling van de klachten uit subonderdeel 1.4. 4.20 De klacht uit de eerste twee volzinnen van subonderdeel 1.4 (randnummer 4.17 hiervoor) faalt, omdat het daardoor bestreden oordeel niet onbegrijpelijk is. Deze klacht stelt de uitleg ter discussie die het hof aan grief 1 heeft gegeven. In dat verband geldt dat de uitleg van grieven in beginsel aan de appelrechter is voorbehouden, zodat die uitleg in cassatie niet op juistheid doch slechts op begrijpelijkheid kan worden beoordeeld. Ik verwijs naar randnummers 4.10-4.12 hiervoor voor een uitgebreide beschrijving van grief 1 alsmede van het bestreden oordeel. In het licht van de aldaar beschreven toelichting op grief 1 acht ik het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk. 4.21 Daarbij komt dat het hof in rov. 3. van het tussenarrest heeft aangegeven dat het standpunt van [eiser] met betrekking tot de vereenzelviging bij de bespreking van grief 3 aan de orde zou komen. In dat verband heeft het hof onder andere geoordeeld dat Achmea de stellingen van [eiser] over vereenzelviging gemotiveerd heeft betwist en heeft toegelicht dat H.I. Services en Centraal Beheer (de entiteiten die volgens [eiser] moeten worden vereenzelvigd) binnen Achmea Groep afzonderlijke labels zijn die niet automatisch kennisnemen van een afwijzing van een aanvraag door een van de andere labels. Ik verwijs naar randnummers 4.14-4.16 hiervoor voor een uitgebreide beschrijving van grief 3 alsmede de bespreking daarvan door het hof. Ook de overwegingen en oordelen van het hof in rov. 5.18. acht ik niet onbegrijpelijk. Evenmin acht ik het onbegrijpelijk dat het hof zich pas over het met grief 1 gemaakte punt over vereenzelviging heeft uitgelaten bij zijn beoordeling van grief 3, nu in dat kader ook een punt over vereenzelviging is gemaakt. 4.22 Nu de klachten van subonderdeel 1.1 wat mij betreft falen vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag (randnummers 4.3-4.6 hiervoor), treft de klacht uit de derde volzin van subonderdeel 1.4, waarmee in essentie wordt aangevoerd dat de klachten van subonderdeel 1.1 ook in dit kader hebben te gelden, evenmin doel. De klachten van subonderdeel 1.1 hebben in het kader van subonderdeel 1.4 niet opeens wel feitelijke grondslag. 4.23 Met de vierde en tevens laatste volzin van subonderdeel 1.4 lijkt te zijn bedoeld dat het hof bij zijn beoordeling van grief 5 van [eiser] over rechtsverwerking ook de mogelijkheid van Achmea om eerder te controleren had moeten betrekken. Het hof heeft een dergelijke stelling wel degelijk in aanmerking genomen bij zijn rechtsverwerkingsoordeel. Dit blijkt uit rov. 2.9. en 2.12. van het eindarrest. In rov. 2.9. heeft het hof de stellingen die [eiser] in het kader van rechtsverwerking heeft aangevoerd, beschreven en onder andere het volgende overwogen: “ De situatie is volgens [eiser] geheel te wijten aan de omstandigheid dat Achmea ervoor heeft gekozen om jarenlang geen controle te verrichten, terwijl zij die controle al bij de aanvraag van de verzekering had kunnen verrichten. Dat falen van Achmea en de onevenredig zware gevolgen voor hem dienen er volgens [eiser] toe te leiden dat zijn beroep op rechtsverwerking in hoger beroep alsnog wordt gehonoreerd. ” Daarop heeft het hof in rov. 2.12. geoordeeld: “ Ook de omstandigheid dat Achmea eerder had kunnen controleren of [eiser] bij het aangaan van de verzekering zijn mededelingsplicht had geschonden, is geen bijzondere omstandigheid in de hiervoor bedoelde zin. (…) Door niet eerder een controle uit te voeren heeft Achmea niet een norm geschonden, die strekte tot bescherming van de belangen van degene die haar opzettelijk had misleid. ” Tegen deze achtergrond faalt ook deze klacht vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. 4.24 De klachten van onderdeel 1 falen. Onderdeel 2 4.25 Onderdeel 2 valt uiteen in drie subonderdelen. 4.26 Volgens subonderdeel 2.1 heeft het hof in rov. 2.11. van het eindarrest onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk geoordeeld dat “ de omstandigheden die [eiser] heeft aangevoerd, ook in onderlinge samenhang beschouwd, niet tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Achmea zijn rechten om verdere uitkeringen uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst stop te zetten en het reeds uitgekeerde terug te vorderen niet meer geldend zou maken. ” In dat kader is volgens subonderdeel 2.2 immers wél relevant of de verzekeraar eerder had kunnen ontdekken of hij vanwege de gebleken schending van de mededelingsplicht niet (meer) tot uitkering verplicht was. Er is dus om die reden geen sprake van enkel tijdsverloop, aldus het subonderdeel. Het subonderdeel verwijst daarbij naar rov. 2.10. van het bestreden arrest. 4.27 De klachten van subonderdeel 2.1 en 2.2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij falen bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij uitgaan van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Anders dan in de procesinleiding wordt gesuggereerd, heeft het hof in rov. 2.11. niet overwogen dat voor de vraag of bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Achmea zijn rechten niet meer geldend zou maken niet relevant is of Achmea de schending van de mededelingsplicht eerder had kunnen ontdekken. Het heeft daar slechts geoordeeld dat de omstandigheden die [eiser] heeft aangevoerd, ook in onderlinge samenhang beschouwd, niet leiden tot het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Achmea haar rechten om te stoppen met uitkeren en het reeds uitgekeerde terug te vorderen niet meer geldend zou maken. Het hof heeft in het slot van rov. 2.9. de door [eiser] aangevoerde omstandigheden beschreven en in dit verband gewezen op de stelling van [eiser] dat Achmea de schending van de mededelingsplicht eerder had kunnen ontdekken: “ De situatie is volgens [eiser] geheel te wijten aan de omstandigheid dat Achmea ervoor heeft gekozen om jarenlang geen controle te verrichten, terwijl zij die controle al bij de aanvraag van de verzekering had kunnen verrichten. Dat falen van Achmea en de onevenredig zware gevolgen voor hem dienen er volgens [eiser] toe te leiden dat zijn beroep op rechtsverwerking in hoger beroep alsnog wordt gehonoreerd. ” 4.28 Dan subonderdeel 2.3 dat is gericht tegen de overweging in rov. 2.11. van het eindarrest dat vaststaat dat Achmea kort nadat de verzwijging haar bekend was geworden de schadeafwikkeling heeft gestaakt en aan [eiser] heeft medegedeeld dat zij geen uitbetalingen meer zou doen en dat reeds betaalde bedragen werden teruggevorderd. Deze overweging kan het oordeel, dat bij [eiser] niet het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Achmea haar rechten niet meer geldend zou maken, volgens subonderdeel 2.3 niet dragen. Het hof heeft daarmee volgens het subonderdeel een onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk oordeel gegeven. 4.29 Behalve dat deze klacht naar ik meen niet voldoet aan de daaraan op grond van art.
Volledig
gelezen, zodat het zojuist beschreven oordeel in cassatie onbestreden is. 4.17 Subonderdeel 1.4 is gericht tegen rov. 3. van het tussenarrest waarin het hof grief 1 van [eiser] heeft laten falen om de in die rechtsoverweging genoemde redenen. Deze redenen zijn als zodanig niet voldoende om de beslissing dat grief 1 faalt te dragen, zodat het oordeel van het hof dat grief 1 faalt onbegrijpelijk is. Verder heeft te gelden hetgeen in subonderdeel 1.1 is betoogd, nu het hof in rov. 3. van het tussenarrest uitdrukkelijk zou hebben verwezen naar de verdere behandeling van grief 3 van [eiser] . Daarbij komt dat de mogelijkheid voor Achmea om eerder te controleren ook voor de beoordeling van grief 5 van [eiser] relevant is. 4.18 Ik stel voorop dat uit de eerste volzin van subonderdeel 1.4 blijkt dat [eiser] inziet dat het hof, anders dan hij in het kader van subonderdeel 1.3 heeft aangevoerd, wel degelijk zijn grief 1 heeft besproken. Dat onderstreept mijn conclusie ten aanzien van de betreffende klacht uit subonderdeel 1.3: die faalt vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag (zie randnummers 4.10-4.12 hiervoor). 4.19 Dan de inhoudelijke behandeling van de klachten uit subonderdeel 1.4. 4.20 De klacht uit de eerste twee volzinnen van subonderdeel 1.4 (randnummer 4.17 hiervoor) faalt, omdat het daardoor bestreden oordeel niet onbegrijpelijk is. Deze klacht stelt de uitleg ter discussie die het hof aan grief 1 heeft gegeven. In dat verband geldt dat de uitleg van grieven in beginsel aan de appelrechter is voorbehouden, zodat die uitleg in cassatie niet op juistheid doch slechts op begrijpelijkheid kan worden beoordeeld. Ik verwijs naar randnummers 4.10-4.12 hiervoor voor een uitgebreide beschrijving van grief 1 alsmede van het bestreden oordeel. In het licht van de aldaar beschreven toelichting op grief 1 acht ik het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk. 4.21 Daarbij komt dat het hof in rov. 3. van het tussenarrest heeft aangegeven dat het standpunt van [eiser] met betrekking tot de vereenzelviging bij de bespreking van grief 3 aan de orde zou komen. In dat verband heeft het hof onder andere geoordeeld dat Achmea de stellingen van [eiser] over vereenzelviging gemotiveerd heeft betwist en heeft toegelicht dat H.I. Services en Centraal Beheer (de entiteiten die volgens [eiser] moeten worden vereenzelvigd) binnen Achmea Groep afzonderlijke labels zijn die niet automatisch kennisnemen van een afwijzing van een aanvraag door een van de andere labels. Ik verwijs naar randnummers 4.14-4.16 hiervoor voor een uitgebreide beschrijving van grief 3 alsmede de bespreking daarvan door het hof. Ook de overwegingen en oordelen van het hof in rov. 5.18. acht ik niet onbegrijpelijk. Evenmin acht ik het onbegrijpelijk dat het hof zich pas over het met grief 1 gemaakte punt over vereenzelviging heeft uitgelaten bij zijn beoordeling van grief 3, nu in dat kader ook een punt over vereenzelviging is gemaakt. 4.22 Nu de klachten van subonderdeel 1.1 wat mij betreft falen vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag (randnummers 4.3-4.6 hiervoor), treft de klacht uit de derde volzin van subonderdeel 1.4, waarmee in essentie wordt aangevoerd dat de klachten van subonderdeel 1.1 ook in dit kader hebben te gelden, evenmin doel. De klachten van subonderdeel 1.1 hebben in het kader van subonderdeel 1.4 niet opeens wel feitelijke grondslag. 4.23 Met de vierde en tevens laatste volzin van subonderdeel 1.4 lijkt te zijn bedoeld dat het hof bij zijn beoordeling van grief 5 van [eiser] over rechtsverwerking ook de mogelijkheid van Achmea om eerder te controleren had moeten betrekken. Het hof heeft een dergelijke stelling wel degelijk in aanmerking genomen bij zijn rechtsverwerkingsoordeel. Dit blijkt uit rov. 2.9. en 2.12. van het eindarrest. In rov. 2.9. heeft het hof de stellingen die [eiser] in het kader van rechtsverwerking heeft aangevoerd, beschreven en onder andere het volgende overwogen: “ De situatie is volgens [eiser] geheel te wijten aan de omstandigheid dat Achmea ervoor heeft gekozen om jarenlang geen controle te verrichten, terwijl zij die controle al bij de aanvraag van de verzekering had kunnen verrichten. Dat falen van Achmea en de onevenredig zware gevolgen voor hem dienen er volgens [eiser] toe te leiden dat zijn beroep op rechtsverwerking in hoger beroep alsnog wordt gehonoreerd. ” Daarop heeft het hof in rov. 2.12. geoordeeld: “ Ook de omstandigheid dat Achmea eerder had kunnen controleren of [eiser] bij het aangaan van de verzekering zijn mededelingsplicht had geschonden, is geen bijzondere omstandigheid in de hiervoor bedoelde zin. (…) Door niet eerder een controle uit te voeren heeft Achmea niet een norm geschonden, die strekte tot bescherming van de belangen van degene die haar opzettelijk had misleid. ” Tegen deze achtergrond faalt ook deze klacht vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. 4.24 De klachten van onderdeel 1 falen. Onderdeel 2 4.25 Onderdeel 2 valt uiteen in drie subonderdelen. 4.26 Volgens subonderdeel 2.1 heeft het hof in rov. 2.11. van het eindarrest onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk geoordeeld dat “ de omstandigheden die [eiser] heeft aangevoerd, ook in onderlinge samenhang beschouwd, niet tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Achmea zijn rechten om verdere uitkeringen uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst stop te zetten en het reeds uitgekeerde terug te vorderen niet meer geldend zou maken. ” In dat kader is volgens subonderdeel 2.2 immers wél relevant of de verzekeraar eerder had kunnen ontdekken of hij vanwege de gebleken schending van de mededelingsplicht niet (meer) tot uitkering verplicht was. Er is dus om die reden geen sprake van enkel tijdsverloop, aldus het subonderdeel. Het subonderdeel verwijst daarbij naar rov. 2.10. van het bestreden arrest. 4.27 De klachten van subonderdeel 2.1 en 2.2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij falen bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij uitgaan van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Anders dan in de procesinleiding wordt gesuggereerd, heeft het hof in rov. 2.11. niet overwogen dat voor de vraag of bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Achmea zijn rechten niet meer geldend zou maken niet relevant is of Achmea de schending van de mededelingsplicht eerder had kunnen ontdekken. Het heeft daar slechts geoordeeld dat de omstandigheden die [eiser] heeft aangevoerd, ook in onderlinge samenhang beschouwd, niet leiden tot het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Achmea haar rechten om te stoppen met uitkeren en het reeds uitgekeerde terug te vorderen niet meer geldend zou maken. Het hof heeft in het slot van rov. 2.9. de door [eiser] aangevoerde omstandigheden beschreven en in dit verband gewezen op de stelling van [eiser] dat Achmea de schending van de mededelingsplicht eerder had kunnen ontdekken: “ De situatie is volgens [eiser] geheel te wijten aan de omstandigheid dat Achmea ervoor heeft gekozen om jarenlang geen controle te verrichten, terwijl zij die controle al bij de aanvraag van de verzekering had kunnen verrichten. Dat falen van Achmea en de onevenredig zware gevolgen voor hem dienen er volgens [eiser] toe te leiden dat zijn beroep op rechtsverwerking in hoger beroep alsnog wordt gehonoreerd. ” 4.28 Dan subonderdeel 2.3 dat is gericht tegen de overweging in rov. 2.11. van het eindarrest dat vaststaat dat Achmea kort nadat de verzwijging haar bekend was geworden de schadeafwikkeling heeft gestaakt en aan [eiser] heeft medegedeeld dat zij geen uitbetalingen meer zou doen en dat reeds betaalde bedragen werden teruggevorderd. Deze overweging kan het oordeel, dat bij [eiser] niet het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Achmea haar rechten niet meer geldend zou maken, volgens subonderdeel 2.3 niet dragen. Het hof heeft daarmee volgens het subonderdeel een onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk oordeel gegeven. 4.29 Behalve dat deze klacht naar ik meen niet voldoet aan de daaraan op grond van art.